Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:585

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-02-2016
Datum publicatie
25-02-2016
Zaaknummer
200.171.297/01 NOT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Klacht tegen een notaris. Klagers verwijten de notaris (in zijn algemeenheid) dat hij zich op verschillende momenten schuldig heeft gemaakt aan eenzijdige belangenbehartiging, althans de schijn van eenzijdige belangenbehartiging heeft gewekt en dat hij niet als onafhankelijk notaris heeft gehandeld. Eén klachtonderdeel ziet op het handelen van de notaris bij de totstandkoming van het testament van erflaatster (stiefmoeder van klagers). De notaris had nader onderzoek moeten doen naar haar wil, aldus klagers.

De kamer heeft de klacht van klagers deels gegrond verklaard (in ieder geval gegrond ten aanzien van handelen notaris testament erflaatster) en de maatregel van berisping opgelegd.

Het hof verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer : 200.171.297/01 NOT

nummer eerste aanleg : 14-68

beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 23 februari 2016

inzake

mr. [naam] ,

notaris te [plaats] ,

appellant,

tegen

1. [naam] ,

2. [naam] ,

beiden wonend te [plaats]

geïntimeerden,

gemachtigde: [naam] te [plaats] .

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellant (hierna: de notaris) heeft op 11 juni 2015 een beroepschrift - met bijlagen - bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort Den Haag (hierna: de kamer) van 13 mei 2015 (ECLI:NL:TNORDHA:2015:12). De kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht van geïntimeerden (hierna: klagers) op twee (sub)onderdelen ongegrond en op drie (sub)onderdelen gegrond verklaard en de notaris de maatregel van berisping opgelegd.

1.2.

Op 12 juni 2015 heeft het hof een aanvullend stuk van de notaris ontvangen.

1.3.

Klagers hebben op 15 juli 2015 een verweerschrift - met bijlagen - bij het hof ingediend.

1.4.

De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 10 december 2015. De notaris en de gemachtigde van klagers zijn verschenen en hebben het woord gevoerd; de notaris aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota.

2 Stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3 Feiten

3.1.

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van die feiten bezwaar gemaakt. Het hof zal hiermee (voor zover relevant) bij de beoordeling rekening houden.

3.2.

Kort gezegd gaat het in deze zaak om het volgende.

3.2.1.

Op 12 augustus 2008 heeft mr. [huisnotaris] , notaris te [plaats] , een testament gepasseerd van de stiefmoeder van klagers (hierna: erflaatster). In dit testament heeft erflaatster haar vier zussen, haar broer en haar stiefdochter, klaagster 2, benoemd tot haar erfgenamen, ieder voor een gelijk deel. Erflaatster heeft haar zus [naam] (hierna: [zus X] ) benoemd tot executeur-afwikkelingsbewindvoerder.

3.2.2.

Op 5 juli 2013 heeft voornoemde notaris een nieuw testament van erflaatster gepasseerd. In dit testament heeft erflaatster een aantal percelen (gras-)land gelegateerd aan klager 1. In het testament staat daarover onder meer het volgende:

“1. Legaat percelen (gras-)land

(..)

Ik maak dit legaat ter voldoening aan een natuurlijke verbintenis omdat mijn stiefzoon altijd zonder noemenswaardige vergoeding in het bedrijf van mijn vooroverleden echtgenoot heeft gewerkt en deze percelen thans reeds in gebruik heeft.”

Voorts heeft erflaatster haar zus, [naam] (hierna: [zus Y] ), benoemd tot executeur. De benoeming van [zus X] tot executeur-afwikkelingsbewindvoerder is daarmee komen te vervallen. Erflaatster heeft geen wijziging gebracht in de benoeming van haar erfgenamen.

3.2.3.

Bij testament van 24 juli 2013, verleden door de notaris, heeft erflaatster alle eerder door haar gemaakte uiterste wilsbeschikkingen herroepen en haar vier zussen, haar broer en klaagster 2 benoemd tot haar erfgenamen, ieder voor een gelijk deel. Verder is bij dit testament het legaat aan klager 1 komen te vervallen en heeft erflaatster haar beide zussen, [zus X] en [zus Y] , tot executeur-afwikkelingsbewindvoerders benoemd.

3.2.4.

Op 16 november 2013 is erflaatster op 82-jarige leeftijd overleden.

3.2.5.

