Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:630

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-02-2016
Datum publicatie
26-02-2016
Zaaknummer
200.157.065/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huur woonruimte. Huurster heeft niet voortdurend haar hoofdverblijf gehouden in het gehuurde, zij is tekort geschoten in haar verplichtingen op grond van artikel 7:213 BW. Ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming zijn gerechtvaardigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JHV 2016/12 met annotatie van mr. T. Gardenbroek
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.157.065/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : 2585771 CV EXPL 13-30831

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 23 februari 2016

inzake

WONINGSTICHTING EIGEN HAARD,

gevestigd te Amsterdam,

appellante,

advocaat: mr. M.G. Blokziel te Almere,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonend te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna Eigen Haard en [geïntimeerde] genoemd.

Eigen Haard is bij dagvaarding van 21 september 2014 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter), van 31 juli 2014, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen Eigen Haard als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord, met producties.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 26 november 2015 doen bepleiten, Eigen Haard door mr. Blokziel voornoemd en [geïntimeerde] door mr. C.G.M. Oosterwijk, advocaat te Amsterdam. Mr. Blokziel heeft gepleit aan de hand van een pleitnotitie die aan het hof is overgelegd. [geïntimeerde] is niet in persoon verschenen.

Ten slotte is arrest gevraagd.

Eigen Haard heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog haar vorderingen zal toewijzen, met beslissing over de proceskosten, waaronder de nakosten en de wettelijke rente daarover.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met - uitvoerbaar bij voorraad - beslissing over de proceskosten, waaronder de nakosten.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder het kopje “Feiten” de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

2.1

[geïntimeerde] en Eigen Haard hebben op 29 april 2009 een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot de woning aan de [adres] (hierna: het gehuurde).

2.2

De Algemene Voorwaarden Woonruimte zijn op de huurovereenkomst van toepassing.

2.3

Artikel 10.2 van de algemene huurvoorwaarden bepaalt:
“2. Huurder bewoont het gehuurde gedurende de huurtijd bij voortduring zelf en heeft er zijn hoofverblijf. Gebruik van het gehuurde als pied-à-terre (…) is niet toegestaan. De bewijslast van het hebben van hoofdverblijf rust op huurder.”

2.4

Artikel 10.7 van de algemene huurvoorwaarden bepaalt:
“Het is huurder verboden het gehuurde, al dan niet tijdelijk, in zijn geheel onder te verhuren of aan derden in gebruik af te staan. Als huurder in strijd handelt met deze bepaling is huurder aan verhuurder een direct opeisbare boete verschuldigd van € 5.000,00.”

2.5

Artikel 10.9 van de algemene huurvoorwaarden bepaalt:
“Als verhuurder redenen heeft om aan te nemen dat huurder het gehuurde zonder toestemming van verhuurder geheel of gedeeltelijk in gebruik of onderhuur heeft afgestaan of daar in pension verleent, is huurder verplicht mee te werken aan een daarop gericht onderzoek van verhuurder. Desgevraagd is huurder onder meer verplicht de persoonsgegevens van de gebruikers(s) of onderhuurders(s) te verstrekken.”

2.6

Eigen Haard heeft begin 2012 van omwonenden vernomen dat [geïntimeerde] en haar vier kinderen in de zomervakantie van 2011 naar Marokko zijn vertrokken en niet meer zijn teruggekeerd in het gehuurde.

2.7

Op 21 maart 2012 heeft een medewerkster van Eigen Haard een huisbezoek gebracht aan het gehuurde. Daar heeft de medewerkster van Eigen Haard niemand aangetroffen.

2.8

Eigen Haard heeft op 28 maart 2012 en op 4 april 2012 [geïntimeerde] verzocht op kantoor te verschijnen. [geïntimeerde] is daar niet verschenen.

2.9

Eigen Haard heeft in een brief van 11 april 2012 [geïntimeerde] gesommeerd de huur op te zeggen.

