Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:5748

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-04-2016
Datum publicatie
31-01-2017
Zaaknummer
200.186.272
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WSNP. Tussentijdse beëindiging (art. 350 Fw). Verwijtbaarheid niet nakoming verplichtingen in verband met fysieke en psychosociale problemen

Weliswaar heeft verzoeker gesteld dat hij op fysieke en psychosociale gronden niet in staat was om aan zijn verplichtingen te voldoen, maar hij heeft deze stelling onvoldoende onderbouwd. ook is niet duidelijk geworden wat er precies met hem aan de hand is. Bovendien heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt dat hij zodanige fysieke en psychische beperkingen ondervindt dat hij niet in staat is om aan zijn verplichtingen te voldoen en dat hem om die reden geen verwijt kan worden gemaakt

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.186.272/01

insolventienummer rechtbank : C/15/8/2015 R

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 19 april 2016

in de zaak van

[X] ,

wonende te [---] ,

appellant,

advocaat: mr. [Y] te Hoofddorp.

1 Het geding in hoger beroep

Appellant wordt hierna [X] genoemd.

[X] is bij op 25 februari 2016 ter griffie van het hof ingekomen beroepschrift in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 23 februari 2016 waarbij de rechtbank de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [X] tussentijds heeft beëindigd.

Het hoger beroep is behandeld ter zitting van 12 april 2016. Bij die behandeling is [X] , hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Namens [X] is mr. [Y] voornoemd verschenen, die het beroepschrift heeft toegelicht. Voorts is de bewindvoerder,

[Z] , verschenen.

Het hof heeft kennis genomen van het beroepschrift, het dossier van de rechtbank, waaronder het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg, het verslag van de bewindvoerder van 6 april 2016, met bijlagen, en de brief van 11 april 2016 van mr. [Y] voornoemd.

Mr. [Y] heeft verklaard eveneens over de genoemde stukken te beschikken.

2 Beoordeling

2.1.

[X] die op 8 januari 2015 tot de schuldsaneringsregeling is toegelaten, heeft in het beroepschrift verzocht om het vonnis waarvan beroep te vernietigen en hem alsnog in staat te stellen de wettelijke schuldsaneringsregeling tot een goed einde te brengen. Daartoe heeft hij – samengevat en voor zover voor de beslissing van belang – het volgende aangevoerd. [X] erkent dat hij is tekortgeschoten in het nakomen van zijn verplichtingen. Hij voert evenwel aan dat hij vanwege zijn psychische en fysieke gesteldheid eenvoudigweg niet in staat is geweest de verplichtingen na te komen. Nu krijgt hij (administratieve en financiële) hulp van derden en zal hij daarnaast financieel bewind aanvragen. Voor zijn depressieve stoornis en psychosociale problematiek is [X] sinds juli 2015 in behandeling bij GGZ inGeest. Ten slotte verzoekt [X] de termijn van de schuldsaneringsregeling met een jaar te verlengen, zodat hij met een nader te overleggen plan van aanpak alsnog de boedelachterstand en de nieuwe schulden kan inlopen. Ter zitting in hoger beroep persisteert mr. [Y] in zijn - eerder gedane maar afgewezen - aanhoudingsverzoek en pleit hij voor een laatste kans voor [X] .

2.2.

De bewindvoerder heeft in hoger beroep - onder verwijzing naar haar verslag van 6 april 2016 - het volgende naar voren gebracht. [X] heeft vanaf aanvang van de schuldsaneringsregeling, hoewel hij herhaaldelijk schriftelijk en mondeling door de bewindvoerder erop is gewezen én daartoe geruime tijd in de gelegenheid is gesteld, niet aan de informatie- en boedelafdrachtverplichting voldaan. Tevens heeft hij nieuwe schulden laten ontstaan. [X] heeft ook nadat het beëindigingsverzoek op 3 augustus 2015 pro forma was aangehouden tot 24 november 2015 teneinde hem in de gelegenheid te stellen alsnog de ontbrekende informatie te verstrekken en een plan van aanpak te overleggen, niet de benodigde stukken verstrekt. Ook nadat op verzoek van [X] de uitspraak was aangehouden tot 12 januari 2016 zijn de bedoelde stukken niet aangeleverd. Thans ontbreekt nog steeds het merendeel van de benodigde stukken en heeft de bewindvoerder evenmin een plan van aanpak ontvangen. De bewindvoerder verzet zich tegen het ter zitting in hoger beroep gedane verzoek van [X] de behandeling van de zaak aan te houden. De bewindvoerder verklaart er geen vertrouwen in te hebben dat [X] de schuldsaneringsregeling tot een goed einde zal brengen, nu hij meermalen daartoe in de gelegenheid is gesteld en deze gelegenheden tot niets hebben geleid, ook niet met hulp van derden. Gelet op het voorgaande adviseert de bewindvoerder het bestreden vonnis te bekrachtigen.

2.3.

Allereerst is aan de orde het – ter zitting in hoger beroep – gedane verzoek de behandeling aan te houden teneinde [X] nog een kans te geven ontbrekende stukken aan te leveren. Het hof overweegt als volgt.

