Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:643

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-02-2016
Datum publicatie
31-05-2016
Zaaknummer
200.167.855/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Testament. Broers en zusters van erflater zijn enige erfgenamen, legaat van vruchtgebruik van de nalatenschap voor dienst weduwe. Uitleg erfstelling. Schenkingen en geldleningen door weduwe aan haar zoon uit eerder huwelijk. Vernietiging van de schenkingen op de voet van art. 3:45 BW ten behoeve van terugvordering van het geleende geld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2016-0128
JERF 2016/8
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.167.855/01

zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/14/150542/ HA ZA 13-344

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 23 februari 2016

inzake

[APPELLANTE] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellante,

advocaat: mr. M. Maasdam te Berkhout,

tegen

[GEÏNTIMEERDE] , in zijn hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van [X] , alsmede als schriftelijk gevolmachtigde van:

1. [Y] ;

2. [Z] ;

3. [A] ;

4. [B] ;

5. [C] , voor zichzelf, alsmede in hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van [D] ,

wonend te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. S.W. Autar-Matawlie te Den Haag.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellante] en [geïntimeerde] genoemd.

[appellante] is bij dagvaarding van 20 februari 2015 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Alkmaar, van 10 december 2014, onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser en [appellante] als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord, met producties.

Vervolgens hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen op de gedingstukken van de beide instanties.

[appellante] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog de vorderingen van [geïntimeerde] zal afwijzen, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties, met nakosten.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen, een en ander met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [appellante] in de kosten van de appelprocedure.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

2.1

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.11 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt van haar beslissing heeft genomen. Met de grieven I en III komt [appellante] op tegen de in rov. 2.3 en 2.10 van dit vonnis vastgestelde feiten. Het hof zal die grieven hierna onder 3 beoordelen. Samengevat en waar nodig aangevuld, zijn de volgende feiten, als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist, komen vast te staan.

2.2

Op 13 oktober 1997 is te Terschelling overleden [E] (hierna: [E] ). Bij zijn overlijden was [E] met uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen gehuwd met [F] (hierna: [F] ). Ten tijde van het aangaan van het huwelijk had [F] een zoon uit een eerdere relatie, [N] (hierna: [N] ).

2.3

Bij testament van 21 november 1972 heeft [E] over zijn nalatenschap beschikt. In het testament is onder meer het volgende bepaald:

“(…) “

Indien ik kom te overlijden tijdens mijn voorgenomen huwelijk met mevrouw [F] ,

a. legateer ik aan mijn aanstaande echtgenote,

1. het recht om uit mijn nalatenschap over te nemen of zich bij scheiding en deling van mijn nalatenschap te doen aanbedelen al mijn roerende en onroerende zaken of zodanige daarvan als zij zal verkiezen, zulks tegen de waarde daarvan vast te stellen op de wijze als de wet voorschrijft voor boedelscheidingen waarbij minderjarigen betrokken zijn;

2. mede ter voldoening aan de tegenover mijn aanstaande echtgenote op mij rustende verzorgingsverplichting, welke verplichting ik bij deze tot het bedrag van de waarde van na te melden vruchtgebruik erken, het vruchtgebruik mijner gehele nalatenschap, zulks levenslang, onder vrijstelling van de verplichting deswege zekerheid te stellen;

b. benoem ik, onder bezwaar van de hiervoor omschreven legaten tot mijn enige erfgenamen hen die mijn erfgenamen volgens de bepalingen der wet zouden zijn geweest, indien ik ongehuwd zou zijn overleden.

(…)”

2.4

Eveneens op 21 november 1972 zijn [E] en [F] , met het oog op hun voorgenomen huwelijk, huwelijkse voorwaarden aangegaan. Deze strekken tot uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen.

2.5

In een op 19 maart 1999 ten overstaan van notaris mr. J.P. Mensink verleden notariële akte met als opschrift “Boedelbeschrijving en afgifte legaat” (hierna: de notariële akte boedelbeschrijving en afgifte legaat) worden als enig erfgenamen van [E] zijn broer en zusters genoemd, te weten: [G] , [H] , [I] , [J] , [K] , [L] en [M] .

