Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:5793

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-12-2016
Datum publicatie
13-02-2017
Zaaknummer
23-002100-16
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:620, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Jeugdstrafrecht. Woningoverval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0144
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-002100-16

datum uitspraak: 8 december 2016

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 25 mei 2016 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-680181-15 en 13-689064-16 tegen

[verdachte 1] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999,

adres: [adres 1].

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem in de zaak A (parketnummer 13-680181-15) onder 1 primair, 1 subsidiair, 3 primair, 3 subsidiair en 5 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 24 november 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlasteleggingen

Aan de verdachte is, voor zover in hoger beroep nog aan de orde, ten laste gelegd dat:

Zaak A (met parketnummer 13-680181-15):

2:
(Zaak 2013) hij op of omstreeks 5 juli 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan de [adres 2]) heeft weggenomen een televisie en/of twee, in elk geval een of meer (mobiele) telefoons, in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(r) aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en), dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s) eenmaal of meermalen - een of meer hamer(s), in elk geval een of meer hard(e) en/of zwa(a)r(e) voorwerp(en) aan voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] heeft/hebben getoond en/of voorgehouden en/of met voornoemde hamer(s), in elk geval met voornoemde hard(e) en/of zwa(a)r(e) voorwerp(en), in de richting van voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] heeft/hebben gezwaaid en/of - (vervolgens) (daarbij) voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] de woorden heeft/hebben toegevoegd: "geld, geld we willen geld", in elk geval woorden van gelijke aard en/of strekking en/of - (vervolgens) met een hamer, in elk geval met een hard en/of zwaar voorwerp tegen de slaap, in elk geval tegen het hoofd van voornoemde [slachtoffer 1] heeft/hebben geslagen;

4 primair:
(Zaak 2016) hij op of omstreeks 23 juli 2015 te Amsterdam en/of Duivendrecht, gemeente Ouder-Amstel, in elk geval in Nederland, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Van der Madeweg, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 6], welk geweld bestond uit het eenmaal of meermalen - slaan en/of stompen en/of schoppen en/of trappen tegen het hoofd, in elk geval tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 6] en/of - onderuit halen en/of tackelen van voornoemde [slachtoffer 6] (waardoor voornoemde [slachtoffer 6] ten val is gekomen);

4 subsidiair:
hij op of omstreeks 23 juli 2015 te Amsterdam en/of Duivendrecht, gemeente Ouder-Amstel, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans, opzettelijk [slachtoffer 6] heeft mishandeld, bestaande deze mishandeling uit het het eenmaal of meermalen - slaan en/of stompen en/of schoppen en/of trappen tegen het hoofd, in elk geval tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 6] en/of - onderuit halen en/of tackelen van voornoemde [slachtoffer 6] (waardoor voornoemde [slachtoffer 6] ten val is gekomen);

Zaak B (met parketnummer 13-689064-16):
hij op of omstreeks 16 september 2015 te Zeist, in elk geval in Nederland, een ambtenaar, [slachtoffer 7] (werkzaam als groepsleider de Justitiële Jeugd Inrichting te Zeist), gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld, bestaande deze mishandeling uit het eenmaal of meermalen slaan en/of stompen op/tegen het (achter)hoofd, in elk geval tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 7] en/of krabben in/op het gezicht en/of de nek, in elk geval in/op het lichaam van voornoemde [slachtoffer 7].

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Bespreking van in hoger beroep gevoerde verweren

De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het in de zaak A onder 2 ten laste gelegde.

De herkenning van de maskers is onbetrouwbaar, nu alleen de bij het onderzoek aangetroffen maskers aan de aangevers zijn getoond en er dus sprake was van een enkelvoudige confrontatie. Daarnaast bevonden de verschillende aangevers zich in dezelfde ruimte toen de herkenning plaatsvond en konden zij elkaar aldus beïnvloeden. Bovendien zijn de maskers aan de aangevers getoond door verbalisanten die bij het onderzoek betrokken waren.

De facebookgesprekken leveren evenmin voldoende bewijs voor een veroordeling. Uit de gesprekken zou weliswaar kunnen worden afgeleid dat de verdachte is gevraagd om mee te doen aan de diefstal, maar niet dat de verdachte daadwerkelijk mee is gegaan. Weliswaar heeft de medeverdachte na de overval aan een ander een bericht gestuurd dat hij ‘[namen]’ was, maar die verklaring kan niet kloppen. Dat suggereert immers dat er in totaal vier daders zouden zijn, terwijl beide aangeefsters [slachtoffer 2] verklaren dat ze door drie jongens zijn overvallen. Ook medeverdachte [medeverdachte 1] heeft tegenover de psychiater verklaard dat er drie daders betrokken zouden zijn. Alleen aangever [slachtoffer 4] heeft verklaard over vier of vijf daders.