2.10

Op 13 april 2012 heeft [geïntimeerde] telefonisch contact opgenomen met Eigen Haard en heeft zij aan een medewerker van Eigen Haard verteld dat zij in de zomer van 2011 met haar vier kinderen naar Marokko is vertrokken en na zes weken met de jongsten is teruggekeerd. [geïntimeerde] heeft verklaard dat zij doende is van echt te scheiden en dat de twee oudste kinderen bij hun vader in Marokko zijn gebleven. Verder heeft [geïntimeerde] verklaard veel met de jongste kinderen bij haar moeder te verblijven en zelf te mogen bepalen waar ze woont. Eigen Haard heeft met [geïntimeerde] een afspraak gemaakt voor 25 april 2012 waarbij [geïntimeerde] is verzocht bescheiden mee te nemen.

2.11

[geïntimeerde] heeft deze afspraak wegens ziekte afgezegd.

2.12

Eigen Haard heeft in een brief van 27 april 2012 [geïntimeerde] bericht dat Eigen Haard [geïntimeerde] een laatste kans biedt tot medewerking aan een persoonlijk gesprek en haar verzocht de stukken mee te nemen waar Eigen Haard om heeft gevraagd.

2.13

[geïntimeerde] is met haar zus op 4 mei 2012 op kantoor van Eigen Haard verschenen. Na een gesprek hebben medewerkers van Eigen Haard een bezoek aan het gehuurde gebracht.

2.14

Eigen Haard heeft in een brief van 4 mei 2012 aan [geïntimeerde] de bevindingen van haar medewerkers bevestigd. Hierin staat:

“(…) Bij aankomst ging u de woning met een tas boodschappen binnen. Buiten die boodschappen waren de keukenkasten nagenoeg leeg. De inhoud van de koelkast was eveneens zeer minimaal en bevatte geen etenswaren voor een gezin met 2 kleine kinderen. Ook andere etenswaren en/of drinken voor kleine kinderen was niet aanwezig. U verklaarde hierop dat de kinderen op de crèche eten. Verder was er geen speelgoed zichtbaar wat toch te verwachten is bij een tweeling van 3 jaar. Ook in de woning kon u geen recente boekhouding aantonen. Op mijn vraag waar u uw boekhouding bewaart overhandigde u mij een plastic tas met lege enveloppen en verscheurde correspondentie.
(…) Tijdens het gesprek heeft u meerdere keren aangegeven sinds juli 2011 regelmatig bij uw moeder in Amsterdam West te verblijven.
(…) Eigen Haard heeft de indruk dat u uw hoofdverblijf bij uw moeder heeft (…) Ondanks dat de woning geheel is ingericht en gemeubileerd zijn wij er niet van overtuigd dat u uw hoofverblijf in de woning heeft. Ik wijs u nogmaals op de Algemene voorwaarden behorende bij de huurovereenkomst. (…) Ik heb u gevraagd alsnog bankafschriften van de afgelopen 3 maanden over te leggen, alsmede de jaarafrekening van Waternet en de (half)jaarafrekening van het energiebedrijf. Ik verzoek u dit te doen voor 15 mei 2012 (…)”.

2.15

Eigen Haard heeft bij brief van 22 mei 2012 het vermoeden uitgesproken dat [geïntimeerde] niet haar hoofdverblijf in het gehuurde heeft en daarbij aangegeven dat zij het gehuurde in onderzoek houden.

2.16

De huismeester van Eigen Haard heeft Eigen Haard in een e-mail van 22 mei 2013 bericht:
“Het vermoeden is groot dat de [adres] wordt onderverhuurd. Volgens diverse bewoners verblijven er nieuwe bewoners. (…) Volgens de buurvrouw zijn de bewoners alleen ’s avonds thuis en van Marokkaanse afkomst zonder kinderen”.

2.17

In het GBA staan op de [adres] drie personen ingeschreven, te weten [geïntimeerde] en de twee jongste kinderen van [geïntimeerde] .