De ochtend van 11 juni 2014 zou de notaris twee notariële akten verlijden. Bij de eerste akte zouden de percelen grond (die bij testament van 5 juli 2013 aan klager 1 waren gelegateerd) door de erfgenamen worden toegedeeld en geleverd aan klaagster 2 als mede-erfgenaam en bij de tweede akte zou klaagster 2 een deel van die percelen ten titel van verkoop doorleveren aan [naam] (hierna: [de heer Z] ). Klaagster 2 zou de gelden die zij van [de heer Z] zou ontvangen gebruiken om de schuld wegens overbedeling aan de andere erfgenamen in verband met de toedeling van de percelen grond aan haar te kunnen betalen.

3.2.6.

Klager 1 heeft in de ochtend van 11 juni 2014, vóórdat de eerste akte zou worden verleden, conservatoir beslag laten leggen onder de notaris ten laste van de erfgenamen op de verkoopopbrengst van de percelen grond. Later die dag is aan de notaris schriftelijk bericht dat het beslag als opgeheven kon worden beschouwd.

3.2.7.

Vervolgens heeft de notaris beide akten in de middag van 11 juni 2014 gepasseerd. Voor het passeren van de eerste akte hadden de overige erfgenamen een volmacht afgegeven. Ter gelegenheid hiervan is in aanwezigheid van klaagster 2, haar beide zussen en [de heer Z] op het kantoor van de notaris gezegd dat ‘de verdeling en juridische levering plaatsvinden onder de voorwaarde dat er die week geen beslag gelegd zou worden’.

3.2.8.

Op 12 juni 2014 heeft klager 1 opnieuw beslag laten leggen onder de notaris.

3.2.9.

Bij e-mailbericht van 17 juni 2014 heeft de notaris aan klaagster 2 en [de heer Z] het volgende medegedeeld:

“De leveringen hebben vorige week plaatsgevonden onder de voorwaarde dat er geen beslag gelegd zou worden. Zoals bij u bekend is er toch beslag gelegd.

Ik nodig u uit voor een gesprek bij mij op kantoor om de consequenties te bespreken en te onderzoeken of dit probleem opgelost kan worden.”

4 Standpunt van klagers

Klagers verwijten de notaris dat hij zich op verschillende momenten schuldig heeft gemaakt aan eenzijdige belangenbehartiging, althans de schijn van eenzijdige belangenbehartiging heeft gewekt en dat hij niet als een onafhankelijk notaris heeft gehandeld. Meer specifiek verwijten klagers de notaris het volgende.

i. De notaris heeft onzorgvuldig gehandeld bij de totstandkoming van het testament van 24 juli 2013. Hij had nader onderzoek moeten doen naar de wil van erflaatster.

ii. De notaris heeft intimiderend, onbehoorlijk en partijdig gehandeld jegens klagers. Hij heeft klager 1 op intimiderende wijze gedwongen om het op 11 juni 2014 gelegde beslag op te heffen (subonderdeel ii.a). Daarnaast heeft hij ongeoorloofde druk uitgeoefend op klaagster 2 en haar beide zussen tijdens het passeren van beide akten. Zo heeft hij hen gedwongen te beloven dat er de daarop volgende dagen / week geen beslag meer gelegd zou worden op de verkoopopbrengst van de percelen grond, hetgeen zij onder druk hebben toegezegd (subonderdeel ii.b). Verder heeft hij telefonisch bedreigingen geuit jegens de dochter van klaagster 2 en haar beide zussen (subonderdeel ii.c).

iii. De inhoud van de door de notaris verzonden e-mail van 17 juni 2014 (gedeeltelijk geciteerd onder 3.2.9.) is intimiderend en geeft blijk van partijdigheid.

iv. De notaris heeft zijn beroepsgeheim geschonden door bovenvermelde e-mail ook aan [de heer Z] te sturen. [de heer Z] had immers niets van doen met de tweede beslaglegging en was daarvan ook niet op de hoogte.

5 Standpunt van de notaris

De notaris heeft verweer gevoerd. Het standpunt van de notaris wordt, voor zover relevant, hieronder besproken.

6 Beoordeling

Klachtonderdeel i.

6.1.