Bovendien kan niet worden bewezen dat sprake is van medeplegen, nu er geen bewijsmiddel is waaruit kan worden afgeleid dat de verdachte in de woning aanwezig was, aldus de raadsvrouw.

De raadsvrouw heeft met betrekking tot het in de zaak B ten laste gelegde bepleit dat de aangever niet in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening was, nu hij een nekklem heeft aangelegd. Subsidiair was er in deze zaak sprake van een noodweersituatie, aldus de raadsvrouw.

Het hof verwerpt de verweren en overweegt daartoe het volgende.

De wijze waarop de getuigen met de maskers zijn geconfronteerd verdient niet de voorkeur. Om die reden acht het hof deze herkenningen uitsluitend bruikbaar voor het bewijs in combinatie met ander, zwaarwegender bewijsmateriaal.

Uit de facebookgesprekken kan worden afgeleid dat de verdachte, zoals hij ook ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard, voorafgaand aan de overval meermalen door medeverdachte [medeverdachte 2] is gevraagd om eraan deel te nemen, dat hij daarmee instemde en dat hij vlak voor het moment van de overval op weg is gegaan naar de medeverdachten. De medeverdachte [medeverdachte 2] heeft later in een chatgesprek met een derde over de overval gesproken. Daarbij heeft hij gezegd dat hij met [namen] was. Met [verdachte 1] wordt, blijkens andere chatgesprekken, de verdachte bedoeld.

Weliswaar hebben beide aangeefsters [slachtoffer 2] verklaard over drie daders, maar de aangever [slachtoffer 4] heeft vier of vijf daders gezien, waarvan hij van vier daders het uiterlijk heeft beschreven. Hij heeft eveneens de posities van vier verschillende daders beschreven.

De verdachte heeft verklaard dat hij naar zijn vrienden is toegegaan om deel te nemen aan het plan voor de overval, maar hij er op het moment dat hij bij zijn vrienden aankwam, toch vanaf heeft gezien omdat hij “er geen goed gevoel over had”. Deze eerst ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring is echter door de verdediging op geen enkele wijze nader onderbouwd en mede daarom naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden.

Onder deze omstandigheden staat naar het oordeel van het hof vast dat de verdachte een van de overvallers is geweest.

Het hof overweegt met betrekking tot het in de zaak B ten laste gelegde dat uit het dossier niet blijkt dat een nekklem is toegepast. Voor zover de raadsvrouw heeft bedoeld dat de toepassing van een houdgreep de rechtmatigheid van de uitoefening van de bediening zou aantasten, is die stelling onvoldoende onderbouwd.

Ten aanzien van de gestelde noodweersituatie bestaat geen begin van aannemelijkheid, terwijl door de verdediging in dit verband niets ter onderbouwing is aangevoerd. Ook dit verweer wordt door het hof verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak A onder 2 en 4 primair en in de zaak B ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Zaak A (met parketnummer 13-680181-15):
2:
hij op 5 juli 2015 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning, gelegen aan de [adres 2], heeft weggenomen een televisie en twee mobiele telefoons, toebehorende aan [slachtoffer 2], welke diefstal werd vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden, dat hij, verdachte en zijn mededader

- hamers aan voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] hebben getoond en met voornoemde hamers in de richting van voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] hebben gezwaaid en

- met een hamer tegen het hoofd van voornoemde [slachtoffer 1] hebben geslagen;

4
primair:
hij op 23 juli 2015 te Duivendrecht, gemeente Ouder-Amstel, met anderen aan de openbare weg de Van der Madeweg openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 6], welk geweld bestond uit het meermalen

- slaan en stompen tegen het hoofd van voornoemde [slachtoffer 6] en

- onderuit halen van voornoemde [slachtoffer 6], waardoor voornoemde [slachtoffer 6] ten val is gekomen;

Zaak B (met parketnummer 13-689064-16):
hij op 16 september 2015 te Zeist een ambtenaar, [slachtoffer 7], werkzaam als groepsleider de Justitiële Jeugd Inrichting te Zeist, gedurende en terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld, bestaande deze mishandeling uit het meermalen stompen op het achterhoofd van voornoemde [slachtoffer 7] en krabben in het gezicht en de nek van voornoemde [slachtoffer 7].

