Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:70

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-01-2016
Datum publicatie
20-01-2016
Zaaknummer
07/00005 en 08/00455 t/m 08/00467
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2006:776, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Douane. Het Hof oordeelt dat geen sprake is van schending van het beginsel van de eerbiediging van de rechten van verdediging. De Leidraad Invordering 1990 bood in casu een voldoende adequate waarborg voor opschorting van de uitvoering van de UTB’s. Met het oordeel van het Gerecht dat belanghebbende, ter zake van de voor de bestreden UTB’s ingediende verzoeken om kwijtschelding, ‘klaarblijkelijke nalatigheid’ in de zin van artikel 239 CDW kan worden verweten, staat in rechte vast dat belanghebbende een vergissing van de minister, als bedoeld in artikel 220, lid 2, onder b, CDW (zo daar sprake van zou zijn), redelijkerwijze kon ontdekken. De minister is niet gehouden om af te zien van navordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2016-0238
DouaneUpdate 2016-0082
NTFR 2016/768
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerken 07/00005 en 08/00455 tot en met 08/00467

7 januari 2016

uitspraak van de meervoudige douanekamer

op de hoger beroepen van

[X B.V.] te [Z] , belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaken met kenmerken AWB 05/4908 tot en met 05/4914 en 06/4142 tot en met 06/4148 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de minister van Economische Zaken,

de minister.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.1.

De minister heeft aan belanghebbende uitnodigingen tot betaling (hierna: UTB’s) uitgereikt voor een bedrag van € 1.696.303,17 aan antidumpingrechten:

dagtekening UTB kenmerk bedrag

13 februari 2002 0427 € 408.122,41 (Hof: 07/00005)

13 februari 2002 0426 € 273.232,14 (Hof: 08/00455)

2 mei 2002 0413 € 560.593,36 (Hof: 08/00456)

2 mei 2002 0411 € 17.152,57 (Hof: 08/00457)

2 mei 2002 0412 € 117.778,60 (Hof: 08/00458)

2 mei 2002 0410 € 116.231,80 (Hof: 08/00459)

2 juli 2002 0424 € 203.192,29 (Hof: 08/00460)

1.1.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de minister bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar, gedagtekend 16 augustus 2005, de bezwaren afgewezen en de UTB’s gehandhaafd.

1.2.1.

Belanghebbende heeft een verzoek om terugbetaling ingediend op de voet van artikel 236 van het Communautair douanewetboek (verder: CDW) voor de antidumpingrechten die zijn nagevorderd met de UTB’s genoemd onder 1.1.1. Dit verzoek is bij gecombineerde beschikking met zeven kenmerken, gedagtekend 16 augustus 2005, afgewezen:

kenmerk kenmerk bedrag

beschikking UTB

2869 0426 € 273.232,14 (Hof: 08/00461)

2873 0427 € 408.122,41 (Hof: 08/00462)

2870 0410 € 116.231,80 (Hof: 08/00463)

2871 0411 € 17.152,57 (Hof: 08/00464)

2875 0412 € 117.778,60 (Hof: 08/00465)

2874 0413 € 560.593,36 (Hof: 08/00466)

2868 0424 € 203.192,29 (Hof: 08/00467)

1.2.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de minister bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar, gedagtekend 22 februari 2006, de bezwaren afgewezen.

1.3.

Bij uitspraak van 4 december 2006 heeft de rechtbank de door belanghebbende ingestelde beroepen tegen de onder 1.1.2 en 1.2.2 bedoelde uitspraken op bezwaar ongegrond verklaard.

1.4.

De tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroepen zijn bij het Hof ingekomen op 11 januari 2007, aangevuld bij brief van 5 april 2007. De minister heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het eerste onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 april 2008. Het onderzoek heeft gelijktijdig plaatsgevonden met het onderzoek in de zaak met kenmerk 07/00006, betreffende een afwijzende beschikking van de minister op een verzoek om terugbetaling op de voet van artikel 239 van het CDW. Het Hof heeft bij uitspraak van 18 december 2008 het hoger beroep van belanghebbende in zaak 07/00006 gegrond verklaard en de minister opgedragen het dossier aan de Europese Commissie voor te leggen op de voet van artikel 905 van de UCDW. Het Hof heeft vervolgens het hoger beroep met zaaknummer 07/0005 gesplitst in de zaaknummers 07/0005 en 08/00455 tot en met 08/00467 en deze zaken aangehouden, in afwachting van de uitkomsten van de procedure bij de Europese Commissie en de daarop volgende procedure bij het Gerecht van de Europese Unie (hierna: het Gerecht).

