Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:71

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-01-2016
Datum publicatie
20-01-2016
Zaaknummer
14/00466
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2014:11730, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:125, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Douane. Het Hof stelt vast dat de inspecteur is overgegaan tot definitieve inning van het voorlopig antidumpingrecht. De inspecteur heeft deze rechten in de UTB aangeduid als ‘definitieve antidumpingrechten’ en tijdens de procedure erin volhard dat deze aanduiding rechtens juist is. Het Hof volgt de inspecteur daarin niet, maar oordeelt dat de onjuiste aanduiding op de UTB niet leidt tot de vernietiging van de UTB, nu tussen partijen was afgestemd dat het voorlopig antidumpingrecht diende te worden nagevorderd. In casu is geen zekerheid gesteld voor het voorlopig antidumpingrecht; navordering van de rechten is mogelijk op grond van artikel 220, lid 1, van het CDW.

Communautair douanewetboek: art. 220, lid 1, CDW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 02-02-2018
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk 14/00466

7 januari 2016

uitspraak van de meervoudige douanekamer

op het hoger beroep van

[X B.V.] te [Z] , belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 13/3539 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 8 februari 2013 aan belanghebbende een uitnodiging tot betaling (hierna: UTB) uitgereikt voor een bedrag van € 75.631,27.

1.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 5 juli 2013, het bezwaar afgewezen en de UTB gehandhaafd.

1.3.

Bij uitspraak van 4 juni 2014 heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof per faxbericht ingekomen op 14 juli 2014 en aangevuld bij brief van 2 oktober 2014. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 december 2015. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft in haar uitspraak de volgende feiten vastgesteld. Belanghebbende wordt daarin aangeduid als ‘eiseres’:

“2.1. Op 30 juni 2011 heeft [A B.V.] in naam en voor rekening van eiseres aangifte voor het brengen in het vrije verkeer gedaan voor onder meer naadloze buizen van roestvrij staal onder TARIC-code 7304 49 93 90. In de aangifte is geen aanvullende TARIC-code aangegeven, aangezien dat in het Sagitta-aangiftesysteem op dat moment nog niet mogelijk was. De aangifte is op 30 juni 2011 aanvaard.

2.2.

De verkoper van de buizen is het bedrijf [het bedrijf] , Volksrepubliek China (hierna: China). Dit bedrijf is onderdeel van de [Holding Group] .

2.3.

De hiervoor onder 1.1 genoemde utb is opgelegd naar een antidumpingrecht van 71,5%.”

2.2.

Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden zal ook het Hof daarvan uitgaan.

2.3.

In aanvulling op de door de rechtbank genoemde feiten stelt het Hof de volgende feiten vast.

2.3.1.

Tot de gedingstukken behoort een “Kennisgeving toezending uitnodiging tot betaling” van de inspecteur, met dagtekening 9 januari 2013, waarin de inspecteur zijn voornemen kenbaar maakt om de bestreden UTB uit te reiken en belanghebbende in de gelegenheid stelt om haar zienswijze kenbaar te maken. In deze brief is onder meer het volgende vermeld:

“Ik heb het voornemen ingevolge artikel 201, 220, juncto artikel 221 lid 1 van de Verordening (EEG) nummer 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het Communautair Douanewetboek, [belanghebbende] een uitnodiging tot betaling voor het hieronder genoemde bedrag aan rechten toe te zenden:

A30 Definitieve antidumpingrechten € 76.054,38

Reden:

Op 30 juni 2011 heeft [A B.V.] , namens [belanghebbende], een aangifte voor het vrije verkeer gedaan, met het aangiftenummer [1] . [A B.V.] trad op als direct vertegenwoordiger en [belanghebbende] staat in de aangifte als aangever vermeld.

(…)

Bij de aangegeven goederencode ontbreekt de verplichte aanvullende code B999. Voor goederen, welke ingedeeld dienen te worden met de aanvullende code B999, was op de aanvaardingsdatum van de aangifte 71,9% antidumpingrecht verschuldigd.

De aangifte voor het vrije verkeer heeft betrekking op de transactie met [het bedrijf] en factuurnummer MP20101102b. Dit heeft tot gevolg dat ik u een uitnodiging tot betaling van € 76.054,38 (71,9% over de aangegeven douanewaarde van € 105.778,00) zal doen toekomen, omdat op grond van artikel 201, lid 3, CDW, de aangever schuldenaar is.

(…)”

2.3.2.

