Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:5732

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-12-2016
Datum publicatie
13-01-2017
Zaaknummer
23-003197-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Diefstal lokfiets. Strafmaatappel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-003197-16

datum uitspraak: 30 december 2016

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 23 augustus 2016 in de strafzaak onder parketnummer 13-158151-16 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1969,

adres: [adres],

thans uit anderen hoofde gedetineerd in Detentiecentrum Schiphol, Huis van Bewaring te Badhoevedorp.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

16 december 2016.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

feit 1 primair:
hij op of omstreeks 1 augustus 2016 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een fiets, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de politie Amsterdam, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte die weg te nemen fiets onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking;

subsidiair:
hij op of omstreeks 1 augustus 2016 te Amsterdam, een goed te weten een fiets heeft verworden, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door een misdrijf verkregen goed betrof;

feit 2:
hij op of omstreeks 1 augustus 2016 te Amsterdam een wapen van categorie I, onder 6, te weten een katapult, voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

feit 1 primair:
hij op 1 augustus 2016 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een fiets, toebehorende aan de politie Amsterdam, waarbij verdachte die weg te nemen fiets onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;

feit 2:

hij op of omstreeks 1 augustus 2016 te Amsterdam een wapen van categorie I, onder 6, te weten een katapult, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat uit de stukken in het dossier niet blijkt waarom de lokfiets op de bewuste locatie werd ingezet en dat het daarom niet mogelijk is het middel op proportionaliteit en subsidiariteit te toetsen. Hij heeft het hof verzocht met die omstandigheid in strafverminderende zin rekening te houden. Voorts heeft de raadsman verzocht de verdachte niet tot een gevangenisstraf te veroordelen. De verdachte staat op de wachtlijst voor begeleid wonen, hij ontvangt binnenkort weer zijn uitkering en hij krijgt begeleiding in de vorm van schuldhulpverlening en budgetbeheer. Die positieve stappen worden door een detentie doorkruist.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een diefstal van een lokfiets. Hij heeft er daarmee blijk van gegeven weinig respect te hebben voor andermans eigendom.

Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd omtrent de inzet van de lokfiets levert geen vormverzuim in de zin van art. 359a Wetboek van Strafvordering op, dat aanleiding zou kunnen geven tot strafverlaging, en kan ook anderszins niet als strafverminderende omstandigheid worden aangemerkt.

Bij het bepalen van de straf heeft het hof tot slot meegewogen dat verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 29 november 2016, op

17 juni 2016 - derhalve kort voor het bewezenverklaarde - ter zake van een soortgelijk feit onherroepelijk tot een taakstraf is veroordeeld. Hieruit heeft de verdachte kennelijk geen enkele lering getrokken. Het hof ziet dan ook geen ruimte meer voor het opleggen van een andere strafmodaliteit dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, zoals door de raadsman bepleit. Ook hetgeen de raadsman heeft aangevoerd ten aanzien van de mogelijkheid dat detentie een belemmering is voor gunstige ontwikkelingen in het leven van de verdachte, doet daaraan niet af.

Alles overwegende acht het hof met de advocaat-generaal een gevangenisstraf voor de duur van twee weken een passende strafrechtelijke reactie op het bewezen verklaarde.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.D.R.M. Boumans, mr. M.J.A. Plaisier en mr. M.J.A. Duker, in tegenwoordigheid van

mr. S.W.M. Stevens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

30 december 2016.

Mr. M.J.A. Plaisier is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.