Mr. [Y] heeft ter toelichting op het verzoek verklaard dat [X] heden is opgenomen in het ziekenhuis en daarom niet ter zitting heeft kunnen verschijnen. Hoewel daartoe, in verband met de afwezigheid van [X] , uitdrukkelijk in de gelegenheid gesteld, heeft mr. [Y] niet kunnen verklaren welke specifieke informatie uitsluitend door [X] - en niet ook door hem zou kunnen worden verstrekt - zonder welke informatie het hof niet op het hoger beroep zou kunnen beslissen. Evenmin is door mr. [Y] ter zitting gesteld dat [X] wordt benadeeld als het hof hem niet persoonlijk hoort. Nu het verzoek om aanhouding slechts is gedaan om [X] nog een kans te geven de ontbrekende stukken aan te leveren en hij hiertoe reeds eerder meermalen in de gelegenheid is geweest zonder dat dit tot resultaat heeft geleid, wordt het verzoek afgewezen.

2.4.

Het hof stelt bij zijn verdere beoordeling voorop dat – zoals in het bijzonder blijkt uit artikel 350, derde lid, Faillissementswet (Fw) – uit de wettelijke schuldsaneringsregeling voor de schuldenaar verplichtingen voortvloeien, die hun grond vinden in de doelstelling van die wet. Deze doelstelling komt erop neer dat natuurlijke personen die in een uitzichtloze financiële positie zijn gekomen de kans moet worden geboden weer met een schone lei verder te gaan. Daar staat echter tegenover dat van de schuldenaar een actieve medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling wordt gevergd.

2.5.

Op de schuldenaar rust onder meer de verplichting tot het verschaffen van die inlichtingen waarvan de schuldenaar weet of behoort te begrijpen dat zij van belang zijn voor een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling. [X] heeft - vanaf aanvang schuldsaneringsregeling - nagelaten de bewindvoerder (spontaan en tijdig) in kennis te stellen van informatie betreffende zijn persoonlijke en financiële situatie. Door het niet verstrekken van deze inlichtingen heeft [X] de bewindvoerder in haar toezichthoudende taak gefrustreerd. Voorts heeft [X] nieuwe schulden laten ontstaan tot een bedrag van

€ 10.759,92, waaronder een aanzienlijke huurschuld van € 7.286,32. Daarnaast is gebleken van een boedelachterstand, welke door de bewindvoerder wordt geschat op € 2.926,33. Nu [X] ook in hoger beroep geen concreet plan heeft aangedragen op grond waarvan kan worden aangenomen dat inlossing van bovengenoemde nieuwe schuld en boedelachterstand binnen de resterende looptijd van de schuldsaneringsregeling - eventueel met verlenging van die looptijd - mogelijk is, ziet het hof geen aanleiding de looptijd te verlengen.

2.6.

Gebleken is dat [X] herhaaldelijk, zowel schriftelijk (bij openbare verslagen) als mondeling bij het verhoor op 22 september 2015 ten overstaan van de rechter-commissaris op zijn verplichtingen is gewezen. Bij die gelegenheid is de behandeling van de zaak pro forma aangehouden tot 24 november 2015 teneinde [X] in de gelegenheid te stellen alsnog aan zijn verplichtingen te voldoen. Vervolgens is de zaak - op verzoek van de advocaat van [X] wederom aangehouden, ditmaal tot 12 januari 2016. [X] heeft daarmee meerdere kansen gekregen alsnog aan de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen te voldoen. Hij is hierin desondanks structureel tekortgeschoten. Weliswaar heeft [X] gesteld dat hij op fysieke en psychosociale gronden niet in staat was om aan zijn verplichtingen te voldoen, maar hij heeft deze stelling onvoldoende onderbouwd zodat het hof daaraan voorbijgaat. Uit de door [X] - voor de zitting in hoger beroep - overgelegde stukken is niet duidelijk geworden wat er precies met hem aan de hand is. Ook de verklaring van de psychiater van 5 april 2016 biedt in dit verband onvoldoende inzicht. [X] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij zodanige fysieke en psychische beperkingen ondervindt dat hij niet in staat is om aan zijn verplichtingen te voldoen en dat hem om die reden geen verwijt kan worden gemaakt. Voorts is niet gebleken dat [X] het door hem gestelde traject van beschermingsbewind heeft ingezet.

2.7.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat [X] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren is nagekomen. Bovenomschreven tekortkomingen vormen voldoende aanwijzing dat bij [X] de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling ontbreekt. Van deze tekortkomingen valt [X] een verwijt te maken, zodat deze aan hem kunnen worden toegerekend. Niet is gebleken van feiten en omstandigheden die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden. De genoemde tekortkomingen die niet als geringe tekortkomingen buiten beschouwing kunnen blijven, zijn naar het oordeel van het hof zodanig ernstig en verwijtbaar, dat slechts de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling gerechtvaardigd is.

2.8.

Het hof zal het vonnis van de rechtbank bekrachtigen.

3 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.J.M. Boukema, M.L.D. Akkaya en G.J. Visser en in het openbaar uitgesproken op 19 april 2016 in tegenwoordigheid van de griffier.

Van dit arrest kan gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.