Hetgeen in de zaak A onder 2 en 4 primair en in de zaak B meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in de zaak A onder 2 en 4 primair en in de zaak B bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het in de zaak A onder 2 bewezen verklaarde levert op:

diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Het in de zaak A onder 4 primair bewezen verklaarde levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Het in de zaak B bewezen verklaarde levert op:

mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het in de zaak A onder 2 en 4 primair en in de zaak B bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg in zaak A onder 2 en 4 en in zaak B bewezen verklaarde veroordeeld tot 50 uur leerstraf (So Cool-Verlengd) en 200 dagen jeugddetentie waarvan 128 dagen voorwaardelijk, met als bijzondere voorwaarden dat de verdachte meewerkt aan de begeleiding van de Intensieve Forensische Aanpak (hierna: IFA) en aan de hulpverlening van MultiDimensionele FamilieTherapie (hierna: MDFT), en dat de verdachte deelneemt aan een ambulante behandeling bij De Waag of een soortgelijke instelling.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het in zaak A onder 2 en 4 primair en in zaak B ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 200 dagen waarvan 128 dagen voorwaardelijk, met als bijzondere voorwaarden dat de verdachte meewerkt aan de begeleiding van de IFA en aan de hulpverlening van MDFT, voor zover dat nog nodig is, en dat de verdachte meewerkt aan de begeleiding van de Intensieve Psychiatrische Gezinsbehandeling (hierna: IPG) en zich onder toezicht stelt van de jeugdreclassering.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich met zijn mededaders schuldig gemaakt aan een gewelddadige woningoverval. In die woning bevonden zich op dat moment de hoofdbewoonster met haar twee zoons en daarnaast de zus van de hoofdbewoonster met haar dochtertje, die op dat moment op bezoek waren. De daders hebben alle aanwezigen bedreigd met hamers. De aangeefsters zijn door de daders met die hamers onder meer op het hoofd geslagen. De twee zeer jonge kinderen die daarbij aanwezig waren, zijn getuige geweest van de gewelddadige woningoverval, waarbij hun moeders met hamers zijn geslagen. De verdachte en zijn mededaders hebben een televisie en twee mobiele telefoons buit gemaakt. De televisie is uiteindelijk buiten de woning achtergelaten. De verdachte en zijn mededaders hebben zich bij hun handelen enkel laten leiden door eigen geldelijk gewin. Het gemak waarmee zij, op hun jonge leeftijd, spreken over en plannen maken voor het overvallen van een woning is stuitend en verwerpelijk. De verdachte en zijn mededaders hebben de woning van aangevers op listige wijze en in georganiseerd verband overvallen. Zij hebben met hun handelen blijk gegeven geen enkel respect te hebben voor de woning, de lichamelijke integriteit en de eigendommen van anderen.

De eigen woning is bij uitstek een plek waar men zich veilig moet kunnen voelen. Dat de aangeefsters en hun kinderen zich niet langer veilig voelen in hun woning, rekent het hof de verdachte zwaar aan. Uit de slachtofferverklaringen is gebleken hoe diep het misdrijf nog steeds ingrijpt op hun leven. Daarnaast heeft het misdrijf bijgedragen aan de gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving.

De verdachte heeft zich tevens, samen met mededaders, als gevolg van een futiliteit in de metro, schuldig gemaakt aan ernstig openlijk geweld tegen aangever [slachtoffer 6]. Dit feit heeft een buitengewoon laf karakter, namelijk het als groep insluiten van en geweld plegen tegen één persoon van bovendien aanzienlijk oudere leeftijd dan de verdachte en zijn mededaders. Uit het handelen van de verdachte en zijn mededaders blijkt van geen enkel respect voor anderen en hun lichamelijke integriteit. Dat het hof, anders dan de rechtbank, niet heeft vastgesteld dat de aangever ook tegen het hoofd is geschopt, doet niet af aan de ernst van het misdrijf. Verdachte heeft immers samen met een (grote) groep jongens tegen het hoofd van één persoon gestompt, en hield pas op toen een passant ertussen sprong om de aangever te beschermen. Hoe beangstigend dit is geweest voor de aangever, is uit zijn slachtofferverklaring gebleken.

