Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:5886

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-12-2016
Datum publicatie
21-03-2018
Zaaknummer
23-000141-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof verwerpt het verweer van de raadsman tot bewijsuitsluiting. De bevoegdheid om de auto te doorzoeken is onjuist verantwoord, maar de verbalisanten mochten op grond van strafvorderlijke bevoegdheden de auto doorzoeken. Vrijspraak van opzetheling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-000141-16

datum uitspraak: 13 december 2016

TEGENSPRAAK (gemachtigde raadsman)

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 8 januari 2016 in de strafzaak onder parketnummer

15-222108-15 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,

adres: thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

29 november 2016.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

primair:
hij op of omstreeks 1 november 2015 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, in elk geval eenmaal, telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen de hierna te noemen goederen en/of geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de hierna te noemen rechthebbenden, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s):

- in/uit de [bedrijf 1], gelegen aan het [adres 1], diverse goederen waaronder monddoekjes en/of spenen en/of een luiertas en/of fopspenen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de [bedrijf 1] en/of

- in/uit [bedrijf 2], gelegen aan [adres 2], negentien, althans een of meerdere broeken, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 2] en/of

- in/uit de [bedrijf 3], gelegen aan [adres 3], vier jassen en/of drie topjes en/of een of meerdere paraplu's, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de [bedrijf 3] en/of

- in/uit [bedrijf 4], gelegen aan [adres 4], zeven jassen en/of een muts, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 4];

subsidiair:
hij op of omstreeks 1 november 2015 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

- diverse baby spullen (o.a. monddoekjes, spenen, een luiertas) en/of kledingstukken (o.a. broeken, jassen) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die goederen wist(en) dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Vordering van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het subsidiair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken met aftrek van het voorarrest.

Bespreking van een in hoger beroep gevoerd verweer

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de doorzoeking van de auto onrechtmatig was en dat het bewijs dat als gevolg van dit onderzoek is verkregen uitgesloten dient te worden van het bewijs.

Het hof overweegt als volgt. Op 1 november 2015 omstreeks 15:57 uur hebben verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] een melding gekregen om naar een kruising te gaan, direct geleden naast een winkelcentrum in Hoofddorp. Daar zouden drie mannen bezig zijn om allerlei tassen in de kofferbak te zetten van een voertuig met kentekennummer [kenteken]. Het zou gaan om getinte personen met donkere jassen aan. De melder had vermoeden dat het mogelijk zou gaan om gestolen goederen.

Omstreeks 16:45 uur zag [verbalisant 2] twee mannen gehaast aan komen lopen uit de richting van het winkelcentrum en zag dat zij de achterportieren openden en diverse tassen in het voertuig legden. De mannen stapten in de auto en reden met een behoorlijke snelheid weg. De verbalisanten besloten het voertuig stil te houden teneinde een identiteitsbewijs van de bestuurder te vorderen.

Nadat de verdachte, die de auto bestuurde, zijn identiteitskaart aan de verbalisanten had gegeven, werd door de verbalisanten in de politiesystemen gezien dat de verdachte het afgelopen jaar was aangehouden voor heling van goederen afkomstig van diefstal en diverse malen voor het bezit van geprepareerde tassen. Vervolgens heeft verbalisant [verbalisant 1] het voertuig onderzocht op de aanwezigheid van voorwerpen om het plegen van winkeldiefstal te vergemakkelijken. In het proces-verbaal van bevindingen wordt vermeld dat de verbalisant het voertuig heeft onderzocht op grond van artikel 5.19 van de Algemene Wet Bestuursrecht en artikel 2.44 van de Algemene Plaatselijke Verordening Haarlemmermeer.

Naar het oordeel van het hof is de bevoegdheid om de auto te doorzoeken door de verbalisant onjuist verantwoord. Uit het voorgaande blijkt echter dat sprake is geweest van voldoende verdenking van schuld aan een strafbaar feit, zodat de verbalisanten op grond van strafvorderlijke bevoegdheden de auto hebben mogen doorzoeken. Het hof verwerpt het verweer van de raadsman tot bewijsuitsluiting.

Vrijspraak

Het hof is, anders dan de advocaat-generaal, met de raadsman van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden hetgeen de verdachte primair en subsidiair is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Zoals eerder omschreven kreeg de politie op 1 november 2015 de melding dat drie mannen bezig waren om tassen in de kofferbak te zetten van een voertuig met kentekennummer [kenteken]. De verbalisant [verbalisant 2] zag omstreeks 16:45 uur twee mannen gehaast uit de richting van het winkelcentrum lopen en zag dat zij de achterportieren openen en diverse tassen in het voertuig legden. De verdachte was bestuurder van dit voertuig. Op de achterbank werden diverse rugtassen en een jas aangetroffen met daarin een prijskaartje. In de kofferbak lag een grote hoeveelheid kleding met prijslabels, waarvan op veel kleding nog een alarmlabel werd aangetroffen. De verkoopwaarde van de goederen bedraagt ongeveer € 2000,00 en in het voertuig is geen enkele aankoopbon teruggevonden. De verdachte heeft geen verklaring gegeven voor de aangetroffen goederen in het voertuig.

Ondanks het feit dat bovengenoemde omstandigheden uitermate verdacht zijn, is het hof van oordeel dat er onvoldoende bewijs is dat de verdachte wetenschap had van de goederen in de kofferbak en dat deze goederen door misdrijf verkregen waren.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.A. Hartsuiker, mr. M.F.J.M. de Werd en mr. J.H. de Graaf, in tegenwoordigheid van

mr. G.G. Gielen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

13 december 2016.

De jongste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.