1.6.

Het Hof heeft op 26 september 2011 van belanghebbende een kopie ontvangen van het Besluit van de Europese Commissie van 27 juli 2011, C(2011) 5208 in zaak REM 01/2010, waarin de Commissie het volgende heeft besloten: ‘De kwijtschelding van de rechten bij invoer ten belope van 1 696 303,17 euro, waarop het verzoek van het Koninkrijk der Nederlanden van 18 februari 2010 betrekking heeft, is niet gerechtvaardigd.” De minister heeft bij beschikking van 12 september 2011 het op de voet van artikel 239 CDW ingediende verzoek om terugbetaling van belanghebbende afgewezen, onder verwijzing naar voormelde beslissing van de Europese Commissie.

1.7.

Belanghebbende heeft het Hof bij brief van 15 november 2011 laten weten dat tegen het onder 1.6 genoemde besluit van de Europese Commissie beroep is ingesteld bij het Gerecht. Het Hof heeft daarop besloten de onderwerpelijke zaken aan te houden, in afwachting van de uitkomst van het door belanghebbende ingestelde beroep.

1.8.

Het Hof heeft partijen bij brief van 10 juni 2014 uitgenodigd voor een nader (regie)onderzoek ter zitting. De minister en belanghebbende hebben nadere stukken ingediend, door het Hof op respectievelijk 21 augustus en 26 augustus 2014 per faxbericht ontvangen. Het nader onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2014. Ter zitting heeft het Hof partijen meegedeeld dat de zaak zal worden aangehouden in afwachting van het onherroepelijke rechterlijke oordeel over het onder 1.6 genoemde besluit van de Europese Commissie. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan partijen is gezonden.

1.9.

Bij arrest van 16 april 2015 heeft het Gerecht het beroep van belanghebbende verworpen (zaak T‑576/11, [X B.V.] /Europese Commissie). Bij brief van 10 september 2015 heeft belanghebbende het Hof meegedeeld dat geen hogere voorziening wordt ingesteld tegen het hiervoor genoemde arrest. Het nader onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 november 2015. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft in de onderdelen 2.1 tot en met 2.10 van haar uitspraak de volgende feiten vastgesteld. Belanghebbende wordt daarin aangeduid als ‘eiseres’ en de minister als ‘verweerder’:

“2.1. Eiseres heeft in haar hoedanigheid van douane-expediteur in de periode 13 november 1997 tot en met 19 juli 2001 aangiften gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van het product glyfosaat, waarbij als land van oorsprong Taiwan is aangegeven. De importeur van de goederen is [A] - Portugal - (hierna: [de importeur] ). Eiseres deed de aangiften in opdracht van een in Portugal gevestigde met haar verbonden onderneming, die op haar beurt in opdracht van [de importeur] handelde. De onder 1.1 vermelde UTB's hebben betrekking op 52 aangiften ten invoer die zijn gedaan van 19 februari 1999 tot en met 19 juli 2001. [de importeur] heeft ten behoeve van de aangiften certificaten van oorsprong verstrekt die zijn afgegeven door de Taiwanese Kamers van Koophandel en welke bij de aangiften zijn gevoegd.

2.2.

Het glyfosaat werd volgens facturen die bij voormelde aangiften waren gevoegd betrokken van de volgende vijf bedrijven: [bedrijf 1] ., [bedrijf 2] , [bedrijf 3] , [bedrijf 4] en [bedrijf 5] , welke bedrijven alle gevestigd zijn in Taipei (Taiwan). Voormelde bedrijven produceren zelf geen glyfosaat; het enige in Taiwan gevestigde bedrijf dat glyfosaat produceert is [bedrijf 6] .

2.3.