Daarnaast heeft de verdachte de aangever [slachtoffer 7] gedurende zijn werkzaamheden in de JJI te Zeist mishandeld. Uit het handelen van de verdachte blijkt niet alleen wederom geen respect voor de lichamelijke integriteit van anderen, ook blijkt dat de verdachte geen respect heeft voor gezag en autoriteit. Dat de verdachte zijn woede kennelijk zo slecht kan beteugelen dat hij zich keer op keer schuldig maakt aan zeer ernstige gewelddadige feiten, acht het hof zeer zorgelijk.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 3 november 2015 is hij niet eerder strafrechtelijk onherroepelijk veroordeeld. Het hof merkt de verdachte dan ook aan als een first offender.

Bij de strafoplegging is acht geslagen op het rapport van [psycholoog], GZ-psycholoog, en het rapport van [psychiater in opleiding], psychiater in opleiding, onder supervisie van [psychiater 2], psychiater. Uit deze rapporten maakt het hof op dat bij de verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de zin van een (matige) verstandelijke beperking en van een ziekelijke stoornis van de geestesvermogens in de zin van een (ernstige) gedragsstoornis. De verdachte is daarom verminderd toerekeningsvatbaar met betrekking tot het onder A4 ten laste gelegde feit.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de begeleider van de verdachte van de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna: WSS) verklaard dat het momenteel erg goed gaat met de verdachte. Hij zet zich goed in op school en er zijn geen signalen meer dat de verdachte overlast veroorzaakt in de buurt. Ook werkt hij goed mee aan de door de rechtbank dadelijk uitvoerbaar verklaarde bijzondere voorwaarden, waaronder de behandeling bij De Waag. Omdat vanwege het ingestelde hoger beroep de leerstraf (So Cooltraining) niet direct ten uitvoer kon worden gelegd, is de verdachte alvast begonnen met de behandeling bij De Waag. De WSS acht het opleggen van die leerstraf niet meer van belang, nu deze met name zinvol is wanneer deze voorafgaand aan een behandeling bij De Waag wordt gevolgd. De begeleiding van de IFA wordt door de WSS wel geadviseerd.

De Raad voor de Kinderbescherming (de Raad) heeft ter terechtzitting in hoger beroep eveneens geadviseerd de leerstraf So Cooltraining niet op te leggen. Daarnaast heeft de Raad geadviseerd om het vonnis van de rechtbank te bevestigen, maar in plaats van de MDFT de begeleiding van de IPG op te leggen.

Gelet op de ernst van de feiten enerzijds en de verminderde toerekeningsvatbaarheid anderzijds acht het hof de door de rechtbank opgelegde deels voorwaardelijke jeugddetentie passend en geboden. Het hof zal, anders dan de rechtbank, geen leerstraf opleggen, nu dit niet langer zinvol wordt geacht door de WSS en de Raad. Als bijzondere voorwaarden worden opgelegd het meewerken aan de begeleiding van de MDFT en de IFA. Het hof heeft begrepen dat die trajecten inmiddels al wat verder zijn gevorderd, en met name de MDFT zich in de afrondende fase bevindt. Die bijzondere voorwaarden zijn dan ook uitdrukkelijk slechts van toepassing zolang de WSS die begeleiding nog zinvol acht. Daarnaast wordt als bijzondere voorwaarden opgelegd dat de verdachte meewerkt aan de behandeling bij De Waag en bij de IPG.

Het hof zal de bijzondere voorwaarden daadwerkelijk uitvoerbaar verklaren, aangezien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Bovendien is het essentieel dat de verdachte ondersteund wordt bij de door hem ingezette positieve lijn en dat de verdachte, ook na het eventuele instellen van een rechtsmiddel, niet van behandeling en begeleiding verstoken blijft.

Beslag

Het in de zaak A onder 2 ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan met behulp van het hierna te noemen in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp. Het behoort de verdachte toe. Het zal daarom worden verbeurd verklaard.

De hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen zijn bij gelegenheid van het onderzoek naar het door de verdachte in de zaak A onder 2, 4 primair en in de zaak B begane feit aangetroffen. Zij behoren aan de verdachte toe en kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten dan wel tot belemmering van de opsporing daarvan. Zij zullen worden onttrokken aan het verkeer aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 5.194,21. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 3.194,21. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak A onder 2 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 5.028,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 3.028,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak A onder 2 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 3.000,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep volledig toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak A onder 2 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 3.000,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep volledig toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak A onder 2 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 3.000,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep volledig toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak A onder 2 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.241,08. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.241,08. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak A onder 4 primair bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36b, 36d, 36f, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 141, 300, 304 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak A onder 1 primair, 1 subsidiair, 3 primair, 3 subsidiair en 5 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak A onder 2 en 4 primair en in de zaak B ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak A onder 2 en 4 primair en in de zaak B bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 200 (tweehonderd) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot 128 (honderdachtentwintig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren of ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