2.18

Op 1 juni 2013, 30 juni 2013 en 3 juli 2013 hebben omwonenden bij Eigen Haard de volgende verklaringen afgelegd:
op 27 juni 2013: “(…) verklaren wij als buren van mevrouw [geïntimeerde] dat het er sterk op lijkt dat zij en haar vier kinderen sinds de zomer van 2011 niet meer verblijven op genoemd adres. Dit is niet zomaar een indruk; mevrouw en haar gezin, de rommel, de vuilniszakken die op de galerij werden gestald enz. enz. en de vele aanloop die zij altijd had is onmogelijk te missen. Slechts zeer incidenteel wordt zij of iemand anders gesignaleerd. (…) Daarnaast leek/lijkt het erop dat er onregelmatig iemand sliep/slaapt. (…)”;

op 30 juni 2013: “(…) waar ze nu zit weet ik totaal niet en de woning leeg staat. Wel hoor ik in de nacht veel de deur slaan op onregelmatige tijden dan brand er weer een paar dagen licht of staat een enkele keer een vuilniszak buiten de deur maar ik zie nooit iemand”;

op 3 juli 2013:”(…) dat we desbetreffende persoon afgelopen jaar af en toe bij de brievenbussen hebben gezien om post leeg te maken. Daarnaast horen we onregelmatig geluiden vanuit deze woning. Verder komen we deze huurder niet anders tegen”.

2.19

Op 10 juni 2013 heeft een medewerkster van Eigen Haard een huisbezoek gebracht aan het gehuurde. Daarbij heeft de medewerkster niemand aangetroffen. Omwonenden geven aan dat zij [geïntimeerde] na de zomer van 2011 niet meer in/bij het gehuurde hebben gezien. Wel is een stel gezien dat met een sleutel het gehuurde betreedt.

2.20

Op 26 juni 2013 werd bij een huisbezoek niemand aangetroffen in het gehuurde.

2.21

In verband met buurtonderzoek van Eigen Haard hebben vier omwonenden aan een medewerkster van Eigen Haard verklaard dat [geïntimeerde] al zeker een jaar niet in het gehuurde verblijft. [geïntimeerde] werd af en toe gezien om de post op te halen. De medewerkster stelde vast dat de boxdeuren niet meer open konden omdat iemand een pin in de sloten heeft gestoken en dat de brievenbus van [geïntimeerde] uitpuilde.

2.22

Eigen Haard heeft [geïntimeerde] bij brieven van 19 augustus 2013, 28 augustus 2013 en 7 oktober 2013 opgeroepen om op het kantoor van Eigen Haard te verschijnen.

2.23

[geïntimeerde] is op 7 oktober 2013 op het kantoor van Eigen Haard verschenen.

2.24

Op 9 oktober 2013 hebben twee omwonenden aan de huismeester van Eigen Haard verklaard dat [geïntimeerde] hen heeft uitgescholden en bedreigd.

2.25

In de jaarafrekening van Nuon is het elektriciteitsverbruik van [geïntimeerde] voor de periode 21 augustus 2012 tot 13 september 2013 vastgesteld op 2.808 kWh.

2.26

In een e-mail van 9 oktober 2013 heeft een medewerker van Eigen Haard aan [A] van Eigen Haard geschreven:
“(…) [B] (hof: de huismeester) heeft een periode de woning in de gaten gehouden en zag dat er af en toe wel iemand is geweest, maar dat er normaal gesproken niemand aanwezig was (…)”.

2.27

Eigen Haard heeft [geïntimeerde] in een brief van 30 oktober 2013 gesommeerd de huur op te zeggen.

2.28

[geïntimeerde] heeft in een e-mail van 7 november 2013 Eigen Haard bericht niet van plan te zijn de huur op te zeggen.

3 Beoordeling

3.1

Eigen Haard heeft in eerste aanleg gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat [geïntimeerde] zich niet als een goed huurster heeft gedragen op grond van artikel 7:213 BW, dat de huurovereenkomst met haar wordt ontbonden en dat zij wordt veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde, met beslissing over de proceskosten. Eigen Haard heeft daartoe gesteld, kort gezegd, dat [geïntimeerde] in strijd met het bepaalde in de huurovereenkomst heeft gehandeld door het gehuurde, dat behoort tot de schaarse sociale woningvoorraad, niet bij voortduring als hoofdverblijf te bewonen. [geïntimeerde] heeft hiertegen verweer gevoerd.