Alle in de UTB’s betrokken goederen zijn van oorsprong uit de Volksrepubliek China (China) en zijn ingedeeld onder post 2931 00 95 van het GDT.

2.4.

[Y B.V.] heeft op 16 en 17 juli 1997 in opdracht van [de importeur] aangiften ten invoer gedaan van glyfosaat uit China. Bij deze aangiften is als aangever vermeld: " [Y B.V.] H/O [Y] forwarding [X] International (Nederland)".

2.5.

Op 4 september 1997 is bij Verordening (EG) nr. 1731/97 van de Commissie een voorlopig antidumpingrecht ingesteld voor glyfosaat van oorsprong uit China. Vervolgens is op 16 februari 1998 bij verordening van de Raad een definitief antidumpingrecht ingesteld voor glyfosaat ingedeeld onder de GN-codes 2931 00 95 en 3808 30 27 uit China Vo. 368/98). Vanaf 26 mei 2000 is het antidumpingrecht verhoogd (Vo. 1068/00).

2.6.

Op 23 oktober 1997 en op 7 november 1997 zijn door [Y B.V.] in totaal drie aangiften ten invoer gedaan in opdracht van [de importeur] van glyfosaat uit Singapore.

2.7.

Op 14 december 1999 heeft de Europese Commissie een verzoek tot samenwerking (een zogenoemde AM-melding met referentie AM 99/053) aan onder meer de Nederlandse en de Portugese douaneautoriteiten gezonden, waarin - voor zover van belang - is opgenomen:

"6.3. SUSPECTED FRAUD MECHANISM :

case a- Belgium

Goods under 3808 3027 10 (glyphosate 360 G/L), declared on import in 1998 and 1999, of Taiwan origin, with certificate of origin Taiwan;

Belgian customs could establish, for several operations, that goods were delivered, in fact, in the same containers dispatched from Shanghai - China to Kaohsiung - Taiwan (...) and forwarded from Kaohsiung - Taiwan to Antwerp - Belgium (...)

(...)

7. COMPANIES INVOLVED

(...)

7.2.

WITHIN THE EC :

IMPORTERS / CONSIGNEES: declared:

(...)

- [de importeur] Portugal

(...)

13. ACTION UNDERTAKEN / ENVISAGED / PROPOSED :

13.1.

BY THE MEMEBER STATE :

OLAF asks the Member states to pay attention to litigious product imports, and to look for possible false description of goods and origin, by physical control of import checks and by controls in the companies concerned.

OLAF asks the Member States to submit copies of the commercial documents, transport documents and certificates of origin referring to the imports of declared glyphosate of Malaysia, Singapore, Thailand and Taiwan origin (1998-1999)

(...)"

2.8.

Op 8 mei 2001 heeft de Europese Commissie bij Verordening (EG) nr. 909/2001 besloten tot opening van een onderzoek naar de mogelijke ontduiking van de vastgestelde antidumpingmaatregelen ten aanzien van glyfosaat uit China door verzending van dit glyfosaat vanuit Maleisië of Taiwan.

2.9.

Op 30 juli 2001 is door verweerder een controle na invoer gestart bij eiseres. Bij deze controle is onder meer vastgesteld dat zich bij een drietal aangiften facturen en paklijsten bevonden die zijn opgemaakt door Chinese firma's. Deze aangiften zijn op 22 augustus 2000 gedaan. Tevens werden met betrekking tot een drietal andere aangiften facturen aangetroffen voor extra vrachtkosten. Op deze facturen is vermeld dat de containers zijn vertrokken uit Shanghai (China). De betreffende aangiften zijn op respectievelijk 8 mei, 26 juni en 24 augustus 2000 gedaan. Voor twee van bedoelde aangiften geldt dat de vrachtkostenfacturen van een latere datum zijn dan de dag van aangifte. Twee facturen, behorende bij de aangifte van 8 mei 2000, hebben als dagtekening 14 februari 2000 en 4 mei 2000.

Na onderzoek van de containerhistorie is bevonden dat in de meeste gevallen de containers zijn geladen in China en via Taiwan naar Rotterdam zijn verscheept.

2.10.