- dat de veroordeelde deelneemt aan een ambulante behandeling bij de Waag of een soortgelijke instelling op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling vast te stellen,

- dat de veroordeelde meewerkt aan de begeleiding van de Intensieve Forensische Aanpak en aan de hulpverlening van MultiDimensionele FamilieTherapie, voor zolang de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering dat noodzakelijk acht,

- meewerkt aan de begeleiding van de Intensieve Psychiatrische Gezinsbehandeling,

Beveelt dat voormelde voorwaarde en het uit te oefenen reclasseringstoezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Geeft opdracht aan William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering , gevestigd te Amsterdam, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

1.00

STK Hamer - 5027687.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

1.00

STK Dolk - zw handvat met beige stootplaat 5027633

1.00

STK Zak - met balletjes voor balletjespistool 5027606.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

1.00

STK Horloge VENDOUX 5027701

1.00

STK Horloge Kl:goudkl SEIKO 5027618

Geld 10,00 Euro - 5027608

1.00

STK Zaktelefoon Kl:wit SAMSUNG 50275993161

1.00

STK Tas KL:zwart - schoudertas 502724

1.00

STK Riem GUCCI 5027613

1.00

STK Riem GUCCI 5017613

1.00

STK Niet te definieren goederen KL:groen - telefoonhoes 5027621

1.00

STK Handschoen KL:zwart KIPSTA 5027602.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het in de zaak A onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 3.194,21 (drieduizend honderdvierennegentig euro en eenentwintig cent) bestaande uit € 194,21 (honderdvierennegentig euro en eenentwintig cent) materiële schade en € 3.000,00 (drieduizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 5 juli 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 5 juli 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2], ter zake van het in de zaak A onder 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 3.194,21 (drieduizend honderdvierennegentig euro en eenentwintig cent) bestaande uit € 194,21 (honderdvierennegentig euro en eenentwintig cent) materiële schade en € 3.000,00 (drieduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 2 (twee) dagen jeugddetentie, met dien verstande dat de toepassing van die jeugddetentie de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 5 juli 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 5 juli 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het in de zaak A onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 3.028,00 (drieduizend achtentwintig euro) bestaande uit € 28,00 (achtentwintig euro) materiële schade en € 3.000,00 (drieduizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 5 juli 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 5 juli 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1], ter zake van het in de zaak A onder 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 3.028,00 (drieduizend achtentwintig euro) bestaande uit € 28,00 (achtentwintig euro) materiële schade en € 3.000,00 (drieduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 2 (twee) dagen jeugddetentie, met dien verstande dat de toepassing van die jeugddetentie de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 5 juli 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 5 juli 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 5] ter zake van het in de zaak A onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 3.000,00 (drieduizend euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 5 juli 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 5], ter zake van het in de zaak A onder 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 3.000,00 (drieduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 2 (twee) dagen jeugddetentie, met dien verstande dat de toepassing van die jeugddetentie de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 5 juli 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] ter zake van het in de zaak A onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 3.000,00 (drieduizend euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 5 juli 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 3], ter zake van het in de zaak A onder 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 3.000,00 (drieduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 2 (twee) dagen jeugddetentie, met dien verstande dat de toepassing van die jeugddetentie de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 5 juli 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 4] ter zake van het in de zaak A onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 3.000,00 (drieduizend euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 5 juli 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 4], ter zake van het in de zaak A onder 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 3.000,00 (drieduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 2 (twee) dagen jeugddetentie, met dien verstande dat de toepassing van die jeugddetentie de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 5 juli 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 6] ter zake van het in de zaak A onder 4 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.241,08 (duizend tweehonderdeenenveertig euro en acht cent) bestaande uit € 441,08 (vierhonderdeenenveertig euro en acht cent) materiële schade en € 800,00 (achthonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 23 juli 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 23 juli 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 6], ter zake van het in de zaak A onder 4 primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.241,08 (duizend tweehonderdeenenveertig euro en acht cent) bestaande uit € 441,08 (vierhonderdeenenveertig euro en acht cent) materiële schade en € 800,00 (achthonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 1 (één) dag jeugddetentie, met dien verstande dat de toepassing van die jeugddetentie de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 23 juli 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 23 juli 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Iedema, mr. A.M. Kengen en mr. J.W.P. van Heusden, in tegenwoordigheid van mr. A.N. Biersteker, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 8 december 2016.

Mr. J.W.P. van Heusden is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[…]