2.6

Blijkens de notariële akte boedelbeschrijving en afgifte legaat behoren tot de nalatenschap onder meer een woonhuis met aanhorigheden te Terschelling, vier landbouwpercelen te Terschelling, alsmede diverse roerende zaken en banktegoeden. Het zuiver saldo van de nalatenschap bedroeg volgens dezelfde akte fl. 366.463.32 (€ 166.293,80). Uit de akte blijkt verder dat [F] , in het kader van de afgifte van het door [E] aan haar in het testament achter 1 toegekende keuzelegaat (hierna: het keuzelegaat) de gehele nalatenschap geleverd heeft gekregen tegen schuldigerkenning aan de erfgenamen van de waarde van de nalatenschap, van welke schuld [F] het vruchtgebruik heeft. Volgens de akte was [F] aan ieder van de erfgenamen een bedrag van fl. 52.351,90 (€ 23.756,25) schuldig, waarvan [F] aan elke erfgenaam een bedrag fl. 48.868,90 (€ 22.175,74), zijnde in totaal € 155.230,18, heeft voldaan in de vorm van aan [F] verstrekte geldleningen ten belope van dit bedrag. Aan deze geldleningen zijn blijkens de akte de volgende voorwaarden verbonden:

“1. De vordering is renteloos in verband met het gelegateerde vruchtgebruik.

2. De komparante sub 1, hierna te noemen “schuldenaar” is niet verplicht op de hoofdsom af te lossen, maar is hiertoe te allen tijde zonder voorafgaande waarschuwing bevoegd.

3. Alle betalingen moeten – zulks ter keuze van schuldeiser – worden gedaan aan de woonplaats of op een bankrekening van ieder van de zeven erfgenamen, hierna ieder van hen ook te noemen: “schuldeiser”.

Schuldenaar kan zich niet op verrekening beroepen.

4. De hoofdsom of het eventuele restant daarvan is terstond en zonder opzegging, ingebrekestelling of andere formaliteit opeisbaar in de volgende gevallen:

- wanneer schuldenaar nalatig is in de nakoming van haar uit deze akte voortvloeiende verplichtingen of in strijd handelt met een of meer bepalingen van deze akte;

- wanneer schuldenaar emigreert of overlijdt;

- wanneer schuldenaar het vrije beheer over haar vermogen verliest.”

2.7

[F] heeft vervolgens een door haar in het kader van de afgifte van het keuzelegaat verkregen landbouwperceel verkocht en geleverd. Uit de opbrengst daarvan heeft [F] de successierechten voldaan.

2.8

Op 28 december 1999 en 28 december 2000 heeft [F] schenkingen gedaan aan [N] ten bedrage van fl. 90.800,- ( € 41.203,24) en fl. 92.344,- (€ 41.903,88).

2.9

In 2001 heeft [F] verschillende door haar in het kader van de afgifte van het keuzelegaat verkregen vermogensbestanddelen, te weten: het woonhuis en drie landbouwpercelen, verkocht en geleverd aan [N] . Blijkens de notariële akte van levering van 13 juni 2001 bedroeg de koopprijs fl. 406.400,- (€ 184.416,19) en heeft [N] de koopsom voldaan door overmaking van een bedrag van fl. 50.130,28 (€ 22.748,12) op de derdenrekening van de notaris en fl. 356.269,72 (€ 161.671,07) door “schuldigerkenning wegens geldleen” van dat bedrag. Van dit bedrag heeft [F] , eveneens op 13 juni 2001, fl. 173.125,72 (€ 78.560,70) kwijtgescholden.

2.10

In 2007 heeft [N] twee van de door hem van [F] verkregen landbouwpercelen verkocht en geleverd. De opbrengst daarvan heeft [N] zelf gehouden.

2.11

[N] is op 12 januari 2012 overleden. Zijn echtgenote, [appellante] , is zijn enig erfgenaam. Van de nalatenschap van [N] maken deel uit het woonhuis en het resterend landbouwperceel dat [N] in 2001 van [F] heeft verkregen. [appellante] heeft dit woonhuis en landbouwperceel in 2013 verkocht en geleverd aan derden voor een bedrag van € 550.000,-.

2.12

Op 26 september 2013 heeft [F] een onderhandse akte ondertekend met als opschrift “Cessie-akte”. In deze akte staat onder meer vermeld:

“1. [F] cedeert bij deze aan de heer [geïntimeerde] haar vordering op [appellante] (in haar hoedanigheid van rechtsopvolger onder algemene titel van de heer [N] ), ten bedrage van NLG 342.082,30 ofwel € 155.230,18 ter zake van de door [F] aangegane schuldbekentenis met wijlen de heer S. [N] , welke cessie de heer [geïntimeerde] bij deze aanvaardt, met dien verstande dat de heer [geïntimeerde] reeds mededeling hiervan heeft gedaan aan [appellante] bij brief van 24 september 2013.”

