Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:5726

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-12-2016
Datum publicatie
16-01-2017
Zaaknummer
23-002777-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Profijtontneming. Bevestiging vonnis waarvan beroep, afwijzing verzoek tot nader onderzoek en verwerping van verweer met betrekking tot de overschrijding van de redelijke termijn. De overschrijding is reeds in de strafzaak in aanmerking genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-002777-13 (ontneming)

datum uitspraak: 16 december 2016

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 11 juni 2013 op de vordering van het Openbaar Ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met parketnummer 15-741308-10 tegen de veroordeelde:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1976,

adres: [adres].

Procesgang

Het Openbaar Ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 319.527.

De veroordeelde is bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 11 juni 2013 veroordeeld ter zake van - kort gezegd - verduistering in dienstbetrekking.

Voorts heeft de rechtbank Noord-Holland bij vonnis van 11 juni 2013 de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de staat van een bedrag van € 243.344,50 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

De veroordeelde heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.

De veroordeelde is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 16 december 2016 veroordeeld ter zake van kort gezegd: verduistering in dienstbetrekking.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

2 december 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De veroordeelde heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de veroordeelde en de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit bevestigen, met dien verstande dat het hof het vonnis aanvult met de navolgende bespreking en verwerping van een ter terechtzitting in hoger beroep gedaan verzoek tot nader onderzoek en van een gevoerd verweer met betrekking tot de overschrijding van de redelijke termijn.

Verzoek tot nader onderzoek

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht een forensisch accountant te benoemen om vast te stellen of parkeergelden van het [medisch centrum] werkelijk zijn verdwenen en zo ja, hoe hoog dat bedrag is geweest.

Dit verzoek wordt afgewezen nu onvoldoende is onderbouwd waarom de omvang van de verduisterde parkeergelden niet uit de voorhanden bewijsmiddelen kan worden afgeleid, nog daargelaten of een forensisch accountant in staat zou zijn de omvang van de verduisterde bedragen op andere wijze vast te stellen.

Verweer met betrekking tot de overschrijding van de redelijke termijn

De raadsman heeft aangevoerd dat de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep dermate lang heeft geduurd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden in de onderhavige zaak is overschreden, hetgeen tot gevolg dient te hebben dat de vordering tot ontneming wordt afgewezen, dan wel dat het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, lager wordt bepaald dan door de advocaat-generaal gevorderd.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Met de raadsman is het hof van oordeel dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is geschonden. De redelijke termijn is aangevangen op 25 januari 2011, de dag dat de verdachte in verzekering is gesteld. Het vonnis van de rechtbank dateert van 11 juni 2013.

De zaak is in hoger beroep afgerond met een eindbeslissing op 16 december 2016. De procedure in eerste aanleg en in hoger beroep heeft derhalve ruim vijf jaar en één maand geduurd. Uitgaande van een redelijke termijn van twee jaren per instantie is deze periode met anderhalf jaar overschreden.

Het hof heeft in de gelijktijdig behandelde strafzaak de overschrijding van de redelijke termijn reeds in aanmerking genomen door het opleggen van een lagere gevangenisstraf en zal in de onderhavige zaak met de constatering van bedoelde overschrijding volstaan.

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.C. Römer, mr. W.M.C. Tilleman en mr. D.J.M.W. Paridaens, in tegenwoordigheid van

mr. S.W.M. Stevens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

16 december 2016.

De voorzitter en de jongste raadsheer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.