Het OLAF (Office Européen de Lutte Anti-Fraude) heeft EU-missies gezonden naar Portugal en Taiwan.

In het missierapport van OLAF van 2 juni 2003 (CMS nr. IU/1998/8128) betreffende het bezoek aan Taiwan is onder meer het volgende opgenomen:

A - Taiwan Chamber of Commerce

(...)

To obtain a certificate of origin to September 2001, it was sufficient to provide a bill of lading, for example from Kaohsiung/Netherlands, commercial documents, an application form, and a declaration as to the accuracy of the information contained in the application. Other than the information provided by the applicant, the Chamber of Commerce had no independent means of confirming the origin of the products or the accuracy of the information.

(...)

C - [bedrijf 2] :

The Community mission met the Manager of this company, Mr. CHEN, in order that he could explain the role of [bedrijf 2] in 'triangle trade'.

Mr. CHEN states that he trades with the Chinese company […] Company of Shanghai (...) The […] Company asked him to deal with the supply of the commercial documents in the name of the [bedrijf 2] company, for obtaining the bill of lading between Taiwan and the Netherlands, as well as the certificate of Taiwanese origin

Mr. CHEN provided us with certain documents proving the origin in mainland China of the Glyphosate in support of his statements (...)

Moreover, the [bedrijf 2] Company never had actual commercial links with the [de importeur] company in Portugal, although the name was listed on the documents that the ( [bedrijf 5] ) company provided."

[Rb: voetnoot 3 op pagina 13] By 'triangle trade' the commercial enterprises mean the shipment of (principally) mainland origin products through the port of Kaohsiung, transhipment in order to disguise the true origin or the real supplier of the products.”

2.2.

Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden zal ook het Hof daarvan uitgaan, en stelt in aanvulling daarop het volgende vast.

2.3.

Voor de betaling van de bedragen vermeld op de onder 1.1.1 genoemde UTB’s is uitstel van betaling verleend, in afwachting van de uitkomsten van de bezwaar-, beroep- en hoger beroepsprocedure.

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

Tussen partijen is in geschil of het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging is geschonden en, zo ja, of deze schending dient te leiden tot vernietiging van de bestreden UTB’s.

3.2.

Voorts houdt partijen verdeeld of de minister op grond van artikel 220, lid 2, aanhef en onder b, van het CDW gehouden is om af te zien van navordering.

3.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat de ingevoerde goederen van Chinese oorsprong zijn en dat de nagevorderde bedragen juist zijn berekend.

3.4.

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken. Voor hetgeen partijen ter zitting hebben aangevoerd wordt verwezen naar het proces-verbaal van de zitting.

4 Beoordeling van het geschil

Beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging

4.1.

Het Hof stelt voorop dat een eventuele schending van het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging niet afdoet aan de wettelijke verschuldigdheid van de desbetreffende rechten in de zin van artikel 236 CDW, zodat een dergelijke schending op zichzelf geen aanleiding kan geven tot een terugbetaling op de voet van artikel 236 van het CDW. Het Hof verwijst ter zake naar de overwegingen 21 tot en met 26 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) van 20 oktober 2005, C-247/04, Transport Maatschappij Traffic BV, ECLI:EU:C:2005:628. Het beroep op schending van genoemd beginsel dient daarom in de zaken 08/00461 tot en met 08/00467 reeds te worden verworpen wegens gebrek aan belang. In de zaken 07/00005 en 08/00455 tot en met 08/00460 overweegt het Hof als volgt.

4.2.

Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of sprake is geweest van een toereikende vooraankondiging van de bestreden UTB’s. De minister heeft ter zake gewezen op het eindgesprek dat op 11 februari 2002 met belanghebbende is gevoerd. Belanghebbende heeft gesteld dat de eerste twee UTB’s reeds op 13 februari 2002 zijn uitgereikt, zodat de reactietermijn voor belanghebbende niet toereikend is geweest. Ook heeft zij er op gewezen dat het eindgesprek geen betrekking had op de aangiften welke zijn begrepen in de overige UTB’s, omdat ten aanzien van die aangiften het onderzoek nog niet was afgerond.

4.3.