2.13

Op 1 november 2013 heeft [geïntimeerde] conservatoir derdenbeslag doen leggen ten laste van [appellante] .

2.14

Op 3 december 2013 is het vermogen van [F] onder bewind gesteld.

3 Beoordeling

3.1

[geïntimeerde] vordert in dit geding veroordeling van [appellante] tot betaling van een bedrag van € 155.230,18, vermeerderd met rente en kosten.

3.2

Aan deze vordering heeft [geïntimeerde] ten grondslag gelegd dat hij in dit geding optreedt als gevolmachtigde van de erfgenamen van [E] en dat deze erfgenamen van [F] te vorderen hebben een bedrag van € 155.230,18. [geïntimeerde] heeft erop gewezen dat deze vordering door de onderbewindstelling van het vermogen van [F] opeisbaar is geworden, maar dat het vermogen van [F] daarvoor onvoldoende verhaal biedt. Wel had [F] bij diens leven nog een vordering op [N] uit hoofde van de (hiervoor in rov. 2.9 genoemde) “schulderkenning wegens geldleen”. [F] heeft deze vordering op [N] aan de erfgenamen van [E] gecedeerd, zodat [appellante] , als enig erfgenaam van [N] , jegens hen aansprakelijk is voor deze schuld, zo heeft [geïntimeerde] gesteld. Voor zover [appellante] zich op het standpunt heeft gesteld, dat de vordering van [F] op [N] is tenietgegaan door de in 1999, 2000 en 2001 door [F] aan [N] gedane schenkingen/kwijtschelding (hierna: de schenkingen), heeft [geïntimeerde] erop gewezen dat de erfgenamen deze schenkingen bij brief van 24 september 2013 op de voet van art. 3:50 jo.3:45 BW (Pauliana) buitengerechtelijk hebben vernietigd.

3.3

[appellante] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat de door [N] in 2001 aan [F] verschuldigde betaling is voldaan door enerzijds een betaling van fl. 50.130,28 (€ 22.748,12) en anderzijds door verrekening van de resterende hoofdsom met vorderingen van [N] op [F] uit hoofde van de schenkingen van [F] aan [N] . Volgens [appellante] was [N] daarom per 13 juni 2001 niets meer verschuldigd aan [F] . Anders dan [geïntimeerde] heeft betoogd, hadden deze schenkingen geen paulianeus karakter. [appellante] heeft in dit verband gesteld dat in casu noch sprake is geweest van benadeling van een of meer schuldeisers als bedoeld in art. 3:45 lid 1 BW, noch van wetenschap van benadeling in de zin van art. 3:45 lid 3 BW. De rechtsvordering tot vernietiging van de schenkingen is voorts op de voet van art. 3:52 lid 1 sub d BW verjaard. Tegen de door [geïntimeerde] gestelde cessie van de vordering heeft [appellante] aangevoerd dat [F] door haar gebrekkige geestesvermogens niet in staat was haar vordering op [N] , zo deze nog bestond, te cederen. In verband hiermee heeft [appellante] een incidentele vordering ingesteld, ertoe strekkende dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld om een duidelijk leesbare medische verklaring van de huisarts van [F] in het geding te brengen.

3.4

In het bestreden vonnis heeft de rechtbank de incidentele vordering van [appellante] afgewezen. De vordering van [geïntimeerde] in de hoofdzaak heeft de rechtbank toegewezen. De rechtbank heeft in dit verband als volgt geoordeeld. Voor zover [appellante] zich erop heeft beroepen dat de geestesvermogens van [F] ten tijde van het ondertekenen van de cessieakte gestoord waren, heeft de rechtbank dit beroep verworpen. In dit verband heeft de rechtbank geoordeeld dat, zelfs als een dergelijke geestelijke stoornis kan worden aangenomen, dit op de voet van art. 3:34 BW leidt tot vernietigbaarheid van de cessie en niet tot nietigheid, terwijl gesteld noch gebleken is dat die vernietigbaarheid door [F] is ingeroepen. Nu vaststaat dat de cessie van de vordering in elk geval door de inleidende dagvaarding aan [appellante] is meegedeeld, is deze (zo deze nog bestaat) geldig. Het beroep van [appellante] op verjaring heeft de rechtbank als onvoldoende onderbouwd verworpen. Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat de door [F] aan [N] gedane schenkingen op de voet van art. 3:45 BW rechtsgeldig door [geïntimeerde] zijn vernietigd. In het verlengde hiervan heeft de rechtbank het beroep van [appellante] op verrekening verworpen en overwogen dat de vordering van [F] op [N] nog steeds bestaat. Nu [appellante] verder niet heeft betwist dat laatstgenoemde vordering opeisbaar is, is de vordering van [geïntimeerde] toewijsbaar, zo heeft de rechtbank geconcludeerd.

