Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:5895

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-03-2016
Datum publicatie
30-07-2018
Zaaknummer
23-003569-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Café-eigenaar veroordeeld ter zake van poging tot zware mishandeling door het slachtoffer met een staaf op het hoofd te slaan. Vrijspraak zware mishandeling. Letsel kan niet worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel a.b.i. art. 82 Sr.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-003569-14

datum uitspraak: 29 maart 2016

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 11 september 2014 in de strafzaak onder parketnummer 13-706113-14 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1975,

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

20 april 2015, 28 augustus 2015 en 15 maart 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

primair:
hij op of omstreeks 02 februari 2014 te Amsterdam aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel te weten een (zware) hersenschudding en/of een hoofdwond, heeft toegebracht, door voornoemde [slachtoffer] met dat opzet (met kracht) (een of meermalen) met een zaklamp en/of een (ijzeren/houten) staaf, althans een (hard) voorwerp, op zijn (achter)hoofd te slaan;

subsidiair:
hij op of omstreeks 02 februari 2014 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] (met kracht) (een of meermalen) met een zaklamp en/of een (ijzeren/houten) staaf op zijn (achter)hoofd heeft geslagen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring en strafoplegging komt dan de rechtbank.

Vrijspraak

Anders dan de advocaat-generaal en in afwijking van de rechtbank is het hof van oordeel dat letsel dat aan aangever [slachtoffer] (hierna ook: [slachtoffer]) is toegebracht, op basis van het voorliggende dossier niet kan worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel als bedoeld in artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht. Daarbij overweegt het hof nog in het bijzonder dat de in eerste aanleg ter terechtzitting gedane constatering dat [slachtoffer] aan de zijkant van diens hoofd boven diens oor een zichtbare snee heeft, die kwalificatie niet kan rechtvaardigen, ook niet als daarbij wordt betrokken dat hij zijn haar kort draagt. Derhalve acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 2 februari 2014 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] met kracht met een staaf op zijn hoofd heeft geslagen.

Hetgeen subsidiair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in bewijsmiddelen zijn vervat.

Bewijsmiddelen

1. Een proces-verbaal aangifte met nummer PL132K-2014028313-1 van 2 februari 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar P. Wiering (doorgenummerde pagina 1-3).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op genoemde datum tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [slachtoffer]:

Op 2 februari 2014 besloten mijn neef [getuige] [het hof begrijpt: [getuige]] en ik naar [cafe] te gaan aan de [adres 2].

De eigenaar zei dat wij moesten oprotten. Wij werden door een Surinaamse man naar buiten gedirigeerd. Ik stond buiten voor het café. Opeens voelde ik een harde klap op mijn hoofd. Ik werd geraakt door een voorwerp. Ik voelde een pijnscheut door mijn hoofd gaan. Ik zag de Surinaamse man een persoon het café naar binnen duwen. Ik hoorde de Surinaamse man zeggen: ‘Wat doe je, dit is je café.’ Ik werd duizelig en ben even bewusteloos geweest.

2. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 21 maart 2014, voor zover van belang en zakelijk weergegeven inhoudende:

U houdt mij de aangifte voor. Ik ben inderdaad de exploitant van [cafe].

3. De verklaring van de getuige [getuige], afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van

28 augustus 2014, alwaar de verdachte blijkens het proces-verbaal dat van die terechtzitting is opgemaakt, ook aanwezig was.

Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Ik was met [slachtoffer], mijn neef, in [cafe]. Mijn neef en ik liepen naar buiten. Voordat ik het wist kreeg mijn neef een klap op zijn hoofd. Hij is geslagen aan de zij kant van het hoofd, schuin boven het linker oor. Het was donker dus ik weet niet meer of het met een staaf of een stuk [het hof begrijpt: stok] was. Degene die sloeg ging gelijk [weer] met het voorwerp naar binnen. Ik heb gezien dat hij is geslagen door de hier aanwezige verdachte.