Bij brief van 16 januari 2013 heeft de gemachtigde van belanghebbende gereageerd op de onder 2.3.1 aangehaalde kennisgeving. Zij schrijft in haar reactie onder meer:

Verordening (EU) Nr. 627/2011

Bij verordening (EU) Nr. 627/2011 van de Commissie van 27 juni 2011 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op bepaalde naadloze buizen en pijpen van roestvrij staal, van oorsprong uit de Volksrepubliek China werd met ingang van 30 juni 2011 (namelijk een dag na de bekendmaking in het Publicatieblad op 29 juni 2011) een voorlopig antidumpingrecht ingesteld op bepaalde naadloze buizen van roestvrij staal uit China. Onder het toepassingsbereik valt onder meer GN-code 7304 4993.

(…) Op drie met name genoemde bedrijven na, was op alle andere ondernemingen een percentage van 71,5% van toepassing (aanvullende Taric-code B999).

(…)

Juiste percentage

(…)

Voor zover u niettemin van mening mocht zijn dat het voorlopig recht wel nagevorderd kan worden en dat [het bedrijf] behoort tot de categorie “alle andere ondernemingen” moet in ieder geval niet een percentage van 71,9% worden toegepast, maar een percentage van 71,5%. Het betreft hier in ieder geval geen definitief antidumpingrecht, maar hoogstens (de definitieve inning van) een voorlopig recht. In artikel 10, lid 3 is bepaald dat als het definitieve recht hoger is dan het voorlopige recht, het verschil niet wordt geïnd.

(…)”

2.3.3.

Bij brief van 25 januari 2013 heeft de inspecteur gereageerd op de onder 2.3.2 aangehaalde zienswijze van belanghebbende en een gewijzigde kennisgeving gestuurd. De tekst van deze kennisgeving is gelijk aan de onder 2.3.1 aangehaalde tekst, aangevuld met de volgende tekst:

“Ik stelde u in de gelegenheid vóór 26 januari 2013 op mijn kennisgeving van 9 januari 2013 te reageren en ontving namens u een reactie van Kneppelhout & Korthals N.V. op 17 januari 2013. Uw reactie vat ik als volgt samen:

  1. Antidumpingrechten kunnen niet worden nagevorderd.

  2. De kennisgeving gaat uit van een verkeerd percentage.

  3. (…)

Hierna geef ik mijn reactie op uw zienswijze:

1. Op 30 juni 2011 is een voorlopig antidumpingrecht ingesteld voor de door u aangegeven goederencode. Naar aanleiding van uw aangifte werd geen zekerheid gesteld zoals bedoeld in lid 4 van artikel 1 van Verordening (EU) nr 627/2011. Omdat geen zekerheid werd gesteld is ook geen zekerheid geïnd op grond van artikel 2 van Verordening (EU) nr 1331/2011 (tot instelling van definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopig recht). Door Verordening (EU) nr 1331/2011 is dus vanaf 30 juni 2011 antidumpingrecht verschuldigd.

(…)

2. Ik deel uw mening dat mijn kennisgeving ten onrechte uitgaat van 71,9% omdat dit definitief antidumpingrecht betreft dat per 21 december 2011 verschuldigd is. Deze situatie betreft definitieve inning van 71,5% aan voorlopig antidumpingrecht. Voor de aangegeven douanewaarde bedraagt derhalve het antidumpingrecht € 75.631,27.

(…)”

2.3.4.

De bestreden UTB vermeldt:

Berekening van het te betalen bedrag:

Definitieve antidumpingrechten € 75 631,27

Te betalen € 75 631,27

Aanvaardingdatum: 30-06-2011

Dossiernummer: 12/379/12939/142

Referentienummer: [het bedrijf] ”

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

In hoger beroep is primair in geschil of van belanghebbende een belastingmiddel is geheven dat zij wettelijk verschuldigd is.

3.2.

Subsidiair is tussen partijen in geschil of navordering van voorlopige antidumpingrechten mogelijk is indien op het moment van invoer geen zekerheid is gesteld voor deze rechten.

3.3.

Meer subsidiair is in geschil of een onjuiste aanduiding van het verschuldigde belastingmiddel op de UTB dient te leiden tot vernietiging van de UTB.

3.4.

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken. Voor hetgeen partijen ter zitting hebben aangevoerd wordt verwezen naar het proces-verbaal van de zitting.

4 Wettelijk kader

4.1.

In Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (hierna: de Basisverordening) is onder meer het volgende bepaald:

Artikel 7

Voorlopige maatregelen

1. Voorlopige rechten kunnen worden ingesteld indien een procedure is ingeleid overeenkomstig artikel 5, hiervan bericht is gegeven en belanghebbenden overeenkomstig artikel 5, lid 10, voldoende gelegenheid hebben gehad, inlichtingen te verstrekken en opmerkingen te maken, er voorlopig is vastgesteld dat dumping plaatsvindt en daaruit schade voor een bedrijfstak van de Gemeenschap voortvloeit, en het belang van de Gemeenschap maatregelen ter voorkoming van dergelijke schade noodzakelijk maakt. Voorlopige rechten worden niet eerder dan 60 dagen en niet later dan negen maanden na de inleiding van de procedure ingesteld.

(…)

3. De voorlopige rechten worden door een zekerheid gewaarborgd waarbij het in het vrije verkeer brengen in de Gemeenschap van de betrokken producten afhankelijk is van de bepalingen van een dergelijke zekerheid.

(…)

Artikel 9

Beëindiging zonder maatregelen; instelling van definitieve rechten

(…)

4. Wanneer uit de definitief vastgestelde feiten blijkt dat er dumping plaatsvindt en daardoor schade wordt veroorzaakt, en het in het belang van de Gemeenschap is om maatregelen in de zin van artikel 21 te nemen, stelt de Raad, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het raadgevend comité, een definitief antidumpingrecht in. Het voorstel wordt goedgekeurd tenzij de Raad met een gewone meerderheid van stemmen besluit het voorstel te verwerpen, wat binnen één maand na indiening door de Commissie moet gebeuren. Wanneer voorlopige rechten van toepassing zijn, wordt ten minste één maand voor het vervallen van deze rechten een voorstel voor definitieve maatregelen ingediend. Het antidumpingrecht mag niet hoger zijn dan de vastgestelde dumpingmarge en moet lager zijn dan deze marge als dat toereikend is om een einde te maken aan de schade voor de bedrijfstak van de Gemeenschap.

(…)

Artikel 10

Terugwerkende kracht

1. Voorlopige maatregelen en definitieve antidumpingrechten worden uitsluitend toegepast op producten die na de inwerkingtreding van het respectievelijk krachtens artikel 7, lid 1, en artikel 9, lid 4, genomen besluit in het vrije verkeer worden gebracht, behoudens de bij deze verordening vastgestelde uitzonderingen.

2. Wanneer een voorlopig recht is toegepast en uit de definitief vastgestelde feiten blijkt dat er sprake is van dumping en schade, beslist de Raad, ongeacht of een definitief antidumpingrecht dient te worden ingesteld, welk deel van het voorlopige recht definitief dient te worden geïnd. Onder „schade” wordt voor dit doel niet verstaan een aanmerkelijke vertraging van de vestiging van een bedrijfstak van de Gemeenschap, noch de dreiging van aanmerkelijke schade, tenzij wordt vastgesteld dat die dreiging bij gebreke van voorlopige maatregelen, tot aanmerkelijke schade zou hebben geleid. In alle andere gevallen waarin een dergelijke dreiging of vertraging zich voordoet, worden alle voorlopig betaalde bedragen vrijgegeven en kunnen definitieve rechten uitsluitend worden ingesteld vanaf de datum waarop de dreiging van schade of de aanmerkelijke vertraging definitief wordt vastgesteld.

3. Is het definitieve antidumpingrecht hoger dan het voorlopige recht, dan wordt het verschil niet geïnd. Is het definitieve recht lager dan het voorlopig recht, dan wordt het recht opnieuw berekend. Is de definitieve vaststelling negatief, dan wordt het voorlopige recht niet bevestigd. (..)

Artikel 14

Algemene bepalingen

1. Voorlopige of definitieve antidumpingrechten worden bij verordening ingesteld en door de lidstaten geïnd in de vorm, voor het bedrag en met inachtneming van de criteria die in die verordening zijn vermeld. Deze rechten worden geïnd onafhankelijk van de douanerechten, belastingen en andere heffingen die normaal bij invoer van toepassing zijn. (...)”

4.2.

