Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:730

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-03-2016
Datum publicatie
09-03-2016
Zaaknummer
200.163.075/01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2015:5104
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie. Wijziging van omstandigheden als gevolg van fiscale wijzigingen per 1 januari 2015. Berekening draagkracht partijen aan de hand van de formule. Draagkrachtvergelijking. Toepassing zorgkorting.

Redelijkheid en billijkheid bij terugbetalingsverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2016-0068
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 1 maart 2016

Zaaknummer: 200.163.075/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/15/210513/FARK 14-213

in de zaak in hoger beroep van:

[de man] ,

wonende te [woonplaats a] ,

appellant,

advocaat: mr. A. van Dijk te Nijmegen,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats b] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. L. Hopman te Zwanenburg, gemeente Haarlemmermeer.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2.

Het hof verwijst naar en neemt over hetgeen in de tussenbeschikking van 1 december 2015 is weergegeven. Bij die beschikking heeft het hof - kort samengevat - overwogen dat er tot 1 januari 2015 geen sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) op basis waarvan de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen opnieuw berekend dient te worden en dat dit per 1 januari 2015 wel het geval is. Alvorens te beslissen over de door de man met ingang van 1 januari 2015 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich binnen twee weken nadien uit te laten over de gevolgen van de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3011) en binnen een week nadien op elkaars uitlatingen te reageren.

1.3.

De man heeft zich op 14 december 2015 nader uitgelaten onder indiening van nadere stukken.

1.4.

De vrouw heeft zich op 14 december 2015 nader uitgelaten.

1.5.

De man en de vrouw hebben op 21 december 2015 op elkaars standpunt gereageerd onder indiening van nadere stukken.

2. Nadere beoordeling van het hoger beroep

2.1.

Op 1 januari 2015 is de Wet hervorming kindregelingen in werking getreden. De in die wet vervatte fiscale wijzigingen in de kindregelingen - waaronder het vervallen van het fiscaal voordeel voor de man - vormen, anders dan de vrouw meent, een wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 1:401 lid 1 BW. Het hof ziet dan ook aanleiding om te beoordelen of de door de man op basis van de overeenkomst tussen partijen van 17 december 2010 te betalen kinderbijdrage (na indexering € 328,- per kind per maand) vanaf 1 januari 2015 nog aan de wettelijke maatstaven voldoet.

2.2.

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van de kinderen in 2015 geïndexeerd € 331,- per kind per maand bedraagt. In lijn met de onder 1.2 vermelde uitspraak van de Hoge Raad wordt het door de vrouw ontvangen kindgebonden budget niet langer op de behoefte in mindering gebracht.

2.4.

Het hof zal bij de bepaling van de draagkracht van de man het door hem in productie 13 berekende netto besteedbaar inkomen (NBI) van € 3.145,- per maand tot uitgangspunt nemen, nu de vrouw de hoogte van dat bedrag niet heeft betwist. De draagkracht van de man wordt vastgesteld aan de hand van de formule 70% [NBI – (0,3 NBI + € 875,-)], nu het een netto besteedbaar inkomen betreft dat hoger is dan € 1.525,- per maand. Deze benadering houdt in dat aan de zijde van de man op het besteedbaar inkomen 30% in mindering wordt gebracht in verband met forfaitaire woonlasten, dat rekening wordt gehouden met een bedrag van € 875,- aan overige lasten en dat zal worden uitgegaan van een draagkrachtpercentage van 70.

Zoals weergegeven in rechtsoverweging 4.2 van de tussenbeschikking van 1 december 2015, stelt de vrouw dat afgeweken dient te worden van de formule voor de berekening van woonlasten (0,3 x netto besteedbaar inkomen van de man) In de summiere toelichting van de vrouw op deze stelling, namelijk dat het de vraag is of zijn daadwerkelijke woonlasten wel overeenkomen met het bedrag dat de uitkomst van de formule vormt, ziet het hof echter onvoldoende aanleiding om af te wijken van het ingevolge het Rapport alimentatienormen voorgestane forfaitaire stelsel. Kenmerkend voor een dergelijk stelsel is immers dat de werkelijke lasten kunnen afwijken van de forfaitair berekende.

Ingevolge paragraaf 7.2 van het Rapport alimentatienormen kan met extra lasten rekening worden gehouden door het draagkrachtloos inkomen daarmee te verhogen. De man voert rentebetalingen voor een schuld bij de Direktbank op en stelt dat zijn draagkrachtloos inkomen daarmee dient te worden verhoogd. De vrouw betoogt dat met deze betalingen geen rekening gehouden dient te worden omdat deze schuld al afgelost had kunnen zijn. Het hof gaat aan dit betoog voorbij en overweegt dat het blijkens de door de man overgelegde financiële stukken een niet vermijdbare en niet verwijtbare last betreft, namelijk een huwelijkse schuld van partijen waarvoor de man de draagplicht op zich heeft genomen en waarmee op grond van voormelde bepaling rekening gehouden kan worden. Het hof zal het draagkrachtloos inkomen van de man daarom met de door hem met stukken onderbouwde rentebetalingen van (gemiddeld) € 48,- per maand verhogen.