3.5

Tegen dit eindvonnis komt [appellante] met een zestal grieven op.

3.6

Met grief I betoogt [appellante] dat de rechtbank in rov. 2.3 van het bestreden vonnis ten onrechte heeft overwogen, dat [G] en zijn zusters [H] , [I] , [J] , [K] , [L] en [M] de erfgenamen van [E] zijn. In de toelichting op deze grief stelt [appellante] , dat het testament van [E] enkel werking heeft ingeval [E] was komen te overlijden op het moment dat hij nog niet gehuwd was met [F] . Volgens [appellante] bevat het testament een voorwaardelijke making met de strekking dat de versterferfgenamen van [E] slechts gerechtigd waren tot de nalatenschap, indien [E] ten tijde van zijn overlijden ongehuwd zou zijn geweest. Nu aan deze voorwaarde niet is voldaan had het testament geen werking met als gevolg dat [F] krachtens het versterferfrecht als enige gerechtigd was tot de nalatenschap, aldus nog steeds [appellante] . In dit verband voert [appellante] aan dat [E] zich reeds voordat hij was gehuwd met [F] moreel verplicht voelde om [F] bij zijn overlijden verzorgd achter te laten, zodat het volgens [appellante] niet anders kan dat [E] de wil heeft gehad om zijn gehele nalatenschap te laten vererven aan [F] indien hij zou komen te overlijden tijdens zijn huwelijk.

3.7

Bij de beoordeling van deze grief stelt het hof voorop dat bij de uitleg van een uiterste wilsbeschikking dient te worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt (art. 4:46 lid 1 BW). Uitgaande van deze maatstaf dient het onderhavige testament naar het oordeel van het hof aldus te worden uitgelegd, dat [E] de bedoeling heeft gehad zijn broer en zusters tot erfgenamen te benoemen voor het geval hij tijdens zijn huwelijk met [F] zou komen te overlijden, alsmede dat [E] voor die situatie aan een op hem rustende verzorgingsplicht jegens [F] heeft willen voldoen, een en ander in de vorm van een aan [F] toegekend legaat van vruchtgebruik.

Allereerst kan uit de bewoordingen van het testament worden afgeleid dat het treffen van een zodanige voorziening [E] bij het opmaken van het testament voor ogen heeft gestaan. Op blad 1 van het testament staat immers vermeld: “Indien ik kom te overlijden tijdens mijn voorgenomen huwelijk met mevrouw [F] , …” (cursivering hof), waarop een omschrijving van de aan [F] toegekende legaten resp. de erfstelling volgt. Anders dan [appellante] betoogt, valt in deze bewoordingen naar het oordeel van het hof niet te lezen dat de in het testament opgenomen erfstelling voorwaardelijk zou zijn in de zin dat deze alleen zou gelden, indien [E] ten tijde van zijn overlijden ongehuwd zou zijn geweest. Voorts constateert het hof dat de erfstelling op blad 1 en 2 van het testament aldus is geformuleerd dat, onder bezwaar van de aan [F] toegekende legaten, tot erfgenamen worden benoemd “hen die mijn erfgenamen volgens de bepalingen der wet zouden zijn geweest indien ik ongehuwd zou zijn overleden” (cursivering hof). Ook deze bewoordingen duiden erop dat het testament is bedoeld voor de situatie waarin [E] gehuwd met [F] zou komen te overlijden.