3.2

De kantonrechter heeft de vorderingen van Eigen Haard afgewezen. Hij heeft daartoe overwogen dat niet is komen vast te staan dat [geïntimeerde] het gehuurde niet gebruikt als woonruimte althans een langere periode niet heeft gebruikt conform het bepaalde in de huurovereenkomst en niet bij voortduring het daadwerkelijke verblijf heeft gehad in het gehuurde zoals Eigen Haard heeft gesteld. Gezien het feit dat het onder 2.3 bedoelde beding - voor zover daarin is bepaald dat de bewijslast van het hebben van hoofdverblijf op de huurder rust - als nietig moet worden beschouwd, is het in beginsel aan Eigen Haard om haar stellingen te bewijzen, aldus de kantonrechter. Hier wordt echter niet aan toegekomen omdat Eigen Haard haar vordering onvoldoende heeft onderbouwd. Op grond van het voorgaande heeft de kantonrechter de vordering van Eigen Haard afgewezen en Eigen Haard veroordeeld in de proceskosten.

3.3

Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt Eigen Haard met vijf grieven op.

3.4

Eigen Haard heeft niet gegriefd tegen het oordeel van de kantonrechter dat het beding in de algemene huurvoorwaarden dat [geïntimeerde] de bewijslast draagt van het hebben van hoofdverblijf in het gehuurde als onredelijk bezwarend moet worden aangemerkt en daarmee nietig is. Dit heeft zij pas gedaan bij monde van haar advocaat ter zitting in hoger beroep. Voor zover dit betoog als een nieuwe grief moet worden beschouwd is deze tardief voorgesteld, gelet op de regel dat alle grieven bij memorie van grieven naar voren moeten worden gebracht. Het hof is dan ook van oordeel, evenals de kantonrechter, dat het in beginsel aan Eigen Haard is om haar stellingen, inhoudend dat [geïntimeerde] het gehuurde niet bij voortduring als hoofdverblijf heeft bewoond, te bewijzen.

3.5

Het hof zal allereerst enkele overwegingen wijden aan twee onderdelen van het verweer van [geïntimeerde] , dat zij zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft gevoerd, die een verklaring beogen te geven waarom [geïntimeerde] niet of nauwelijks in het gehuurde verbleef. Zij heeft daartoe gesteld, kort gezegd, dat zij de zorg voor haar twee jongste kinderen heeft en die moet combineren met haar lange werkdagen.

3.6

Met betrekking tot de zorg voor haar beide jongste kinderen heeft [geïntimeerde] , bij monde van haar advocaat, ter zitting van het hof erkend dat deze kinderen in ieder geval sinds 1 januari 2014 bij hun vader in Marokko wonen, net als de oudsten, en dat dit in strijd is met hetgeen [geïntimeerde] en haar advocaat tijdens de comparitie van partijen in eerste aanleg (op 8 mei 2014) hebben verklaard. [geïntimeerde] zou, volgens die verklaring, ook nog ten tijde van de comparitie, als alleenstaand moeder de zorg hebben gehad over deze kinderen en daarom, mede gezien haar dubbele baan, aangewezen zijn geweest op de hulp van haar moeder en veel bij haar moeder verblijven.
Dat de kinderen niet meer bij [geïntimeerde] verblijven wordt overigens ook door [geïntimeerde] zelf gesteld in haar memorie van antwoord en bevestigd in de verklaringen die als producties bij de memorie van antwoord zijn gevoegd, waarin [C] , en [D] verklaren dat [geïntimeerde] , na het vertrek van de kinderen, als alleenstaande woont en het erg moeilijk heeft met het vertrek van haar kinderen. Ook uit de verklaring van kinderdagverblijf [X] blijkt dat de twee kinderen (beiden geboren [geboortedatum] ) slechts tot en met 31 december 2013 gebruik hebben gemaakt van de kinderopvang. Ten slotte heeft Eigen Haard ter zitting van het hof onbestreden naar voren gebracht dat de kinderbijslag voor de jongste kinderen vanaf augustus 2013 is gestopt, omdat de kinderen vanaf dat moment niet meer stonden ingeschreven op een school in Nederland. Het hof zal ervan uitgaan dat geen van haar kinderen vanaf 1 januari 2014 bij [geïntimeerde] verblijft.

