Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:615

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-02-2016
Datum publicatie
02-03-2016
Zaaknummer
200.175.611/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie, stiefouder, gelijke rang, omvang onderhoudsplicht stiefouder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2016-0062
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 23 februari 2016

Zaaknummer: 200.175.611/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/13/566912 / FA RK 14-4375 (LB/PS)

Beschikking van de meervoudige familiekamer

in de zaak in hoger beroep van:

[de man] ,

wonende te [a] ,

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. R.W.S. Nijman te Oegstgeest,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [b] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. C.S.M. Ruijgrok te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2.

De man is op 25 augustus 2015 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 27 mei 2015 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk C/13/566912 / FA RK 14-4375 (LB/PS). De man heeft op 24 september 2015 nadere stukken in het geding gebracht behorende tot het procesdossier van de eerste aanleg. Voorts heeft de man nog op 14 oktober 2015 stukken uit de eerste aanleg ingediend.

1.3.

De vrouw heeft op 13 oktober 2015 een verweerschrift ingediend en heeft daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.4.

De man heeft op 26 november 2015 een verweerschrift ingediend in het incidenteel hoger beroep van de vrouw.

1.5.

De vrouw heeft op 23 december 2015 nadere stukken ingediend; de man heeft op 29 december 2015 nadere stukken ingediend.

1.6.

De zaak is op 6 januari 2016 ter terechtzitting behandeld.

1.7.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door mr. S.V. de Jong, advocaat te Amsterdam.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn [in] 2000 gehuwd. Hun huwelijk is op 1 september 2008 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 6 augustus 2008 in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun voorhuwelijkse relatie is geboren [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ) [in] 1999. Partijen oefenen gezamenlijk het gezag uit over [de minderjarige] en [de minderjarige] verblijft sinds het uiteengaan van partijen bij de vrouw.

2.2.

Bij de echtscheidingsbeschikking van 6 augustus 2008 is bepaald dat het tussen partijen overeengekomen echtscheidingsconvenant wordt aangehecht en deel uitmaakt van de beschikking. In het echtscheidingsconvenant zijn partijen, voor zover thans van belang, een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] overeengekomen van € 375,- per maand en zijn partijen overeengekomen dat de bijdrage met ingang van 1 januari 2008 is onderworpen aan de wettelijke indexering.

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld

2.3.

Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1971. Hij is alleenstaand.

Hij is werkzaam in loondienst bij [B.V.] . Zijn fiscaal loon bedroeg volgens de jaaropgaven over 2007, 2013 en 2014 respectievelijk in die jaren € 60.153,-, € 61.554,- en € 61.679,-. De man maakt gebruik van een leaseauto van zijn werkgever.

2.4.

Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren [in] 1974. Zij is op [datum] 2013 gehuwd met de heer [x] (hierna: de stiefvader) en vormt met hem en [de minderjarige] een gezin.

Zij heeft van juni 2013 tot en met juni 2015 een ziektewetuitkering ontvangen. Haar fiscaal loon in dit verband bedroeg volgens de jaaropgave over 2014 in dat jaar € 7.534,-.

Zij ontvangt met ingang van 25 juni 2015 een WW-uitkering.

Zij heeft een eenmanszaak, [de onderneming] .

2.5.

Ten aanzien van de stiefvader is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1959. Hij heeft twee kinderen uit een eerdere relatie die niet meer thuis wonen.

Hij is werkzaam in loondienst bij [N.V.] Zijn fiscaal loon bedroeg volgens de salarisspecificaties van december 2013 en december 2014 in die jaren respectievelijk € 63.086,- en € 65.432,-.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is, met wijziging van de echtscheidingsbeschikking van 6 augustus 2008 en het daarbij als herhaald en ingelast beschouwde echtscheidingsconvenant in zoverre, een door de man met ingang van 19 september 2014 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] bepaald van € 454,- per maand.

3.2.

De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, een door hem met ingang van [datum] 2013 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] te bepalen van € 56,- per maand, althans de kinderbijdrage niet hoger vast te stellen dan € 177,- per maand.

3.3.

De vrouw verzoekt in principaal hoger beroep het door de man verzochte af te wijzen.

De vrouw verzoekt in incidenteel hoger beroep, met vernietiging van de bestreden beschikking, een door de man met ingang van 19 september 2014 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] te bepalen van € 532,- per maand.

3.4.

De man verzoekt in incidenteel hoger beroep het door de vrouw verzochte af te wijzen.

4 Beoordeling van het principaal en incidenteel hoger beroep

4.1.

Aan de orde is de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] . Partijen zijn verdeeld over de behoefte van [de minderjarige] , de draagkracht van de vrouw en de wijze waarop de kosten van [de minderjarige] dienen te worden verdeeld over partijen en de stiefvader. De draagkracht van de man en de draagkracht van de stiefvader zijn in hoger beroep niet aan de orde gesteld.

4.2.