Klagers hebben bij de kamer aan hun klacht – zakelijk weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd. Erflaatster had in 2013 een slechte fysieke en mentale conditie. Zij was een oude, kwetsbare vrouw en was op eenvoudige wijze te beïnvloeden. Het was niet haar wil om het legaat aan klager 1 te laten vervallen. De notaris heeft te haastig en zonder de zorgvuldigheidsvereisten in acht te nemen het testament van 5 juli 2013 (opgesteld door de huisnotaris van erflaatster, hierna te noemen: [huisnotaris] ) gewijzigd. De zussen van erflaatster hebben een grote rol gespeeld bij de totstandkoming van het op 24 juli 2013 verleden testament van erflaatster.

6.2.

De kamer heeft geoordeeld dat de notaris het “Stappenplan Beoordeling Wilsbekwaamheid ten behoeve van de notariële dienstverlening” van de KNB (hierna: het Stappenplan) niet correct heeft gevolgd en nader onderzoek had moeten verrichten naar de wilsbekwaamheid van erflaatster. Naar het oordeel van de kamer had de notaris – kort samengevat – erflaatster nog enige bedenktijd moeten gunnen (enige noodzaak tot passeren op 24 juli 2013 bestond er niet), had hij wellicht contact moeten opnemen met [huisnotaris] voor overleg en had hij meer op zijn hoede moeten zijn nu één van de erfgenamen van erflaatster zich tot hem had gewend en hem instructies had gegeven over de door erflaatster gewenste wijzigingen in het testament.

6.3.

Het hof stelt in dit verband het volgende voorop. Als uitgangspunt geldt dat iedereen aan wie op grond van de wet de bekwaamheid daartoe niet is ontzegd, bij testament uiterste wilsbeschikkingen kan maken. Een notaris dient daaraan in beginsel zijn ministerie te verlenen en moet op verlangen van een testateur doen wat is vereist om diens uiterste wilsbeschikkingen in een testament vast te leggen. Zoals bij elke akte moet de notaris de wilsbekwaamheid van de betrokkene beoordelen. Het komt daarbij in eerste instantie aan op de eigen waarneming van de notaris, die daarvoor een redelijke beoordelingsvrijheid toekomt. Bij gerede twijfel aan de wilsbekwaamheid is in het algemeen verder onderzoek aangewezen. Het Stappenplan biedt hiervoor een handreiking.

6.4.

De notaris heeft over de omstandigheden van het onderhavige geval – samengevat weergegeven – het volgende verklaard. Erflaatster wilde het testament van 5 juli 2013 wijzigen en heeft haar zus [zus Y] verzocht daarvoor de notaris (die vaker diensten had verricht voor erflaatster) te benaderen. Erflaatster wilde – overeenkomstig het bepaalde in haar testament uit 2008 – het legaat aan klager 1 laten vervallen en [zus X] en [zus Y] benoemen tot executeur-

afwikkelingsbewindvoerder. De notaris is op 24 juli 2013 naar het huis van erflaatster gegaan om het door hem opgemaakte testament (aan de hand van de instructies van [zus Y] ) te bespreken met erflaatster. [zus Y] en haar echtgenoot waren op het moment dat de notaris arriveerde bij erflaatster thuis. De notaris heeft bijna een uur met erflaatster gesproken over het nieuwe testament zonder dat [zus Y] en haar echtgenoot daarbij aanwezig waren (zij waren gaan wandelen). Erflaatster heeft de notaris tijdens dat gesprek te kennen gegeven dat zij niet afhankelijk was van [zus Y] en heeft bevestigd dat zij [zus Y] had gevraagd contact met de notaris op te nemen om haar testament te wijzigen. Erflaatster was goed in staat om haar wensen kenbaar te maken. Hoewel erflaatster moeizaam sprak, kon zij met knikken en het geven van korte antwoorden duidelijk aangeven wat zij wilde en wat haar bedoeling was. Voor de notaris bestond geen twijfel dat erflaatster haar wil kon bepalen. Op de vragen van de notaris of contact mocht worden opgenomen met [huisnotaris] , of zij nog even wilde nadenken over de wijzigingen en of zij de tekst van het nieuwe testament nog wilde vergelijken met het testament uit 2008, gaf erflaatster te kennen dat zij dat niet wilde. Eveneens gaf zij aan de notaris te kennen dat zij het niet nodig vond om een tweede gesprek te plannen. Zij had over de wijzigingen al goed nagedacht. De notaris is vervolgens tot het passeren van het testament overgegaan. Hierbij was alleen erflaatster aanwezig.

6.5.

