Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:578

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-02-2016
Datum publicatie
25-02-2016
Zaaknummer
23-3368-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

met (gepast) geweld omdoen van handboeien, met vermelding daarvan in het proces-verbaal is niet in strijd met de Ambtsinstructie. Geen vormverzuim

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 23-003368-14

Datum uitspraak: 24 februari 2016

Tegenspraak

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 19 augustus 2014 in de strafzaak onder parketnummer

13-684405-14 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1979,

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 10 februari 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en de gronden waarop het berust, waarbij de verdachte is veroordeeld ter zake van gekwalificeerde mishandeling en wederspannigheid. Het hof zal dit vonnis derhalve bevestigen, zulks met uitzondering van de strafoplegging en (op pragmatische gronden tevens) van de beslissing omtrent de vordering van de benadeelde partij – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd.

En voorts met dien verstande dat het hof:

A. de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen aanvult als volgt.

1. Met betrekking tot feit 2 voegt het hof als bewijsmiddel toe:

De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 10 februari 2016.

Deze verklaring houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven:

Op 9 mei 2014 heb ik mij verzet tegen mijn aanhouding door agenten. Ik was thuis in Amsterdam. De agenten wilden mij boeien om mij mee te nemen naar het politiebureau. De boeien gingen moeilijk om, omdat ik mij daartegen verzette. Ik wilde niet in de handboeien. Ik probeerde telkens mijn handen weg te trekken. Nadat de boeien omgelegd waren, werd ik door twee agenten, ieder aan een arm, naar beneden gebracht. Voor de deur stond een politiebus. Ik werd in de bus gezet. Ik verzette mij nog steeds tegen mijn aanhouding. Ik heb gescholden en geduwd.

2. Het hof vult het door de rechtbank onder 1 genoemde proces-verbaal van aangifte, inhoudend de verklaring van [verbalisant 1], aan als volgt:

Op 9 mei 2014 was ik in uniform gekleed en verrichtte ik mijn dienst op het politiebureau in Amsterdam. Ik was ter plaatse bij een melding van een mogelijke mishandeling dan wel huiselijk geweld aan de [adres 2] te Amsterdam.

B. de navolgende overwegingen toevoegt aan hetgeen in het vonnis is opgenomen onder

5. Het bewijs.

De raadsman heeft in hoger beroep het verweer herhaald dat sprake is van een (onherstelbaar) vormverzuim nu in strijd met artikel 17 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke Marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar geen melding is gedaan van het door verbalisanten bij de aanhouding van verdachte gebruikte (disproportionele) geweld en de gevolgen daarvan.

Tevens heeft hij het verweer herhaald dat het politieoptreden na de binnentreding dusdanig is geweest dat de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit niet in acht zijn genomen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de politieambtenaren de situatie hebben laten escaleren door de verdachte met vier man te boeien in het bijzijn van zijn kind voor een vermeend feit dat uiteindelijk niet ten laste is gelegd.

Het hof overweegt als volgt.

Artikel 17 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren (hierna: de Ambtsinstructie) luidt als volgt, voor zover hier van belang:

1. de ambtenaar die geweld heeft aangewend, meldt de feiten en omstandigheden dienaangaande, alsmede de gevolgen hiervan, onverwijld aan zijn meerdere.[…]

De nota van toelichting bij de Ambtsinstructie houdt met betrekking tot deze bepaling het volgende in.

‘Het besluit is in het leven geroepen om in het geval van bepaalde vormen van geweld achteraf te kunnen vaststellen of de politieambtenaar die dit geweld heeft gebruikt, gelegitimeerd gebruik heeft gemaakt van de geweldsbevoegdheden. Deze instructie is blijkens de ontstaansgeschiedenis van de bepalingen niet in het leven geroepen ter bescherming van de belangen van de verdachte, maar beoogt de korpsbeheerder inzicht te geven in de wijze waarop het politiepersoneel omgaat met bevoegdheid geweld te gebruiken. De geweldmelding heeft niet tot doel de ambtenaar van politie te incrimineren. De ambtenaar die in weerwil van de meldplicht het geweldgebruik niet of maar ten dele meldt, kan disciplinair worden bestraft.’

Vooropgesteld moet worden dat indien binnen de door art. 359a Sv bepaalde grenzen sprake is van een vormverzuim als bedoeld in deze bepaling, en de rechtsgevolgen daarvan niet uit de wet blijken, de rechter moet beoordelen of aan dat vormverzuim enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt. Daarbij dient hij rekening te houden met de in het tweede lid van art. 359a Sv genoemde factoren. Het rechtsgevolg zal immers door deze factoren moeten worden gerechtvaardigd.

De eerste factor is ‘het belang dat het geschonden voorschrift dient’. De tweede factor is ‘de ernst van het verzuim’. De derde factor is ‘het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt’. Opmerking verdient dat indien het niet de verdachte is die door de niet-naleving van het voorschrift is getroffen in het belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen, in de te berechten zaak als regel geen rechtsgevolg zal behoeven te worden verbonden aan het verzuim.

Gelet op hetgeen hieromtrent in voornoemde Nota van toelichting is opgenomen, is het hof van oordeel dat de norm die besloten ligt in artikel 17 Ambtsinstructie niet beoogt enig belang van de verdachte te beschermen en dat het dientengevolge niet de verdachte is die door niet-naleving van het voorschrift wordt getroffen in het belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen. Dit brengt met zich dat, zo het door de verbalisanten op de verdachte toegepaste geweld gemeld had moeten worden, het verzuim dit te doen in de onderhavige zaak in beginsel niet tot enig rechtsgevolg behoeft te leiden. Naar het oordeel van het hof is niet gebleken van enige bijzondere omstandigheid die met zich brengt dat daarover in het onderhavige geval anders moet worden geoordeeld.