Uit de bewoordingen van het op blad 1 achter 2 vermelde legaat volgt voorts dat [E] voor die situatie aan een op hem rustende verzorgingsplicht jegens [F] heeft willen voldoen door middel van toekenning aan [F] van een legaat van vruchtgebruik. Dit legaat wordt immers toegekend “mede ter voldoening van de tegenover mijn genoemde aanstaande echtgenote op mij rustende verzorgingsverplichting, welke verplichting ik bij deze tot het bedrag van de waarde van na te melden vruchtgebruik erken,…” (cursivering hof). Mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, dient deze bepaling naar het oordeel van het hof te worden gelezen tegen de achtergrond van de uit art. 1:81 (oud) BW / art. 1:81 BW voortvloeiende verplichting van echtgenoten om elkaar het nodige te verschaffen. In dat licht bezien heeft [appellante] haar stelling, dat [E] zich moreel verplicht voelde om [F] reeds voordat hij met haar was gehuwd verzorgd achter te laten bij zijn overlijden (zodat het in de visie van [appellante] niet anders kan dat [E] de wil heeft gehad om zijn gehele nalatenschap te laten vererven aan [F] indien hij zou komen te overlijden tijdens zijn huwelijk met haar), onvoldoende onderbouwd.

Dat [E] de bedoeling heeft gehad om zijn broer en zusters tot erfgenamen te benoemen voor het geval hij tijdens zijn huwelijk met [F] zou komen te overlijden, vindt ook steun in de omstandigheden waaronder het testament is opgemaakt. In dit verband acht het hof van belang dat [geïntimeerde] er in beide instanties op heeft gewezen dat [E] ten tijde van het opmaken van het testament beschikte over landerijen uit de nalatenschap van zijn ouders en dat het de bedoeling was dat dit vermogen ‘in de familie’ zou blijven. Dit betoog is door [appellante] onvoldoende betwist, terwijl uit de door [E] en [F] eveneens op 21 november 1972 aangegane huwelijkse voorwaarden, strekkende tot uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen, ook kan worden afgeleid dat [E] niet wenste dat [F] op zijn vermogen aanspraak zou kunnen maken.

Uit het voorgaande volgt dat het hof de door [appellante] bepleite uitleg van het testament verwerpt, zodat grief I faalt. Ook in appel dient er derhalve van te worden uitgegaan dat [G] en zijn zusters [H] , [I] , [J] , [K] , [L] en [M] de erfgenamen van [E] zijn.

3.8

De grieven II en III zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 2.10 en 4.5, dat (kort gezegd) de vordering van [F] op [N] rechtsgeldig aan [geïntimeerde] is gecedeerd. Volgens grief II had de rechtbank zich moeten uitlaten over de stelling van [appellante] dat de cessieakte alleen tot stand is gekomen tussen [F] en [geïntimeerde] en niet tussen [F] en [geïntimeerde] c.s. (waarmee [appellante] , naar het hof begrijpt, kennelijk bedoelt: [geïntimeerde] en de vijf erfgenamen van [E] voor wie [geïntimeerde] in deze procedure als schriftelijk gevolmachtigde optreedt). Volgens grief III is de rechtbank er ten onrechte vanuit gegaan dat de vordering die is gecedeerd € 155.230,18 bedraagt. Deze grieven lenen zich voor een gezamenlijke beoordeling.

Daarbij stelt het hof voorop dat voor de bepaling van de inhoud van een akte van cessie niet slechts van belang is, hetgeen uit de desbetreffende akte zelf blijkt, maar dat het aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Uitgaande van deze maatstaf dient de cessieakte naar het oordeel van het hof aldus te worden uitgelegd dat het de bedoeling was van de daarbij betrokken partijen om de vordering van [F] op [appellante] , als rechtsopvolger onder algemene titel van [N] , ten belope van een bedrag van € 155.230,18 over te dragen aan de erfgenamen van [E] en dat partijen er daarbij vanuit gingen dat [geïntimeerde] optrad als gevolmachtigde van deze erfgenamen.

In dit verband is allereerst van belang dat de bij deze procedure betrokken erfgenamen van [E] enige dagen vóór de totstandkoming van de cessieakte [geïntimeerde] een volmacht hebben gegeven om hen te vertegenwoordigen terzake het opeisen en invorderen van hun vorderingen van in totaal € 155,230,11 op [F] . Voorts neemt het hof in aanmerking dat, naar [geïntimeerde] in beide instanties heeft gesteld en door [appellante] niet is betwist, de erfgenamen van [E] [F] hebben verzocht de openstaande schuld aan hen af te lossen, maar dat [F] geen andere (substantiële) vermogensbestanddelen heeft dan de vordering op [appellante] (in haar hoedanigheid van rechtsopvolger onder algemene titel van [N] ). De totstandkoming van de cessieakte moet naar het hof meent mede tegen deze achtergrond worden bezien.