Uit het relaas van de notaris blijkt dat hij met voldoende zorgvuldigheid zich ervan heeft vergewist dat erflaatster bekwaam was om haar wil te bepalen ten aanzien van het testament van 24 juli 2013. Er zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd of aannemelijk geworden die reden geven om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van het relaas. Naar het oordeel van het hof is daarmee voldoende aannemelijk geworden dat de notaris voldoende alert is geweest op de wilsbekwaamheid van erflaatster en dat hij geen aanleiding had om aan die wilsbekwaamheid van erflaatster te twijfelen. Dat erflaatster een slechte fysieke en mentale conditie had en al op hoge leeftijd was, behoefden in het onderhavige geval voor de notaris geen reden te zijn om nader onderzoek naar de wil van erflaatster te doen. De betrokkenheid van zus [zus Y] en het feit dat erflaatster een aantal weken eerder een nieuw testament bij een andere notaris had laten passeren, waren voor de notaris redenen om bij het opmaken en het passeren van het testament de nodige zorgvuldigheid te betrachten, maar doet aan de wilsbekwaamheid van erflaatster niet af. De notaris heeft deze omstandigheden overigens uitdrukkelijk met erflaatster besproken. Dat erflaatster gemakkelijk te beïnvloeden was, is een vermoeden van klagers, maar is niet aannemelijk geworden. In elk geval is niet aannemelijk dat erflaatster door enige beïnvloeding niet meer in staat zou zijn geweest zelfstandig haar wil te bepalen. Het hof acht klachtonderdeel i. in tegenstelling tot de kamer ongegrond.

Klachtonderdeel ii.

subonderdeel ii.a

6.6.

Evenals de kamer is het hof van oordeel dat van ongeoorloofde druk van de notaris op klager 1 niet is gebleken. Het hof neemt de gronden daartoe van de kamer over en maakt deze tot de zijne.

subonderdelen ii.b en ii.c

6.7.

Het verwijt van klagers dat de notaris ongeoorloofde druk heeft uitgeoefend op klaagster 2 en haar beide zussen in verband met het passeren van beide akten, houdt ook geen stand. Het stond de notaris vrij om een oplossing aan te dragen en in dat kader klaagster 2 en haar beide zussen te verzoeken te beloven dat er die week geen beslag gelegd zou worden (wat daar overigens ook van zij). Dat hij daarbij (en ook later telefonisch) ongeoorloofde druk zou hebben uitgeoefend, is niet komen vast te staan.

6.8.

Gelet op het vorenstaande is klachtonderdeel ii. in al zijn onderdelen ongegrond.

Klachtonderdeel iii.

6.9.

Ten aanzien van klachtonderdeel iii. heeft de kamer overwogen dat de inhoud van het

e-mailbericht van 17 juni 2014 niet intimiderend is of getuigt van ongeoorloofde druk, dat voldoende aannemelijk is, dat de notaris de mogelijke gevolgen van het op de verkoopopbrengst gelegde beslag met klaagster 2 heeft willen bespreken en dat iets anders in voormeld
e-mailbericht niet is te lezen.

Het hof verenigt zich met dat oordeel en de gronden waarop het berust. De kamer heeft klachtonderdeel iii. terecht ongegrond verklaard.

Klachtonderdeel iv.

6.10.

Anders dan de kamer is het hof van oordeel dat het op 12 juni 2014 gelegde beslag [de heer Z] wel degelijk regardeerde, gelet op de gekoppelde ontbindende voorwaarde. De levering aan [de heer Z] was immers evenals de toedeling en de levering aan klaagster 2 geschied onder de voorwaarde dat geen beslag zou worden gelegd in de dagen/week na 11 juni 2014. Van schending van het beroepsgeheim van de notaris (door toezending van het

e-mailbericht van 17 juni 2014 aan [de heer Z] ) is dan ook geen sprake, zodat ook dit klachtonderdeel ongegrond is.

Conclusie

6.11.

De klacht is in alle onderdelen ongegrond. De beslissing van de kamer kan daarom niet in stand blijven. Het hof zal die beslissing voor de duidelijkheid in haar geheel vernietigen en opnieuw beslissen.

6.12.

Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan buiten beschouwing blijven omdat het niet van belang is voor de beslissing in deze zaak.

6.13.

Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.

7 Beslissing

Het hof:

- vernietigt de bestreden beslissing;

en, opnieuw beslissende,

- verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mrs. A.M.A. Verscheure, J.H. Lieber en C.P. Boodt en in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2016 door de rolraadsheer.