3.7

Voorts heeft [geïntimeerde] zowel in eerste aanleg als in hoger beroep naar voren gebracht dat zij twee banen heeft en lange werkdagen maakt omdat haar werkdag begint om 7.30 uur en zij vaak pas rond 21.00 uur thuis is. Het hof is van oordeel dat het op [geïntimeerde] ’s weg had gelegen haar betoog ten minste te onderbouwen met, bijvoorbeeld, de arbeidscontracten van haar diverse werkzaamheden. [geïntimeerde] heeft ter onderbouwing van die stelling in eerste aanleg salarisspecificaties over de maanden juni tot en met oktober 2013 overgelegd. Daaruit blijkt echter alleen voor wat betreft de maanden augustus en september 2013 dat zij zowel een baan als zorgverlener (8 uur per week) als een baan als administratief medewerkster (138 uur per maand) heeft gehad. Gedurende deze maanden zou zij zo’n 42 uur per week hebben gewerkt. Voor de overige maanden blijkt alleen van haar werkzaamheden als zorgverlener gedurende 8 uur per week. Arbeidscontracten heeft zij niet overgelegd. In hoger beroep heeft [geïntimeerde] volstaan met een herhaling van haar stellingen en de enkele mededeling dat zij tot juli 2014 een dubbele baan heeft gehad. Een en ander is onvoldoende om aan te kunnen nemen dat lange werkdagen een verklaring vormen voor haar afwezigheid in de woning.

3.8

In afwijking van het bestreden vonnis waarin de kantonrechter wel een doorslaggevend belang heeft toegekend aan [geïntimeerde] ’s verweer zoals hiervoor in de rechtsoverwegingen 3.6 en 3.7 beschreven, en in het licht van de gebleken ongeloofwaardigheid van de verklaringen van [geïntimeerde] zoals in eerste aanleg afgelegd, is het hof derhalve van oordeel dat dit verweer niet slaagt.

3.9

Ter onderbouwing van haar stelling dat [geïntimeerde] het gehuurde niet voortdurend als hoofverblijf heeft bewoond heeft Eigen Haard zich beroepen op de hiervoor vermelde feiten en het volgende aangevoerd.
Sinds februari 2012 bestaat bij Eigen Haard het vermoeden dat [geïntimeerde] niet haar hoofdverblijf heeft in het gehuurde. Rond die tijden meldden omwonenden dat het gezin naar Marokko is vertrokken en niet meer is teruggekeerd in het gehuurde. Dit wordt bevestigd in een door Eigen Haard opgestart buurtonderzoek, waaruit onder andere naar voren komt dat de gezinsleden niet meer worden gezien, er geen vuilniszakken en andere rommel meer op de galerij worden gestald en dat het ook opvalt dat de vele aanloop die [geïntimeerde] normaal had ontbreekt. Voorts blijkt uit door Eigen Haard bij de basisschool van de kinderen opgevraagde informatie dat klasgenoten van de oudste kinderen aangeven dat de kinderen zijn geremigreerd naar Marokko. Een van de kinderen blijkt te zijn uitgeschreven met ingang van 4 maart 2012. Nadat [geïntimeerde] eerst niet is komen opdagen bij afspraken met Eigen Haard vond er op 4 mei 2012 uiteindelijk een huisbezoek plaats. Behalve hetgeen hierover in de feitenopsomming is weergegeven heeft [A] (medewerker woonfraude bij Eigen Haard) ter zitting van het hof naar voren gebracht dat bij het huisbezoek is gebleken dat het gehuurde praktisch leeg was, er geen eten of speelgoed werd aangetroffen, dat er alleen twee hoog ingestelde kinderledikantjes stonden (terwijl de kinderen toen al drie jaar waren) en er geen administratie getoond kon worden, behalve wat oude post.
In mei 2013 heeft een huismeester van Eigen Haard gemeld dat er een vermoeden is van onderhuur, waarop opnieuw twee pogingen tot huisbezoek plaatsvonden maar niemand werd aangetroffen. Omwonenden verklaarden dat [geïntimeerde] sinds de zomer van 2011 niet meer is gezien, maar wel een stel dat het gehuurde met een sleutel betrad. Tijdens een buurtonderzoek verklaarden vier omwonenden dat [geïntimeerde] al zeker een jaar niet meer in het gehuurde verbleef. Voorts bleek ook dat er pinnen in de sloten van boxdeuren zijn gestoken maar dat [geïntimeerde] hier nooit melding van heeft gemaakt en dat de brievenbus van [geïntimeerde] uitpuilde met post. Nadat meerdere afspraken niet waren nagekomen verscheen [geïntimeerde] op 7 oktober 2013 op het kantoor van Eigen Haard, waarbij zij, na aandringen, uiteindelijk een jaarafrekening van Nuon heeft overgelegd waaruit bleek dat [geïntimeerde] op jaarbasis 2.808 kWh verbruikte terwijl het gemiddeld stroomverbruik van een gezin van drie personen 4.150 kWh is. Kort na dit gesprek, op 9 oktober 2013, meldden twee omwonenden zich bij de huismeester van Eigen Haard met de mededeling dat [geïntimeerde] bij hen verhaal is komen halen en hen heeft uitgescholden voor NSB’er en hen heeft bedreigd.