De man is het niet eens met de door de rechtbank vastgestelde behoefte van [de minderjarige] . De man stelt dat zijn netto besteedbaar inkomen in 2007 € 2.830,- per maand bedroeg en dat van de vrouw € 1.099,- per maand, zodat het netto besteedbaar gezinsinkomen € 3.929,- per maand bedroeg. Volgens de man bedroeg de behoefte van [de minderjarige] op grond hiervan in 2008 € 599,- per maand, en na indexering € 661,81 per maand met ingang van 1 januari 2013. De man is subsidiair van mening dat het netto gezinsinkomen van partijen in 2007 € 4.206,- per maand bedroeg, hetgeen leidt tot een behoefte van [de minderjarige] in 2008 van € 641,- per maand en na indexering € 708,23 per maand met ingang van 1 januari 2013.

4.3.

De vrouw kan zich, op grond van de door de man ingediende stukken, verenigen met een netto besteedbaar inkomen van partijen ten tijde van hun uiteengaan van € 4.206,- per maand en een behoefte van [de minderjarige] van € 641,- per maand in 2008, na indexering € 714,- per maand met ingang van 1 januari 2014.

4.4.

Het hof overweegt als volgt. De man heeft zijn primaire stelling, dat het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen ten tijde van hun uiteengaan € 3.929,- per maand bedroeg, enkel met draagkrachtberekeningen onderbouwd, hetgeen gelet op de betwisting door de vrouw naar het oordeel van het hof onvoldoende is. Gelet hierop, en het gegeven dat de vrouw zich verenigt met het subsidiaire verzoek van de man, gaat het hof uit van een netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen ten tijde van hun uiteengaan van € € 4.206,- per maand, hetgeen na indexering leidt tot een behoefte van [de minderjarige] van € 714,- per maand met ingang van 1 januari 2014.

4.5.

De rechtbank heeft volgens de man ten onrechte geoordeeld dat de vrouw niet meer draagkracht heeft dan € 25,- per maand. De man stelt dat de vrouw onvoldoende inzage geeft in haar huidige en toekomstige inkomsten en haar verdiencapaciteit. De man stelt primair dat alle onderhoudsplichtigen een gelijk aandeel hebben, subsidiair dat aan de zijde van de vrouw rekening wordt gehouden met een modaal inkomen van € 35.000,- per jaar en een draagkracht van € 426,- per maand, dan wel dat aan de zijde van de vrouw rekening wordt gehouden met een verdiencapaciteit van € 19.550,- per jaar en een draagkracht van € 95,- per maand.

4.6.

De vrouw stelt dat zij alle financiële stukken met betrekking tot haar eenmanszaak in het geding heeft gebracht, hieruit blijkt dat de eenmanszaak in de jaren 2012, 2013 en 2014 een resultaat had van respectievelijk € 267,-, € 21,- en € 764,-. Uit de aangifte omzetbelasting voor het tweede kwartaal van 2015 blijkt dat de vrouw een omzet heeft gegenereerd van € 387,- en van een succesvol bedrijf is dan ook geen sprake. Ten aanzien van haar verdiencapaciteit stelt de vrouw dat zij in verband met een val tot en met juni 2015 een ziektewetuitkering heeft ontvangen en dat zij nog steeds dagelijks lichamelijke klachten heeft. Gelet op haar onzekere financiële situatie dient aan de zijde van de vrouw rekening te worden gehouden met een maximale draagkracht van € 25,- per maand, aldus de vrouw.

4.7.

Het hof is evenals de rechtbank van oordeel dat de vrouw voldoende met stukken heeft onderbouwd dat zij nauwelijks inkomsten heeft uit haar eenmanszaak. De vrouw heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat zij thans een WW-uitkering ontvangt, hetgeen ook blijkt uit een door haar overgelegd besluit tot toekenning van de WW-uitkering. Voorts heeft de vrouw erop gewezen dat zij gedeeltelijk arbeidsongeschikt is, maar dat haar aanvraag voor een WIA-uitkering is afgewezen, hetgeen ook blijkt uit een door de vrouw overgelegd besluit van het UWV van 16 oktober 2015. Daarnaast heeft de vrouw aangegeven dat zij rugklachten heeft in verband waarmee zij niet in aanmerking komt voor iedere vacature, maar dat zij breed solliciteert en op iedere relevante vacature reageert. Het hof is van oordeel dat de vrouw voldoende inzicht heeft gegeven in haar huidige inkomsten en verdiencapaciteit. Ook gaat het hof ervan uit dat zij zich voldoende inzet om haar verdiencapaciteit te benutten nu een en ander voorwaarde is voor het verkrijgen van een WW-uitkering en de vrouw bovendien tracht door middel van haar eenmanszaak inkomen te vergaren. Bij deze stand van zaken dient dan ook naar het oordeel van het hof ten aanzien van de draagkracht van de vrouw aansluiting te worden gezocht bij de feitelijke situatie van de vrouw. Dit leidt ertoe dat het hof aan de zijde van de vrouw rekening houdt met een minimale draagkracht en een aandeel in de kosten van [de minderjarige] van € 25,- per maand.

4.8.

