Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:588

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-02-2016
Datum publicatie
25-02-2016
Zaaknummer
23-001132-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Poging tot diefstal in vereniging, waarbij de toegang is verschaft door middel van braak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-001132-15

datum uitspraak: 16 februari 2016

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 6 maart 2015 in de strafzaak onder parketnummer 13-017774-15 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,

adres: [adres],

thans uit anderen hoofde gedetineerd in PI Utrecht - HvB locatie Nieuwegein te Nieuwegein.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 2 februari 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 28 januari 2015 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een (kantoor)pand (gelegen aan de Utrechtsestraat) weg te nemen geld en/of goederen van zijn/hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot dat pand te verschaffen en/of die/dat weg te nemen geld en/of goederen van zijn/hun gading onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen naar dat pand is/zijn gegaan en/of (met een breek en/of hard voorwerp) het slot van een (toegangs)deur van dat pand heeft/hebben geforceerd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 28 januari 2015 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een pand, gelegen aan de Utrechtsestraat, weg te nemen geld en/of goederen van hun gading, toebehorende aan [bedrijf], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zijn mededader, en zich daarbij de toegang tot dat pand te verschaffen door middel van braak, met zijn mededader naar dat pand is gegaan en met een hard voorwerp het slot van een toegangsdeur van dat pand heeft geforceerd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg ten laste gelegde bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 weken.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 weken, met aftrek van de tijd die in voorarrest is doorgebracht.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep het verweer gevoerd dat de aanhouding van de verdachte onrechtmatig was, waardoor sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, hetgeen tot een lagere strafoplegging zou dienen te leiden. De raadsman heeft daartoe gesteld dat op het moment van aanhouding geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit. Dat de verdachte en een ander ’s nachts in de Utrechtsestraat in de richting van hun snorfiets renden, met die snorfiets wegreden en zich vervolgens uit de voeten maakten toen de snorfiets door de verbalisanten was klem gereden was onvoldoende om hen als verdachten aan te merken. Bovendien is door het klem rijden van de snorfiets door de verbalisanten tamelijk grof geweld aangewend jegens de verdachte, hetgeen eveneens dient mee te wegen bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de aanhouding, aldus de raadsman.

Het hof gaat uit van de volgende feiten, zoals uit de stukken van het dossier, in het bijzonder het proces-verbaal van bevindingen (doorgenummerde dossierpagina’s 4-6), is gebleken. De verbalisanten zagen omstreeks 03.29 uur in de Utrechtsestraat te Amsterdam, ter hoogte van [bedrijf], twee personen wegrennen met blijkbaar zeer veel haast. Deze personen bleken later de verdachte en [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte]) te zijn. [medeverdachte] had tijdens het rennen een gestreepte tas in zijn hand. De verdachte en [medeverdachte] renden naar een snorfiets die achter een grote plantenbak, enigszins uit het zicht, geparkeerd stond. De verdachte en [medeverdachte] renden in één rechte lijn naar de snorfiets, gingen op de snorfiets zitten en reden weg. Zij keken om in de richting van de verbalisanten, keerden de snorfiets en reden zonder gas terug te nemen in de richting van de verbalisanten, maar aan de andere zijde van de straat. De verbalisanten maakten hieruit op dat de verdachte en [medeverdachte] trachtten aan hen te ontkomen. Hierop stuurden de verbalisanten het dienstvoertuig richting de andere zijde van de straat en stopten daar het dienstvoertuig teneinde de doorgang te blokkeren. De verdachte en [medeverdachte] probeerden niettemin langs het dienstvoertuig te rijden maar raakten met de snorfiets het dienstvoertuig en kwamen klem te zitten tussen dat voertuig en een zogeheten “Amsterdammertje”. Zij sprongen van de snorfiets en renden weg, waarbij de snorfiets met draaiende motor werd achtergelaten. De verbalisanten hebben de achtervolging ingezet. De verdachte werd geknield achter een geparkeerde auto gezien. Nadat de verdachte opnieuw trachtte weg te rennen werd hij aangehouden.

Naar oordeel van het hof konden de verbalisanten aan deze feiten en omstandigheden redelijkerwijze een vermoeden van schuld aan een strafbaar feit ontlenen en is de verdachte terecht als zodanig door hen aangemerkt en vervolgens aangehouden. Het hof merkt het klem rijden van de snorfiets niet aan als het aanwenden van zodanig geweld jegens de verdachte dat dit dient mee te wegen in de beoordeling van de rechtmatigheid van de aanhouding, nu het hof uit bovengenoemde feiten en omstandigheden afleidt dat de verbalisanten niet buitenproportioneel hebben gehandeld en de verdachte en [medeverdachte] bewust het risico hebben genomen om met de snorfiets tegen het dienstvoertuig aan te rijden.

Het hof is derhalve van oordeel dat er geen sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering en verwerpt het verweer van de raadsman.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich met een ander schuldig gemaakt aan een poging tot diefstal uit een bedrijfspand. Daarbij is schade aan de toegangsdeur van het pand veroorzaakt. Hierdoor heeft de verdachte ervan blijk gegeven dat hij geen respect heeft voor het eigendomsrecht van anderen. Dergelijke feiten veroorzaken hinder en financiële schade voor het betrokken bedrijf en zorgen tevens voor gevoelens van onveiligheid in de samenleving.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 20 januari 2016 is de verdachte eerder voor soortgelijke vermogensdelicten onherroepelijk veroordeeld, hetgeen in zijn nadeel weegt. Nu het bij een poging tot diefstal is gebleven komt het hof, evenals de advocaat-generaal, tot een iets lagere straf dan door de politierechter was opgelegd.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 45 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) weken.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.D.R.M. Boumans, mr. C.N. Dalebout en mr. M.L.M. van der Voet, in tegenwoordigheid van J.G.W.M. Lut, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 16 februari 2016.

Mr. Boumans is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[....]