In Verordening (EU) nr. 627/2011 van de Commissie van 27 juni 2011 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op bepaalde naadloze buizen en pijpen van roestvrij staal, van oorsprong uit de Volksrepubliek China (hierna: Verordening 627/2011), die op 30 juni 2011 in werking is getreden, is het volgende artikel opgenomen:

Artikel 1

1. Er wordt een voorlopig antidumpingrecht ingesteld op bepaalde naadloze buizen en pijpen van roestvrij staal, andere dan die welke voorzien zijn van hulpstukken (fittings), voor gassen of vloeistoffen, bestemd voor burgerluchtvaartuigen, momenteel ingedeeld onder de GN-codes 7304 11 00, 7304 22 00, 7304 24 00, ex 7304 41 00, 7304 49 10, ex 7304 49 93, ex 7304 49 95, ex 7304 49 99 en ex 7304 90 00 (TARIC-codes 7304410090, 7304499390, 7304499590, 7304499990 en 7304900091), en van oorsprong uit de Volksrepubliek China.

2. De voorlopige antidumpingrechten, die van toepassing zijn op de nettoprijs, franco grens Unie, vóór inklaring, van de in lid 1 omschreven producten, vervaardigd door onderstaande ondernemingen, zijn als volgt:

Onderneming/ondernemingen

Voorlopig recht

Aanvullende TARIC-code

(…)

(…)

(…)

Alle andere ondernemingen

71,5 %

B999

3. (…)

4. Bij het in het vrije verkeer brengen in de Unie van het in lid 1 genoemde product moet een zekerheid worden gesteld ten bedrage van het voorlopige recht.

5. Tenzij anders vermeld, zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing.”

4.3.

In Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1331/2011 van de Raad van 14 december 2011 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopig recht op bepaalde naadloze buizen en pijpen van roestvrij staal, van oorsprong uit de Volksrepubliek China (hierna: Verordening 1331/2011), die op 21 december 2011 in werking is getreden zijn, voor zover relevant, de volgende artikelen opgenomen:

Artikel 1

1. Er wordt een definitief antidumpingrecht ingesteld op naadloze buizen en pijpen van roestvrij staal (met uitzondering van die welke voorzien zijn van hulpstukken (fittings), voor gassen of vloeistoffen, bestemd voor burgerluchtvaartuigen), momenteel ingedeeld onder de GN-codes 7304 11 00, 7304 22 00, 7304 24 00, ex 7304 41 00, 7304 49 10, ex 7304 49 93, ex 7304 49 95, ex 7304 49 99 en ex 7304 90 00 (Taric-codes 7304410090, 7304499390, 7304499590, 7304499990 en 7304900091), van oorsprong uit de Volksrepubliek China (VRC).

2. De definitieve antidumpingrechten, die van toepassing zijn op de nettoprijs, franco grens Unie, vóór inklaring, van de in lid 1 omschreven producten, vervaardigd door onderstaande ondernemingen, zijn als volgt:

Onderneming/ondernemingen

Definitief antidumpingrecht

Aanvullende Taric-code

(…)

(…)

(…)

Alle andere ondernemingen

71,9 %

B999

3. (…)

4. Tenzij anders vermeld, zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing.

Artikel 2

De bedragen die als zekerheid zijn gesteld voor de voorlopige antidumpingrechten die op grond van Verordening (EU) nr. 627/2011 van de Commissie zijn ingesteld op naadloze buizen en pijpen van roestvrij staal (met uitzondering van die welke voorzien zijn van hulpstukken (fittings), voor gassen of vloeistoffen, bestemd voor burgerluchtvaartuigen), momenteel ingedeeld onder de GN-codes 7304 11 00, 7304 22 00, 7304 24 00, ex 7304 41 00, 7304 49 10, ex 7304 49 93, ex 7304 49 95, ex 7304 49 99 en ex 7304 90 00 en van oorsprong uit de VRC, worden definitief geïnd. (..).”

5 Beoordeling van het geschil

5.1.

Belanghebbende heeft zich primair op het standpunt gesteld dat van haar definitieve antidumpingrechten zijn nagevorderd, terwijl zij geen definitieve antidumpingrechten verschuldigd is. Naar ’s Hofs oordeel vindt deze stelling geen steun in de stukken van het geding. Blijkens zijn brief van 9 januari 2013 was de inspecteur weliswaar voornemens definitieve antidumpingrechten (71,9%) na te vorderen voor een bedrag van € 76.054,38 (zie 2.3.1), maar nadat de gemachtigde er op heeft gewezen dat hoogstens sprake kan zijn van de definitieve inning van het voorlopige recht van 71,5% (zie 2.3.2) heeft de inspecteur zijn voornemen bijgesteld en belanghebbende bericht dat hij zal overgaan tot definitieve inning van het voorlopige recht van 71,5%, tot een bedrag van € 75.631,27 (zie 2.3.3). Het in de bestreden UTB vermelde bedrag stemt overeen met het voorlopige recht en niet met het definitieve recht. De primaire stelling van belanghebbende faalt derhalve.