Naar ’s Hofs oordeel kan in het midden blijven of en in hoeverre voormeld eindgesprek als toereikende vooraankondiging heeft te gelden, nu het HvJ EU in zijn arrest van 3 juli 2014 in de zaken C-129/13 en C-130/13, Kamino International Logistics BV en Datema Hellmann Worldwide Logistics BV, ECLI:EU:C:2014:2041, het volgende voor recht heeft verklaard:

“2. Het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging en in het bijzonder het recht van eenieder om te worden gehoord voordat jegens hem een voor hem nadelige individuele maatregel wordt genomen, moeten aldus worden uitgelegd dat wanneer de adressaat van een in een procedure tot navordering van invoerrechten op grond van verordening nr. 2913/92, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2700/2000, vastgestelde uitnodiging tot betaling niet voorafgaand aan de vaststelling van dat besluit is gehoord door de administratie, zijn rechten van de verdediging worden geschonden, ook al kan hij zijn standpunt kenbaar maken tijdens een latere administratieve bezwaarfase, indien de nationale regeling de adressaten van die uitnodigingen niet toestaat, wanneer zij niet vooraf worden gehoord, de opschorting van de uitvoering van die uitnodigingen tot de eventuele herziening ervan te verkrijgen. Dat is in ieder geval zo indien de nationale administratieve procedure tot uitvoering van artikel 244, tweede alinea, van verordening nr. 2913/92, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2700/2000, die opschorting beperkt wanneer er redenen zijn om aan de overeenstemming van de aangevochten beschikking met de douanewetgeving te twijfelen of indien de belanghebbende onherstelbare schade dreigt te lijden.”

De aan dit oordeel ten grondslag liggende overwegingen luiden, voor zover hier van belang:

“71 In de hoofdgedingen wordt de uitvoering van de uitnodigingen tot betaling in geval van bezwaar opgeschort op grond van een ministeriële circulaire. Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan of die circulaire van dien aard is dat de adressaten van uitnodigingen tot betaling wanneer zij niet vooraf worden gehoord, de opschorting van de uitvoering van die uitnodigingen tot de eventuele herziening ervan kunnen verkrijgen, zodat sprake is van een effectief recht op die opschorting van uitvoering.

72 In ieder geval mag de nationale administratieve procedure tot uitvoering van artikel 244, tweede alinea, van het douanewetboek die opschorting niet beperken indien er redenen zijn om aan de overeenstemming van de aangevochten beschikking met de douanewetgeving te twijfelen of indien de belanghebbende onherstelbare schade dreigt te lijden.”

4.4.

In de – ten tijde van het indienen van de bezwaarschriften geldende – Leidraad Invordering 1990, van 25 juni 1990, nr. AFZ 90/1990 (hierna: de Leidraad) is bepaald dat

het verlenen van uitstel van betaling in beginsel geschiedt op schriftelijk verzoek van de belastingplichtige (artikel 25, §1, punt 3, van de Leidraad). Indien de belastingplichtige bezwaar maakt tegen de belastingaanslag, is het niet nodig om een afzonderlijk verzoek om uitstel in te dienen: artikel 25, §2, punt 1a, van de Leidraad bepaalt dat een bezwaarschrift ook als een verzoek om uitstel van betaling wordt aangemerkt, indien in het bezwaarschrift het bestreden bedrag van de belastingaanslag en de berekening van dat bedrag zijn vermeld. De mogelijkheid tot het verkrijgen van uitstel van betaling voor bedragen aan rechten welke zijn vermeld in een uitnodiging tot betaling is in de Leidraad niet aan enige beperking, als bedoeld in de onder 4.2 aangehaalde rechtsoverweging 72, onderworpen. Wel wordt bij het verlenen van uitstel van betaling voor bedragen vermeld in een UTB in beginsel altijd zekerheidstelling verlangd (artikel 25, §1, punt 17, van de Leidraad), doch deze verplichting, zo deze al kan worden aangemerkt als beperking in vorenbedoelde zin, vloeit voort uit artikel 244, derde alinea, van het CDW en niet uit de nationale administratieve procedure ter uitvoering van artikel 244, tweede alinea van het douanewetboek.

4.5.