Voorts stelt de man dat bij de bepaling van zijn draagkracht rekening dient te worden gehouden met een aflossingsverplichting jegens zijn werkgever voor een lening die deze aan hem heeft verstrekt en doet hij in dat verband tevens een beroep op de aanvaardbaarheidstoets. De vrouw heeft betwist dat met deze last rekening gehouden moet worden. Nu deze last niet als een extra last zoals omschreven in paragraaf 7.2.1 en 7.2.2 van genoemd rapport geldt, zal het hof deze, anders dan de hierboven genoemde huwelijkse schuld, niet in aanmerking nemen bij de berekening van de draagkracht van de man. Met betrekking tot het beroep van de man op de aanvaardbaarheidstoets, stelt het hof voorop dat daarbij van de man wordt verwacht dat hij volledig en duidelijk – door middel van een volledig overzicht van zijn inkomsten en uitgaven met onderliggende stukken – inzicht geeft in zijn inkomens- en vermogenspositie en zijn bestedingen, Nu de man een dergelijke onderbouwing achterwege heeft gelaten, kan het hof niet toekomen aan de beoordeling of bij vaststelling van de berekende bijdrage voldoende rekening is gehouden met alle omstandigheden die de draagkracht beïnvloeden en of er geen sprake meer is van een bijdrage conform de wettelijke maatstaven en faalt reeds om die reden zijn beroep op de aanvaardbaarheidstoets.

Aldus wordt de draagkracht van de man vastgesteld aan de hand van de formule 70% [NBI – (0,3 NBI + € 875,- + € 48,-)]. Dit leidt tot een draagkracht van de man van € 895,- totaal en

€ 298,- per kind per maand.

2.5.

Het hof zal bij de bepaling van de draagkracht van de vrouw uitgaan van een inkomen van € 12.755,- zoals dat uit de door haar overgelegde jaaropgave van 2014 blijkt. Dit leidt tot een netto besteedbaar inkomen van € 934,- per maand. De man stelt dat de vrouw in 2015 meer uren heeft gewerkt. Gelet op de met financiële stukken onderbouwde betwisting daarvan door de vrouw, gaat het hof aan deze stelling voorbij. Blijkens de tussenbeschikking van 1 december 2015 van dit hof heeft de vrouw in 2015 een kindgebonden budget van € 459,- per maand ontvangen. In de onder 1.2 vermelde beslissing heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het kindgebonden budget aangemerkt moet worden als inkomens-ondersteuning. In lijn met die uitspraak wordt het kindgebonden budget dan ook bij het netto besteedbaar inkomen van de vrouw opgeteld, hetgeen een totaalbedrag van € 1.393,- per maand oplevert. Zoals reeds onder 2.4 is weergegeven, geldt voor het berekenen van de draagkracht volgens de formule een ondergrens van € 1.525,- per maand in 2015. Voor een lager netto besteedbaar inkomen wordt een draagkrachttabel gehanteerd. Op grond van die tabel, geldend voor 2015, stelt het hof de draagkracht van de vrouw vast op € 110,- totaal en € 37,- per kind per maand.

2.6.

Uit de draagkrachtvergelijking van partijen volgt een aandeel van de man in de kosten van de kinderen van € 295,- per kind per maand.

2.7.

Vervolgens dient te worden bepaald in hoeverre de zorgkorting moet worden toegepast. De kosten van de verdeling van de zorg worden in aanmerking genomen als een percentage van de behoefte. Op basis van de in de tussenbeschikking van 1 december 2015 van dit hof vermelde omgang tussen de man en de kinderen betreft de zorgkorting 25%. De vrouw stelt dat de man inmiddels geen dan wel minder contact heeft met de oudste twee kinderen, zodat rekening gehouden dient te worden met een (lagere) zorgkorting van 15%. Nu de vrouw heeft nagelaten haar stelling te onderbouwen en de man deze heeft betwist, gaat het hof hieraan voorbij. Uitgegaan wordt van een zorgkorting van 25%, hetgeen neerkomt op € 83,- per kind per maand. Aangezien partijen gezamenlijk voldoende draagkracht hebben om in de gehele behoefte van de kinderen te voorzien, dient overeenkomstig de richtlijnen van de Expertgroep Alimentatienormen de volledige zorgkorting in mindering te worden gebracht op de draagkracht van de man. Dit leidt tot een draagkracht aan de zijde van de man van € 212,- per kind per maand.

2.8.

Gelet op het voorgaande is een door de man met ingang van 1 januari 2015 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van € 212,- per kind per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.

2.9.

Het hof overweegt dat in de afwikkeling van de onderhavige procedure vertraging is opgetreden die niet door partijen is veroorzaakt. Voorts is gebleken dat de man vanaf 1 januari 2015 tot in ieder geval december 2015 een bijdrage van € 331,- per kind per maand is blijven betalen. Alhoewel onderhoudsbijdragen, zoals ook door de vrouw is gesteld, maandelijks plegen te worden verbruikt, is het hof van oordeel dat het in dit geval niet redelijk en billijk zou zijn om de man in dit geval het volledige risico van de vertraging bij de afdoening van de procedure te laten dragen. Het hof acht het daarom redelijk om te bepalen dat de vrouw hetgeen zij (gelet op deze beschikking) vanaf 1 juli 2015 teveel heeft ontvangen aan de man dient terug te betalen of met hem dient te verrekenen.

2.10.

Het vorenstaande leidt - met inachtneming van hetgeen in de tussenbeschikking van 1 december 2015 van dit hof is overwogen - tot de volgende beslissing.

3 Beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt, met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van 20 juli 2010 van de rechtbank en van de overeenkomst van partijen van 17 december 2010, dat de man aan de vrouw met ingang van 1 januari 2015 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen zal betalen van € 212,- (zegge: TWEEHONDERDTWAALF EURO) per kind per maand, met dien verstande dat, voor zover de man over de periode van 1 januari 2015 tot 1 juli 2015 meer heeft betaald en/of op hem is verhaald, de bijdrage tot 1 juli 2015 wordt bepaald op hetgeen door de man is betaald en/of op hem is verhaald;

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor het overige.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.E. Buitendijk, mr. M.F.G.H. Beckers en mr. P.J.W.M. Sliepenbeek in tegenwoordigheid van mr. C.M. van Harten als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 maart 2016.