3.10

Daarnaast heeft Eigen Haard in hoger beroep vijf bij de notaris afgelegde anonieme getuigenverklaringen overgelegd. Uit de verklaringen blijkt dat het om buren en andere (direct) omwonenden gaat. De getuigenverklaringen zijn, zo blijkt uit de verklaringen zelf, anoniem afgelegd omdat betrokkenen angst hebben voor [geïntimeerde] . De verklaringen ondersteunen de stellingen van Eigen Haard. Zo blijkt dat er sinds het vertrek van [geïntimeerde] (in 2011) geen sprake meer is van vuilniszakken, bergen met schoenen en spelende kinderen op de galerij. Ook blijkt dat [geïntimeerde] in de afgelopen jaren niet meer wordt gezien bij het gehuurde maar dat er wel anderen, telkens verschillende mensen, worden gezien, die zich met een sleutel toegang verschaffen tot het gehuurde of post komen ophalen. Ook wordt in één van de getuigenverklaringen gememoreerd dat er een voortdurende pieptoon vanuit het gehuurde te horen is, vermoedelijk van een rookmelder met een batterij die bijna leeg is. De huismeester bevestigt dit in zijn e-mails van 31 oktober 2014, 13 november 2014 en 28 november 2014.

3.11

Dit een en ander, in onderlinge samenhang beschouwd, maakt zeer aannemelijk dat [geïntimeerde] het gehuurde niet voortdurend als hoofverblijf heeft bewoond. Hetgeen [geïntimeerde] daar ter onderbouwing van haar betwisting, naast hetgeen in rechtsoverweging 3.6 en 3.7 is besproken, nog tegenover heeft gesteld volstaat niet. Zo heeft zij geen verklaring voor de door Eigen Haard geconstateerde inrichting van het gehuurde in mei 2012, die erop duidt dat dit niet als hoofdverblijf diende. Weliswaar heeft zij in eerste aanleg enkele foto’s overgelegd van het interieur van een woning (en verwijst zij in hoger beroep opnieuw naar deze foto’s), maar aan de hand hiervan kan niet worden vastgesteld dat zij aldaar wel haar hoofdverblijf hield. Ook uit de door [geïntimeerde] overgelegde bankafschriften waarop het adres van het gehuurde wordt vermeld, kan niet de conclusie worden getrokken dat [geïntimeerde] aldaar haar hoofdverblijf hield. Dat haar brievenbus uitpuilt van de post in 2013 hield, volgens [geïntimeerde] , verband met haar vakantie, maar zij heeft nagelaten hiervan een nadere onderbouwing over te leggen, hetgeen wel op haar weg had gelegen. Dat geldt ook voor het (zeer lage) gebruik van elektra: dat dit niet een gemiddeld gebruik is voor een gezin van drie personen bestrijdt zij, zonder dit nader te motiveren. Ten aanzien van de geconstateerde pieptoon van de rookmelder verweert [geïntimeerde] zich met de stelling dat haar nichtje sinds juli 2014 bij haar woont en dat dat nichtje nooit iets heeft gehoord. [geïntimeerde] zegt daarbij overigens niet, dat zij zelf de pieptoon nooit heeft gehoord. Het nichtje bevestigt een en ander in een bijgevoegde verklaring. Het gaat echter niet om wat het nichtje al dan niet kan verklaren maar om de vraag hoe [geïntimeerde] in het gehuurde kan verblijven terwijl er enige weken sprake was van een dergelijke pieptoon. In de door [geïntimeerde] overgelegde verklaringen wordt in de eerste plaats geen antwoord gegeven op voornoemde kwesties. Voorts blijkt uit de verklaringen niet, althans onvoldoende, dat [geïntimeerde] daadwerkelijk haar hoofdverblijf heeft (gehad) in het gehuurde, omdat daaruit met name niet blijkt wanneer de betrokkenen bij [geïntimeerde] op bezoek zijn geweest en op welke periode hun verklaring precies ziet.