5.2.

De inspecteur heeft de door hem definitief geïnde voorlopige antidumpingrechten in de UTB aangeduid als “definitieve antidumpingrechten” en heeft in bezwaar, beroep en hoger beroep er in volhard dat deze aanduiding rechtens juist is. Het Hof volgt de inspecteur hierin niet. Definitieve inning van voorlopige antidumpingrechten vindt weliswaar plaats krachtens dezelfde verordening als die waarin de definitieve antidumpingrechten worden ingesteld, in casu Verordening 1331/2011 (zie 4.3), doch zoals reeds blijkt uit de bewoordingen van deze verordening staat de instelling van de definitieve antidumpingrechten (artikel 1) los van de beslissing van de Raad om al dan niet – en zo ja, tot welk bedrag – over te gaan tot definitieve inning van de door de Commissie ingestelde voorlopige antidumpingrechten. Ook uit artikel 10, eerste lid, van de Basisverordening (zie 4.1) volgt uitdrukkelijk dat voorlopige en definitieve antidumpingrechten van elkaar dienen te worden onderscheiden.

5.3.

Anders dan belanghebbende heeft betoogd dient de onjuiste aanduiding van een belastingmiddel op een UTB niet zonder meer te leiden tot vernietiging van die UTB (vgl. bijvoorbeeld Hoge Raad 1 november 2002, nr. 37388, ECLI:NL:HR:2002:AE9616). In casu bestaat hiertoe te minder aanleiding, nu tussen partijen reeds vóór het uitreiken van de UTB was afgestemd dat – zo navordering mogelijk was – het voorlopige antidumpingrecht diende te worden nagevorderd. Het Hof verwijst te dezen naar de onder 5.1 genoemde correspondentie tussen inspecteur en belanghebbende.

5.4.

Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat navordering van voorlopige antidumpingrechten niet mogelijk is, omdat voorlopige antidumpingrechten alleen in de vorm van een gestelde zekerheid kunnen worden geïnd en in het onderwerpelijke geval op het moment van invoer geen zekerheidstelling heeft plaatsgevonden. Deze stelling dient te worden verworpen, omdat zij geen steun vindt in het recht. Uit artikel 217, eerste lid, tweede alinea, onder a, van het CDW gelezen in samenhang met artikel 218, tweede lid, tweede alinea, van het CDW volgt dat een douaneschuld die betrekking heeft op een voorlopig antidumpingrecht niet dient te worden geboekt op het moment dat deze schuld ontstaat (in casu 30 juni 2011), maar binnen twee maanden na het tijdstip waarop de verordening tot instelling van een definitief antidumpingrecht in het Publicatieblad is bekendgemaakt (in casu 20 december 2011). Dit betekent dat de inspecteur de onderwerpelijke douaneschuld uiterlijk op 20 februari 2012 had moeten boeken. Nu de douaneschuld niet binnen genoemde termijn is geboekt was de inspecteur op grond van artikel 220, eerste lid, van het CDW gehouden om over te gaan tot boeking achteraf. In deze wettelijke systematiek komt geen betekenis toe aan de omstandigheid dat op het moment van het ontstaan van de douaneschuld geen zekerheid is gesteld.

Slotsom

5.5.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

6 Kosten

Het Hof ziet in de onjuiste middelaanduiding, welke door de inspecteur tot en met de zitting in hoger beroep is verdedigd, aanleiding om belanghebbende een vergoeding toe te kennen voor haar proceskosten in beroep en hoger beroep op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn opgenomen in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit).

Voor het onderhavige geval zijn dat de in onderdeel a vermelde kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit stelt het Hof het bedrag van deze kosten overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief op: 4 [beroepschrift, zitting rechtbank, hoger beroepschrift, zitting Hof] x € 496 x 1,5 = € 2.976.

7 Beslissing

Het Hof:

- bevestigt de uitspraak van de rechtbank;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van

€ 2.976.

De uitspraak is gedaan door mrs. B.A. van Brummelen, voorzitter, A. Bijlsma en E. Polak, leden van de douanekamer, in tegenwoordigheid van mr. N.A.J. den Ouden als griffier. De beslissing is op 7 januari 2016 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.