Aan deze uitleg van de cessieakte doet, mede in het licht van de toepasselijke uitlegmaatstaf, niet in voldoende mate af hetgeen door [appellante] ter onderbouwing van grief II is aangevoerd, te weten: dat uit de desbetreffende akte niet blijkt dat [geïntimeerde] bij de ondertekening daarvan als gevolmachtigde van de erfgenamen van [E] is opgetreden. Evenmin acht het hof voor de uitleg van de cessieakte doorslaggevend, dat het door [N] aan [F] schuldig erkende bedrag € 161.671,07 bedraagt en niet, zoals in de cessie-akte staat vermeld, € 155.230,18,-. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de achtergrond van de totstandkoming van de cessieakte, moet er naar het oordeel van het hof van worden uitgegaan dat [F] haar vordering op [appellante] (in haar hoedanigheid van rechtsopvolger onder algemene titel van [N] ) niet volledig, maar ten belope van een bedrag van € 155.230,18,- aan de erfgenamen van [E] heeft overdragen. Het stond [F] vrij aldus te handelen, terwijl gesteld noch gebleken is dat daardoor (achteraf) onvoldoende bepaalbaar zou zijn, welke vordering [F] heeft overgedragen.

Uit het voorgaande volgt dat de grieven II en III falen.

3.9

Grief IV betoogt dat de rechtbank er ten onrechte van is uitgegaan dat [geïntimeerde] bevoegd is om de volmachtgevers (waarmee [appellante] , naar het hof begrijpt, kennelijk bedoelt: de vijf erfgenamen van [E] voor wie [geïntimeerde] in deze procedure als schriftelijk gevolmachtigde optreedt ) in rechte te vertegenwoordigen. Volgens [appellante] zijn deze volmachten verstrekt om de vordering van de volmachtgevers op [F] op te eisen en niet de vordering van [F] op [N] . Ook deze grief faalt.

Naar het oordeel van het hof dienen de aan [geïntimeerde] verstrekte volmachten redelijkerwijs aldus te worden uitgelegd dat [geïntimeerde] gevolmachtigd is om alle (rechts)handelingen te verrichten die ertoe leiden dat de volmachtgevers ten belope van het door [F] aan hen verschuldigde bedrag worden voldaan. Dat volgt niet alleen uit de bewoordingen van de door [geïntimeerde] in het geding gebrachte volmachten, waarin in relatie tot de schuld van [F] aan de volmachtgevers wordt gesproken van “vertegenwoordigen inzake het opeisen en invorderen” (cursivering hof), maar ook uit de door [geïntimeerde] gestelde omstandigheden met betrekking tot de wijze van totstandkoming van de volmachten en de cessieakte. Zoals hiervoor reeds overwogen onder 3.10, heeft [appellante] niet betwist dat de erfgenamen van [E] [F] hebben verzocht de openstaande schuld aan hen af te lossen, maar dat [F] geen andere (substantiële) vermogensbestanddelen heeft dan de vordering op [appellante] (in haar hoedanigheid van rechtsopvolger onder algemene titel van [N] ). Aangenomen moet daarom worden dat de volmachten mede zijn verstrekt om de vordering van [F] op [appellante] gecedeerd te krijgen, zodat de vorderingen van de volmachtgevers op [F] op die wijze kunnen worden voldaan.

3.10

Met de grieven V en VI komt [appellante] op tegen het oordeel van de rechtbank dat (kort gezegd) het beroep van [geïntimeerde] op vernietiging van de schenkingen van [F] aan [N] op de voet van art. 3:45 lid 1 BW slaagt. Het hof ziet aanleiding om eerst grief VI te beoordelen.

3.11

Grief VI is gericht tegen rov. 4.7, waarin de rechtbank het beroep van [appellante] op verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging van de schenkingen als onvoldoende onderbouwd heeft verworpen. Onder verwijzing naar het bepaalde in art. 3:52 lid 1 sub d BW, waarin voor de verjaring wordt aangeknoopt bij het moment waarop de bevoegdheid om de vernietigingsgrond in te roepen aan degene die de vernietiging inroept ten dienste is komen te staan, heeft de rechtbank overwogen dat dit moment niet zonder meer is het moment van de schenkingen zelf. De rechtbank heeft voorts in aanmerking genomen dat niet in geschil is dat de erfgenamen van [E] op het moment van de schenkingen zelf daarvan nog niet op de hoogte waren en dat uit de stellingen van [appellante] niet blijkt dat de erfgenamen van [E] voor 2013 van de schenkingen op de hoogte waren. Grief VI komt hiertegen op met de stelling dat de erfgenamen van [E] van de schenkingen op de hoogte hadden kunnen zijn. Volgens [appellante] werden de schenkingen geregistreerd (waarmee [appellante] , naar het hof begrijpt, kennelijk doelt op registratie door de Belastingdienst overeenkomstig het systeem van de Registratiewet 1970 vóór 1 januari 2013) en dient die registratie gelijkgeschakeld te worden met de registratie van de overdracht van, naar het hof begrijpt, het woonhuis door [F] aan [N] in 2001 in de openbare registers.