3.12

Gezien het voorgaande is het hof in elk geval van oordeel dat [geïntimeerde] de concrete en onderbouwde stellingen van Eigen Haard dat [geïntimeerde] niet voortdurend haar hoofdverblijf heeft gehouden in het gehuurde onvoldoende gemotiveerd weersproken heeft, mede omdat het her en der tegenstrijdigheden bevat. Dit brengt mee dat aan bewijslevering niet wordt toegekomen.

3.13

In het onderhavige geval gaat het om een sociale huurwoning waarvoor een wachttijd van vele jaren geldt. Eigen Haard heeft - als toegelaten instelling als bedoeld in artikel 70 Woningwet - de verplichting te zorgen voor een rechtvaardige verdeling van haar schaarse sociale huurwoningen onder haar doelgroep, de financieel minder draagkrachtigen. Daarmee wordt een gewichtig belang van publieke aard gediend, waarmee het gebruik dat [geïntimeerde] van het gehuurde maakt onverenigbaar is. [geïntimeerde] is, alle omstandigheden in aanmerking nemend, tekortgeschoten in haar op artikel 7:213 BW gebaseerde verplichting zich als goed huurder jegens Eigen Haard te gedragen. Dit is een zodanig ernstige tekortkoming in de nakoming van haar verplichtingen als huurder dat de ontbinding van de tussen haar en Eigen Haard bestaande huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde gerechtvaardigd zijn.

3.14

De slotsom luidt dat de grieven slagen. Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd. De vordering van Eigen Haard tot ontbinding van de huurovereenkomst zal alsnog worden toegewezen. De vordering tot ontruiming is toewijsbaar in voege als hierna bepaald. [geïntimeerde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het geding in beide instanties, met nakosten.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, en opnieuw rechtdoende:

ontbindt de huurovereenkomst tussen partijen met betrekking tot de woonruimte staande en gelegen te Amsterdam aan de [adres] ;

veroordeelt [geïntimeerde] het gehuurde binnen vier weken na heden met allen die zich van harentwege daarin mochten bevinden te ontruimen, te verlaten en - onder afgifte van de sleutels en achterlating van al wat tot het gehuurde behoort - in behoorlijke staat ter vrije en algehele beschikking van Eigen Haard te stellen, welke ontruiming zo nodig door de deurwaarder bewerkstelligd kan worden met behulp van de sterke arm conform het in artikel 555 e.v. jo 444 Rv bepaalde;

veroordeelt [geïntimeerde] , voor zover de ontruiming door de deurwaarder dient te worden bewerkstelligd, in de kosten van ontruiming op vertoning van en conform de specificatie van die kosten in het proces-verbaal van ontruiming;

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van het geding in eerste aanleg en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de kant van Eigen Haard gevallen op € 206,45 aan verschotten en € 300,00 aan salaris gemachtigde;

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten in hoger beroep en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de kant van Eigen Haard gevallen, op € 783,15 aan verschotten, op € 2.682,00 aan salaris en op € 131,00 voor nasalaris van de advocaat, te vermeerderen met € 68,00 aan nasalaris van de advocaat en met de kosten van het betekeningsexploot, ingeval niet binnen een maand is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. D.J. van der Kwaak, L.A.J. Dun en M. J. Schaepman-de Bruijne en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2016