Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:5723

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-11-2016
Datum publicatie
16-01-2017
Zaaknummer
23-001630-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wederrechtelijke vrijheidsberoving en mishandeling van ex-partner, mishandeling partner en witwassen. Strafmaatappel. Vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidsstelling toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-001630-16

datum uitspraak: 18 november 2016

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 26 april 2016 in de strafzaken onder de parketnummers

15-800540-15 en 15-871593-15 (gevoegd ter terechtzitting in eerste aanleg) tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,

adres: [adres].

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door rechtbank Noord-Holland vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 5 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering, staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

4 november 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – voor zover in hoger beroep nog aan de orde - ten laste gelegd dat:

feit 1:
hij op of omstreeks 17 november 2015 te Alkmaar en/of te Zaanstad, althans in Noord-Holland opzettelijk [naam 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft/is hij, verdachte

- die [naam 1] opgewacht nabij haar werkplek;

- een arm om de nek van die [naam 1] gelegd en aangespannen (waardoor die [naam 1] niet los kon komen);

- die [naam 1] (aldus) meegesleurd/meegenomen naar zijn auto;

- die [naam 1] gedwongen in de auto te stappen;

- met de auto en met [naam 1] daarin naar Zaandam gereden en nadien weer terug naar Alkmaar;

- zich gedurende de autorit verbaal en fysiek agressief jegens [naam 1] opgesteld;

feit 2:

hij op of omstreeks 17 november 2015 te Alkmaar en/of te Zaanstad, althans in Noord-Holland [naam 1] heeft mishandeld door haar (meermalen) tegen haar hoofd en in haar gezicht te slaan;

feit 3:

hij op of omstreeks 25 november 2015 te Alkmaar [naam 1] heeft mishandeld door haar een klap (met zijn vuist) in haar gezicht te geven;

feit 4:
hij op of omstreeks 21 november 2015 te Amsterdam [naam 2] heeft mishandeld door haar een klap op haarneus te geven;

feit 6:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 22 januari 2015 t/m 18 maart 2015 te Alkmaar en/of Amsterdam, in elk geval een of meer plaats(en) in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) van een of meer voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) (van in totaal 481 Euro), de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft/hebben verborgen en/of verhuld, althans heeft/hebben verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een of meer voorwerp(en), te weten voornoemde gelbedrag(en), was/waren of wie bovenomschreven voorwerp(en), voorhanden had/hadden en/of (telkens) een of meer voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) (van in totaal 481 Euro) (telkens) heeft/hebben verworven, voorhanden heeft/hebben gehad, heeft/hebben overgedragen en/of omgezet, althans van een of meer voorwerp(en), te weten voornoemd(e) geldbedrag(en), (telkens) gebruik heeft/hebben gemaakt, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig(e) misdrijf/misdrijven (te weten oplichting).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 en 6 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

feit 1:
hij op 17 november 2015 te Alkmaar en te Zaanstad opzettelijk [naam 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers heeft hij, verdachte

- een arm om de nek van die [naam 1] gelegd en aangespannen, waardoor die [naam 1] niet los kon komen;

- die [naam 1] aldus meegesleurd naar zijn auto;

- die [naam 1] gedwongen in de auto te stappen;

en is hij, verdachte
- met de auto en met [naam 1] daarin naar Zaandam gereden en nadien weer terug naar Alkmaar;


feit 2:

hij op 17 november 2015 te Alkmaar en te Zaanstad [naam 1] heeft mishandeld door haar meermalen tegen haar hoofd en in haar gezicht te slaan;

feit 3:

hij op 25 november 2015 te Alkmaar [naam 1] heeft mishandeld door haar een klap met zijn vuist in haar gezicht te geven;

feit 4:
hij op 21 november 2015 te Amsterdam [naam 2] heeft mishandeld door haar een klap op haar neus te geven;

feit 6:

hij op tijdstippen in de periode van 22 januari 2015 tot en met 18 maart 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, voorwerpen, te weten geldbedragen (van in totaal 481 Euro), voorhanden had terwijl hij, verdachte, redelijkerwijs moest vermoeden dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf (te weten oplichting).

Hetgeen onder 1, 2, 3 en 4 en 6 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2, 3 en 4 en 6 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven.

Het onder 2, 3 en 4 bewezen verklaarde levert op:

Telkens: mishandeling.

Het onder 6 bewezen verklaarde levert op:

schuldwitwassen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1, 2, 3 en 4 en 6 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1, 2, 3, 4 en 6 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met aftrek van voorarrest.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 2, 3, 4 en 6 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een ernstig feit door zijn ex-partner, [naam 1], van haar vrijheid te beroven. Hij heeft haar opgewacht bij haar werkplek te Alkmaar, meegesleurd naar zijn auto en tegen haar wil meegenomen naar Zaanstad en weer terug naar Alkmaar. Door zijn handelen heeft hij het slachtoffer angst aangejaagd en belemmerd in haar persoonlijke bewegingsvrijheid en daardoor een grove inbreuk gemaakt op haar lichamelijke en geestelijke integriteit. Daar komt nog bij dat de verdachte gedurende de autorit, [naam 1] veelvuldig tegen het hoofd heeft geslagen. Daardoor heeft zij pijn heeft ondervonden.

De verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan mishandeling van [naam 2], zijn partner. Hij heeft [naam 2] op haar werk opgezocht en haar daar met gebalde vuist een klap op de mond gegeven. Aan huiselijk geweld moet zwaar worden getild. Juist binnen de relationele sfeer dienen veiligheid, vertrouwen en lichamelijke integriteit een gegeven te zijn.

Ten slotte heeft de verdachte geldbedragen voorhanden gehad, terwijl hij had moeten vermoeden dat deze uit misdrijf afkomstig waren.

Ten voordele van de verdachte heeft het hof meegewogen de navolgende persoonlijke omstandigheden van de verdachte, die ter terechtzitting in hoger beroep door de verdachte naar voren zijn gebracht. Sinds zijn vrijlating is de verdachte aan het werk en hij werkt thans fulltime via een detacheringsbureau bij een metaalbedrijf. De ruzie met [naam 1] is bijgelegd en de verdachte heeft weer contact met haar. Ook de verdachte en [naam 2] hebben inmiddels weer goed contact, wonen samen en zorgen gezamenlijk voor hun drie kleine kinderen. De verdachte is van plan naar Zwolle te verhuizen en is in die stad op zoek naar een baan. Met betrekking tot een bij hem vastgestelde antisociale persoonlijkheidsstoornis is een behandelingstraject van start gegaan.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 12 oktober 2016 is hij in de vijf jaren voorafgaand aan de periode waarin de bewezen verklaarde feiten zijn gepleegd, niet onherroepelijk strafrechtelijk veroordeeld. Na de pleegdata van de onderhavige feiten is de verdachte niet meer voor soortgelijke feiten met justitie in aanraking gekomen.

Alles afwegende acht het hof een forse taakstraf een passende strafrechtelijke reactie op het bewezen verklaarde. Om te bevorderen dat de verdachte zich in het vervolg weerhoudt van het plegen van strafbare feiten, zal het hof de verdachte tevens een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met een proeftijd van twee jaren, opleggen.

Vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidsstelling (VI-nummer 99-000134-37)

De verdachte is bij besluit van 23 april 2014 voorwaardelijk in vrijheid gesteld van de gevangenisstraf die hem is opgelegd bij onherroepelijk arrest van dit hof van 11 november 2008 met parketnummer

23-007369-07. De voorwaardelijke invrijheidsstelling is bij dat besluit op 23 april 2014 verleend voor een periode van 1.257 dagen onder de daaraan verbonden voorwaarden. De verdachte heeft zich in 2015 op verschillende momenten schuldig gemaakt aan de onderliggende bewezen verklaarde feiten. Het Openbaar Ministerie heeft - vanwege deze overtreding van de algemene voorwaarden - op

30 november 2015 gevorderd dat de voorwaardelijke invrijheidsstelling voor een periode van 750 dagen zal worden herroepen. De voorwaardelijke invrijheidsstelling is met ingang van 30 november 2015 geschorst vanwege de verdenking van de onderhavige strafbare feiten. Deze schorsing is op 4 maart 2016 opgeheven.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat de vordering wordt toegewezen en dat de verdachte alsnog een vrijheidsstraf voor de duur van zes maanden moet ondergaan.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep primair verzocht de vordering af te wijzen. Subsidiair heeft hij voorgesteld de behandeling van de voor de duur van een jaar aan te houden.

Het hof overweegt als volgt. Vast staat dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd wederom aan strafbare feiten heeft schuldig gemaakt. Desalniettemin bestaat aanleiding de vordering niet geheel toe te wijzen. De verdachte is, zoals bij de motivering van de strafoplegging is overwogen, de goede weg ingeslagen en het herroepen van de voorwaardelijke invrijheidsstelling zou deze positieve ontwikkeling (kunnen) doorkruisen.

De herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling zal daarom worden beperkt. De vordering zal worden toegewezen voor een periode, gelijk aan die waarin de voorwaardelijke invrijheidsstelling geschorst is geweest, te weten 95 dagen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 282, 300 en 420quater van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 5 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 en 6 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het 1, 2, 3 en 4 en 6 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (eenhonderdtwintig) dagen hechtenis.

Wijst toe de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling (met

VI-nummer 99-000134-37) in dier voege dat de herroeping beloopt 95 dagen met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in detentie heeft doorgebracht tengevolge van de schorsing van de voorwaardelijke invrijheidsstelling, en met afwijzing voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.D.L. Nuis, mr. D.J.M.W. Paridaens en mr. P.C. Römer, in tegenwoordigheid van

mr. S.W.M. Stevens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

18 november 2016.

[…]