De man stelt dat de rechtbank ten onrechte is afgeweken van het uitgangspunt dat (stief)ouders in beginsel een onderhoudsverplichting van gelijke rang hebben. De man is van mening dat de overwegingen van de rechtbank in dit verband niet te volgen zijn en dat ten onrechte mee wordt gewogen dat [de minderjarige] nauwelijks een band heeft met de stiefvader. De vrouw en de stiefvader hebben sinds 2005/2006 een relatie en zij leven sinds geruime tijd met [de minderjarige] in gezinsverband, aldus de man. Hieraan doet volgens de man niet af dat de stiefvader pas sinds [datum] 2013 een wettelijke onderhoudsplicht heeft jegens [de minderjarige] .

4.9.

De vrouw stelt dat het inkomen van de stiefvader buiten beschouwing moet worden gelaten nu partijen in staat zijn om gezamenlijk te voorzien in de kosten van [de minderjarige] . Van belang is dat de stiefvader relatief kort geleden onderhoudsplichtig is geworden jegens [de minderjarige] , dat hij nauwelijks is betrokken bij de opvoeding van [de minderjarige] en zij hem niet als vader beschouwt. De rechtbank is vrij om op grond van de redelijkheid en billijkheid een correctie toe passen in de verdeling van de kosten van [de minderjarige] en de vrouw kan zich verenigen met het oordeel van de rechtbank in dit verband.

4.10.

Het hof overweegt dat, gelet op het huwelijk van de vrouw en de stiefvader en het gegeven dat [de minderjarige] deel uitmaakt van het gezin van de stiefvader, de stiefvader ingevolge het bepaalde in artikel 1:395 van het Burgerlijk Wetboek onderhoudsplichtig is jegens [de minderjarige] . Wanneer de onderhoudsplicht van de stiefouder samenvalt met die van de ouder van het kind, zijn hun verplichtingen in beginsel van gelijke rang. Ten aanzien van de omvang van de onderhoudsverplichting van de stiefvader acht het hof het van belang dat de man de biologische vader is van [de minderjarige] , dat [de minderjarige] thans sinds enige jaren in gezinsverband leeft met de stiefvader, dat zowel de man als de stiefvader in staat is om volledig te voorzien in de kosten van [de minderjarige] en dat de inkomens van de man en de stiefvader nagenoeg gelijk zijn; evenzo de daarbij behorende draagkracht van de man en de stiefvader. Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat de kosten van [de minderjarige] , na aftrek van het aandeel van de vrouw van € 25,- per maand, gelijkelijk moeten worden verdeeld over de man en de stiefvader. Het aandeel van de man in de kosten van [de minderjarige] bedraagt dan € 345,- per maand.

4.11.

Ten aanzien van de zorgkorting overweegt het hof dat gebleken is dat er sinds 2014 geen contact meer heeft plaatsgevonden en dat [de minderjarige] elke vorm van contact weigert. Het hof ziet in het licht hiervan geen aanleiding om rekening te houden met zorgkorting.

4.12.

De man heeft in eerste aanleg nihilstelling althans verlaging van de kinderalimentatie verzocht, waarbij hij als ingangsdatum heeft aangehouden de datum van het huwelijk van de vrouw met haar nieuwe partner, althans de datum van indiening van het verzoekschrift.

Voor wat betreft de ingangsdatum zal het hof aanknopen bij de datum waarop de man in eerste aanleg zijn verzoekschrift bij de rechtbank heeft ingediend en 30 mei 2014 als ingangsdatum vaststellen voor de wijziging van de kinderalimentatie. De vrouw diende in ieder geval met ingang van die datum rekening te houden met een eventuele verlaging van de door haar te ontvangen kinderalimentatie.

4.13.

De slotsom van dit alles is dat, gelet op de feiten en omstandigheden die hiervoor zijn vermeld en van hetgeen hiervoor is overwogen, een door de man met ingang van 30 mei 2014 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] van € 345,- per maand in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven.

4.14.

Voor zover de man tot de datum van deze beschikking meer heeft betaald of meer op hem is verhaald dan de in 4.13 vermelde bijdrage zal het hof de verschuldigde bijdrage tot de datum van deze beschikking vaststellen op hetgeen door de man daadwerkelijk is betaald of op hem is verhaald nu bijdragen voor kinderen van maand tot maand plegen te worden verbruikt en voorts niet is gebleken dat de vrouw over substantiële financiële reserves beschikt om het teveel betaalde of verhaalde te kunnen terugbetalen.

4.15.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

in principaal en incidenteel hoger beroep:

bepaalt, met wijziging van de echtscheidingsbeschikking van 6 augustus 2008 en het daarbij als herhaald en ingelast beschouwde echtscheidingsconvenant in zoverre, de door de man met ingang van 30 mei 2014 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] op een bedrag van € 345,- per maand, met dien verstande dat, voor zover de man meer heeft betaald dan wel op hem is verhaald, de bijdrage tot de datum van deze beschikking wordt vastgesteld op de bedragen die door de man daadwerkelijk zijn betaald dan wel op hem zijn verhaald;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R.G. Kemmers, H.A. van den Berg en M. Perfors in tegenwoordigheid van mr. S.E. Harenberg als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2016.