Het hof overweegt omtrent de subsidiariteit en proportionaliteit van het toegepaste geweld nog het volgende.

Artikel 7, eerste lid, Politiewet luidt, voor zover van belang, als volgt:

‘De ambtenaar van politie (…) is bevoegd in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening geweld (…) te gebruiken, wanneer het daarmee beoogde doel dit, mede gelet op de aan het gebruik hiervan verbonden gevaren, rechtvaardigt en dat doel niet op een andere wijze kan worden bereikt.’

Het hof is van oordeel dat de verbalisanten bij de aanhouding van de verdachte handelden in de rechtmatige uitoefening van hun bediening en in overeenstemming met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit die in artikel 7 Politiewet besloten liggen. Het aanleggen van handboeien bij het vervoer van arrestanten kan dienen om incidenten tijdens de overbrenging te voorkomen en een veilig transport te garanderen. Kennelijk hebben de verbalisanten gemeend dat dit was vereist ter voorkoming van ontvluchting of ten behoeve van hun veiligheid. Gelet op het verzet en de agressie die van de verdachte uitgingen, zoals (onder meer) blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] (doorgenummerde pagina’s 14-16 van het dossier), is het hof van oordeel dat de verbalisanten redelijkerwijs tot deze inschatting konden komen. Dat het boeien van de verdachte met enige dwang gepaard is gegaan, waarbij de verdachte aan beide armen is vastgepakt en waarbij kennelijk zijn hand is verdraaid, was te wijten aan het recalcitrante gedrag van de verdachte zelf en is niet als disproportioneel aan te merken.

Gelet op het voorgaande kan niet worden gezegd dat sprake is van enig vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv, zodat het verweer wordt verworpen.

Het hof vult in zoverre voormelde overweging van de rechtbank aan en laat die voor het overige in stand.

C. de navolgende overweging toevoegt aan hetgeen in het vonnis is opgenomen onder

9. De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De verdediging heeft in hoger beroep de vordering als zodanig en de hoogte van de vordering betwist. Zij heeft daartoe onder meer aangevoerd dat sprake is van medeschuld door de verbalisant.

Het hof is van oordeel dat ook gelet op dit verweer de behandeling van het niet door de rechtbank toegewezen deel van deze vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

Oplegging van straffen en maatregel

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het onder 1 en 2 bewezen verklaarde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand, met een proeftijd van twee jaren onder oplegging van een aantal bijzondere voorwaarden en voorts tot een taakstraf van vijftig uren met aftrek van voorarrest.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechtbank opgelegd. Hij heeft voorts gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, in zijn geheel wordt toegewezen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte, zoals van één en ander ter terechtzitting is gebleken. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich verzet tegen zijn aanhouding en een politieagent in zijn gezicht getrapt waardoor deze pijn heeft ondervonden. Daardoor heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de aangever. Met zijn verzet heeft hij bovendien blijk gegeven van een gebrek aan respect voor het openbaar gezag.

Het hof houdt er ook rekening mee dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 26 januari 2016, eerder onherroepelijk is veroordeeld voor geweldsdelicten, naar de verdachte ter zitting heeft verklaard onder anderen tegen zijn vriendin. De verdachte heeft de onderhavige feiten bovendien gepleegd gedurende de proeftijd van laatstgenoemd feit. Andere veroordelingen dateren al van langer geleden en het hof zal daarmee thans in strafverzwarende zin geen rekening houden.

Ten voordele van de verdachte houdt het hof er rekening mee dat hij zich, naar aanleiding van het vonnis in eerste aanleg, uit eigen beweging heeft gemeld bij de reclassering en hulp heeft gezocht bij de Waag. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep onweersproken verklaard dat de gesprekken met de reclassering en de behandeling bij de Waag inmiddels met goed gevolg zijn afgesloten en dat geen verdere begeleiding nodig wordt geacht. Voorts heeft hij verklaard dat de relatie met zijn vriendin en zijn kind goed is en dat er geen spanningen (meer) zijn, nu een deel van de financiële zorgen, hoewel er nog steeds schulden zijn, is weggevallen. Gelet hierop ziet het hof geen aanleiding thans nog enige bijzondere voorwaarde op te leggen.

Alle omstandigheden in aanmerking nemende, acht het hof de straffen zoals in eerste aanleg opgelegd voor het overige passend en geboden.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 63, 180, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte voorts tot een taakstraf voor de duur van 50 (vijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Ten aanzien van de benadeelde partij

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [verbalisant 1] tot het bedrag van € 100,-- (honderd euro), ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Beveelt voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat hechtenis zal worden toegepast voor de duur van twee dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor vermelde verplichting niet opheft.

Legt de verdachte voorts op de verplichting tot betaling aan de Staat van een som geld, groot

€ 100,-- (honderd euro) zulks ten behoeve van [verbalisant 1] voornoemd.

Bepaalt dat indien (en voor zover) verdachte heeft voldaan aan één van evenvermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee (in zoverre) komt te vervallen.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. G.M. Boekhoudt, mr. A.E.M. Röttgering en mr. M. Iedema en in tegenwoordigheid van mr. F. Hardonk-Kruiswijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 24 februari 2016.

====================================================================

[....]