Waar [geïntimeerde] de vernietiging van de schenkingen heeft gebaseerd op art. 3:45 BW, stelt het hof voorop dat in casu de vernietigingsgrond van art. 3:52 lid 1 sub c BW van toepassing is. Die verjaringsgrond is immers mede toegespitst op vernietiging wegens benadeling. Het hof constateert dat grief VI in de sleutel staat van het bepaalde in art. 3:52 lid 1 sub d BW, zodat de grief reeds daarom faalt.

Ook indien wordt uitgegaan van de toepasselijkheid van art. 3:52 lid 1 sub c BW is naar het oordeel van het hof van verjaring echter geen sprake. In dat geval vangt de verjaring aan drie jaren nadat de benadeling is ontdekt. Dit criterium heeft een subjectief karakter, dat wil zeggen dat de verjaring eerst aanvangt nadat de benadeling door de crediteur die zich op vernietiging beroept daadwerkelijk is ontdekt.

Naar het oordeel van het hof moet er dan ook van worden uitgegaan dat de rechtsvordering tot vernietiging van de onderhavige schenkingen verjaart drie jaren na het tijdstip waarop de erfgenamen van [E] de benadeling als gevolg van de schenkingen hebben ontdekt. Dat de buitengerechtelijke vernietiging van de schenkingen na het verstrijken van deze termijn zou zijn ingeroepen is gesteld noch gebleken. Ook in appel heeft [appellante] haar verjaringsverweer derhalve onvoldoende onderbouwd. In dit verband merkt het hof ten overvloede nog op dat registratie van notariële akten overeenkomstig de Registratiewet 1970 geen openbaar karakter heeft en zich dus voor wat betreft de kenbaarheid van de inhoud van die akten niet laat vergelijken met registratie van notariële akten in de openbare registers.

3.12

Met grief V komt [appellante] op tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 4.9, dat niet in geschil is dat de drie schenkingen van [F] aan [N] (hierna: de schenkingen) onverplicht waren. Het hof constateert dat [appellante] thans, anders dan in eerste aanleg, wél betwist dat de schenkingen als onverplicht verrichte rechtshandelingen in de zin van art. 3:45 lid 1 BW kunnen worden aangemerkt. Subsidiair beroept [appellante] zich in het kader van grief V op art. 3:45 lid 2 BW, in het kader waarvan zij betoogt dat de schenkingen niet als rechtshandelingen om niet kunnen worden aangemerkt, zodat moet worden getoetst of [N] wist dan wel behoorde te weten dat van deze rechtshandelingen benadeling van één of meer schuldeisers het gevolg zou zijn. Volgens [N] heeft [geïntimeerde] voor wetenschap van benadeling aan de zijde van [N] op geen enkele wijze bewijs aangedragen en komt [geïntimeerde] daarom geen beroep op vernietiging van de schenkingen toe. Meer subsidiair stelt [appellante] dat in casu het bepaalde in art. 3:45 lid 3 BW van toepassing is. In dit kader neemt [appellante] tot uitgangspunt dat de schenkingen (wél) als rechtshandelingen om niet moeten worden aangemerkt, maar dat [N] noch zijzelf daardoor gebaat is (geweest), zodat het beroep op vernietiging van de schenkingen zijdens [geïntimeerde] om die reden niet kan slagen.

3.13

Ter onderbouwing van haar stelling dat de schenkingen niet als onverplicht verrichte rechtshandelingen in de zin van art. 3:45 lid 1 BW moeten worden aangemerkt, heeft [appellante] gesteld dat de schenkingen rechtstreeks verband houden met renovatiewerkzaamheden die [N] heeft uitgevoerd ten behoeve van [F] . Het gaat daarbij, aldus [appellante] , om werkzaamheden die noodzakelijk waren om ervoor te zorgen dat [F] in de boerderij kon blijven wonen, waarmee [appellante] naar het hof begrijpt, kennelijk doelt op het hiervoor in rov. 2.6 en 2.9 genoemde, in 2001 aan [N] overgedragen woonhuis. [appellante] beroept zich in dit verband op correspondentie met de gemeente Terschelling, alsmede op diverse offertes en een tweetal facturen van een architectenbureau. [geïntimeerde] heeft betwist dat de verbouwingskosten verband houden met de schenkingen.