Gelet op het vorenoverwogene bood de Leidraad voor de onderwerpelijke situaties een voldoende adequate waarborg voor opschorting van de uitvoering van de UTB’s. Naar ’s Hofs oordeel is het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging reeds daarom niet geschonden. Ten overvloede zij daarbij opgemerkt dat belanghebbende ter zitting heeft bevestigd dat voor alle UTB’s ook daadwerkelijk uitstel is verleend.

4.6.

Het Hof komt niet toe aan een beoordeling van de stelling van belanghebbende inzake schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, nu deze stelling, naar belanghebbende ter zitting heeft verklaard, geen zelfstandige grief tegen de bestreden UTB’s vormt, maar enkel dient te worden meegewogen bij de beoordeling of zonder schending van het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging de procedure een andere afloop had kunnen hebben. Nu van een schending van het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging geen sprake is komt het Hof evenwel niet toe aan de beoordeling of zonder schending van dat beginsel het besluitvormingsproces een andere afloop had kunnen hebben.

Artikel 220, tweede lid, onder b, CDW

4.7.

Belanghebbende heeft voor alle bestreden UTB’s een verzoek om kwijtschelding ingediend op de voet van artikel 239 van het CDW, welk verzoek door de minister is voorgelegd aan de Europese Commissie (zie 1.5). Volgens vaste rechtspraak zijn de criteria om te beoordelen of een marktdeelnemer blijk heeft gegeven van ‘klaarblijkelijke nalatigheid’ in de zin van artikel 239, lid 1, tweede gedachtestreepje, van het CDW, dezelfde criteria als die in het kader van artikel 220 van het CDW worden gehanteerd om uit te maken of een vergissing van de douaneautoriteit door een ondernemer ‘redelijkerwijze kan worden ontdekt’ (HvJ EU 11 november 1999, Söhl & Söhlke, C‑48/98, ECLI:EU:C:1999:548, punten 55 en 56, en HvJ EU 13 maart 2003, Nederland/Commissie, C-156/00, ECLI:EU:C:2003:149, punt 92).

4.8.

Wanneer de Europese Commissie, zoals in het onderwerpelijke geval, heeft geoordeeld dat sprake is van ‘klaarblijkelijke nalatigheid’ als bedoeld in artikel 239 van het CDW, dan is deze juridische beoordeling overeenkomstig artikel 288 VWEU bindend voor alle instanties van de lidstaat tot wie deze beschikking is gericht, daaronder begrepen de rechterlijke instanties die datzelfde geval moeten toetsen aan artikel 220 van het CDW (HvJ EU 20 november 2008, Heuschen & Schrouff Oriental Foods Trading BV, C‑375/07, ECLI:EU:C:2008:645, punt 64). Het Hof heeft daarom, conform de punten 66 en 68 van laatstgenoemd arrest, de behandeling van de onderwerpelijke zaken geschorst, in afwachting van het besluit van de Europese Commissie en het oordeel van het Gerecht over dit besluit.

4.9.

Het Gerecht heeft in zijn arrest van 16 april 2015 (zie 1.9), punten 93 tot en met 116, in navolging van de Europese Commissie geoordeeld dat belanghebbende ‘klaarblijkelijke nalatigheid’ kan worden verweten. Belanghebbende heeft afgezien van het instellen van hogere voorziening, zodat dit oordeel in rechte vast staat. Daarmee staat tevens in rechte vast dat belanghebbende een vergissing van de minister als bedoeld in artikel 220, tweede lid, onder b, – zo daar sprake van zou zijn – redelijkerwijze kon ontdekken. Hieruit volgt dat de minister niet gehouden is om af te zien van navordering op grond van artikel 220, tweede lid, onder b, van het CDW, omdat de tweede cumulatieve voorwaarde voor het afzien van navordering niet is vervuld.

Slotsom

4.10.

De slotsom is dat de hoger beroepen ongegrond zijn, zodat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

5 Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. B.A. van Brummelen, voorzitter, A. Bijlsma en E. Polak, leden van de douanekamer, in tegenwoordigheid van mr. N.A.J. den Ouden als griffier. De beslissing is op 7 januari 2016 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.