4 Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL132K-2014028313-5 van 2 februari 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en

[verbalisant 2] (doorgenummerde pagina’s 9-10).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van verbalisanten:

Op 2 februari 2014 omstreeks 3.38 uur hoorden wij de melding dat er in de [adres 2], bij [cafe], een man op zijn hoofd zou zijn geslagen met een knuppel. Ter plaatse zagen wij [naam] staan. Wij zagen dat er een man met een flinke bloedende wond op zijn hoofd naast hem stond. Wij hoorden [naam] het volgende verklaren: “Ik zag dat het slachtoffer naast [cafe] stond. Ik zag dat de eigenaar plotseling snel het café in liep en snel weer naar buiten kwam met een zwart voorwerp in zijn handen. Het was een zwarte staaf van ongeveer 30 centimeter lang. Ik zag dat de eigenaar op het slachtoffer afliep. Ik zag dat de eigenaar van het café met de zwarte staaf sloeg op het hoofd van het slachtoffer. Ik zag dat het slachtoffer op de grond viel”.

Wij, verbalisanten, zagen vervolgens dat [verdachte], de voordeur van het café opende. Wij sommeerden [verdachte] onze kant op te komen lopen. Wij hoorden [naam] het volgende roepen: “Ja, die man heeft het slachtoffer geslagen”.

5. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL132J-2014028313-4 van 2 februari 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] (doorgenummerde pagina’s (13-14).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van van [getuige]:

Op 2 februari 2014 liep ik met [slachtoffer] [het hof begrijpt: [slachtoffer]] over de [adres 2]. Bij het café stonden we stil. Direct kwam de man van het café naar buiten en sloeg [slachtoffer] op zijn hoofd. Ik zag dat hij een grote ijzeren of houten staaf vast had.

De staaf was ongeveer 30 of 40 centimeter. De man van het café kwam vanaf de linkerkant van [slachtoffer] aanlopen en sloeg toen met een staaf op zijn hoofd. Ik zag dat hij zijn hand naar achteren bracht en met veel kracht naar voren bracht. De staaf raakte daarbij het hoofd van [slachtoffer]. Ik zag dat er heel veel bloed uit het hoofd van [slachtoffer] kwam. Ik zag dat de man van het café weer het café inliep.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het subsidiair bewezen verklaarde levert op:

poging tot zware mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder primair bewezen verklaarde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, met een proeftijd van 2 jaren, alsmede tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 160 uren, subsidiair 80 dagen hechtenis waarvan 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door iemand met een staaf hard op het hoofd te slaan. Hiermee heeft hij op onaanvaardbare wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het slachtoffer heeft van het door hem opgelopen letsel nog geruime tijd last gehad en ook de nadelige psychische gevolgen van het incident ondervonden.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 2 maart 2016 is de verdachte eerder onherroepelijk veroordeeld, zij het voor andersoortige delicten.

Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.391,96. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.691,96. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de vordering zal toewijzen tot een bedrag van

€ 1.691,96 en aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht zal opleggen.

De verdachte heeft ontkent het feit waardoor de schade is veroorzaakt te hebben begaan. De omvang van de schade is op zichzelf niet betwist.

Het hof stelt vast dat de benadeelde partij als gevolg van het subsidiair bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade met een omvang van € 691,96 heeft geleden, gelet op de gemotiveerde, en door de verdediging niet betwiste, stellingen van de benadeelde partij.

Dit deel van de vordering ligt dan ook voor toewijzing gereed.

Verder is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het subsidiair bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden, eveneens gelet op de gemotiveerde, door de verdediging niet betwiste, stellingen van de benadeelde partij.

Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar maatstaven van billijkheid schatten op € 1.000 waarbij in het bijzonder is gelet de omstandigheid dat de benadeelde, zo komt naar voren uit haar toelichting op de vordering en het verhandelde op de zitting in eerste aanleg, zich in een ziekenhuis onder behandeling heeft moeten stellen, enige tijd zijn normale bezigheden niet heeft kunnen uitoefenen, langere tijd heeft moeten kampen met hoofpijn en aan het bewezenverklaarde een litteken aan de zijkant van het hoofd heeft overgehouden.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 22c, 22d, 36f, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.691,96 (duizend zeshonderdeenennegentig euro en zesennegentig cent) bestaande uit € 691,96 (zeshonderdeenennegentig euro en zesennegentig cent) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 2 februari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 2 februari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd

[slachtoffer], ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.691,96 (duizend zeshonderdeenennegentig euro en zesennegentig cent) bestaande uit € 691,96 (zeshonderdeenennegentig euro en zesennegentig cent) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 26 (zesentwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 2 februari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 2 februari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.A.M. Hoek, mr. J.J.I. de Jong en mr. M. Iedema, in tegenwoordigheid van

mr. P.M. Huizenga, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof

van 29 maart 2016.

Mr. J.J.I. de Jong is buiten staat het arrest mede te ondertekenen.

[…]