Het hof gaat aan dit betoog van [appellante] voorbij. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, valt immers niet in te zien dat de schenkingen de grondslag zouden kunnen vormen niet alleen voor het kernverweer van [appellante] , dat met deze schenkingen de schuld van [N] aan [F] ad € 161.671,07 is tenietgegaan, maar tegelijkertijd ook een grondslag voor het verweer van [appellante] , dat deze schenkingen waren ingegeven door de wens van [F] om [N] in staat te stellen renovatiewerkzaamheden te laten uitvoeren, zodat de schenkingen om die reden niet als onverplicht verrichte rechtshandelingen kunnen worden aangemerkt. Ook overigens heeft [appellante] haar betoog onvoldoende onderbouwd. Dat [N] bouwvergunningen en offertes heeft aangevraagd resp. dat hem een bedrag van € 23.828,97 in rekening is gebracht door een architectenbureau bewijst immers nog niet dat de door [F] gedane schenkingen verband houden met een beoogde renovatie en/of de daarmee gepaard gaande kosten. Om die reden dient ook aan het bewijsaanbod van [appellante] , dat strekt tot het leveren van getuigenbewijs terzake de gestelde verbouwingen en de daaraan verbonden kosten, als niet terzake dienend te worden voorbijgegaan.

3.14

Voor zover [appellante] een beroep heeft gedaan op het bepaalde in art. 3:45 lid 2 resp. art. 3:45 lid 3 BW, gaat het hof daaraan eveneens voorbij. Naar het oordeel van het hof heeft [appellante] de stelling van [geïntimeerde] , dat [N] wist dan wel behoorde te weten dat van de schenkingen van [F] aan [N] benadeling van één of meer schuldeisers het gevolg zou zijn bezien in het licht dat [N] wist dat [F] op enig moment haar geldschulden aan (de erfgenamen van) haar schoonzusters en zwager zou moeten voldoen, onvoldoende betwist. Dit betekent dat zelfs als de schenkingen als rechtshandelingen anders dan om niet zouden kunnen worden aangemerkt, aan het in verband daarmee door art. 3:45 lid 2 BW gestelde extra vereiste voor vernietiging (wetenschap van benadeling aan de zijde van de degene met wie de schuldenaar de rechtshandeling verrichtte) is voldaan. Overigens volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen onder 3.14, dat de schenkingen naar het oordeel van het hof als rechtshandelingen om niet moet worden aangemerkt. Nu er van moet worden uitgegaan dat [N] wist dan wel behoorde te weten dat de schenkingen van [F] benadeling van één of meer schuldeisers tot gevolg zou hebben, komt het hof niet toe aan een verdere beoordeling van grief V op de voet van art. 3:45 lid 3 BW. Overigens kan ook niet worden volgehouden dat [N] niet was gebaat omdat de renovatiewerkzaamheden meer hebben gekost dan het bedrag van de schenkingen, zoals [appellante] heeft betoogd.

3.15

[appellante] heeft niet gegriefd tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 4.9 en 4.10, dat (kort gezegd) de erfgenamen door de schenkingen van [F] aan [N] in hun verhaalsmogelijkheid zijn benadeeld. Mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, moet er derhalve van worden uitgegaan dat het beroep van [geïntimeerde] op de vernietigbaarheid van de schenkingen slaagt op de voet van art. 3:45 lid 1 BW.

3.16

Voor zover [appellante] in het kader van grief V heeft gesteld dat de erfgenamen door de vernietiging van de schenkingen ongerechtvaardigd worden verrijkt, gaat het hof daaraan als onvoldoende onderbouwd voorbij, nog daargelaten dat aan die stelling in appel geen consequenties kunnen worden verbonden. Een (voorwaardelijke) eis in reconventie, strekkende tot vergoeding van door de gestelde ongerechtvaardigde verrijking geleden schade, is door [appellante] in eerste aanleg immers niet ingesteld.

3.17

De slotsom luidt dat de grieven falen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [appellante] zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in appel.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 1.615,- aan verschotten en € 2.632,- voor salaris.

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.S. Arnold, W.A.H. Melissen en M.E.M.G. Peletier en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2016.