Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:5714

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-12-2016
Datum publicatie
06-01-2017
Zaaknummer
23-002585-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zes jaar gevangenisstraf voor medeplegen twee gewapende overvallen in Medemblik en Wieringerwerf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-002585-16

datum uitspraak: 20 december 2016

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 1 juli 2016 in de strafzaak onder de parketnummers 14-810434-12 en 14‑701249-11 (TUL) tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [land] ) op [geboortedatum] 1993 ,

adres: [adres] ,

thans gedetineerd in PI Noord Holland Noord, Unit Zuyder Bos te Heerhugowaard.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6 december 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten aanpassing omschrijving tenlastelegging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

1:
hij op of omstreeks 02 januari 2012 in de gemeente Medemblik, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in of uit een woning (gelegen aan [adres] , aldaar) heeft weggenomen drie, althans één of meerdere (gouden) armband(en) en/of een (DECT-)telefoon, in elk geval één of meer goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ,in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit

- het richten en/of gericht houden van een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) op die [slachtoffer 1] en/of

- het tonen van een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp aan die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] en/of

- het (met kracht) (bij de keel/hals) vastpakken en/of vasthouden van die [slachtoffer 2] en/of

- het (telkens) (met kracht) duwen en/of plaatsen van een voet op de rug van die [slachtoffer 2] ;


2 primair:

hij op of omstreeks 02 januari 2012 te Wieringerwerf, gemeente Hollands Kroon, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in of uit een woning (gelegen aan de [adres] , aldaar) heeft weggenomen een of twee mobiele telefoon(s) en/of een of meerdere ring(en) en/of een armband en/of (andere) sieraden en/of een horloge en/of een autosleutel en/of een portemonnee, inhoudende (ongeveer) honderdvijftig euro en/of een of twee bankpas(sen), in elk geval een of meerdere goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] heeft gedwongen tot de afgifte van een of twee mobiele telefoon(s) en/of een of meerdere ring(en) en/of een armband en/of (andere) sieraden en/of een horloge en/of een autosleutel en/of een portemonnee, inhoudende (ongeveer) honderdvijftig euro en/of een of twee bankpas(sen), in elk geval een of meerdere goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit

- het met een (stoep)tegel ingooien van een raam van genoemde woning en/of

- het tonen van een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp aan die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of het plaatsen van dat/een mes/voorwerp tegen het lichaam van die [slachtoffer 3] en/of

- het drukken van een handdoek tegen het gezicht van die [slachtoffer 3] en/of

- het (onder dreiging van dat/een mes) meevoeren van die [slachtoffer 3] naar een bovenverdieping van genoemde woning en/of

- het op de knieën dwingen van die [slachtoffer 3] en/of

- het richten en/of gericht houden van een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) op die [slachtoffer 4] en/of

- het (met kracht) slaan en/of prikken (met dat vuurwapen/voorwerp) tegen/op het hoofd en/of de borst en/of de schouder van die [slachtoffer 4] en/of

- het (met kracht) in de rug en/of tegen de heup trappen van die [slachtoffer 4] en/of

- het tegen die [slachtoffer 3] zeggen dat haar man ( [slachtoffer 4] ) dood was

- het dreigen dood te schieten van een hond van die [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 3] en/of het trappen tegen een bench (alwaar die/een hond [van die [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 3] ] inzat);


2 subsidiair:

hij in of omstreeks de periode van 02 januari 2012 tot en met 6 februari 2012 te Wieringerwerf, gemeente Hollands Kroon en/of Bovenkarspel en/of Hoorn, in elk geval in Nederland, een ring (goudkleurig met inscriptie ' [naam] ' en/of 21.4.68 en/of 19.3.1970) en/of een armband (zilverkleurig, glad met schakel) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van voornoemde sieraden wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Gevoerde verweren

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht de verdachte vrij te spreken van het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde. Hij heeft daartoe de volgende verweren gevoerd.

  • -

    Er is onvoldoende bewijs dat het bij beide ten laste gelegde woningovervallen om dezelfde dadergroep gaat. De aanname dat het om dezelfde dadergroep gaat is gebaseerd op een vergelijking van het aantal personen, de genoemde signalementen en de aangetroffen banden- en schoensporen. Dat het in beide overvallen om vier daders met donkere kleding en wapens gaat is onvoldoende specifiek om daaraan conclusies te verbinden, nu niet is gebleken van onderscheidende kenmerken in de signalementen of van de gebruikte wapens. Ook de aangetroffen schoensporen zijn onvoldoende specifiek om vast te stellen dat ze overeenkomen, nu die sporen wijzen op een merk en type schoenen dat door veel mensen wordt gedragen. De bij de overval in Wieringerwerf aangetroffen bandensporen zouden kunnen zijn veroorzaakt door de Opel Corsa die zou zijn gebruikt door medeverdachte [medeverdachte 1] , maar met zekerheid is dat niet vastgesteld. Bovendien zegt dat niets over de dadergroep. Een contra-indicatie voor de hypothese dat het gaat om dezelfde dadergroep blijkt uit de in het dossier opgenomen ping-gesprekken, die slechts over één buit gaan. Bovendien is het niet realistisch te veronderstellen dat dezelfde daders kort na het plegen van een woningoverval in de nabije omgeving nogmaals een woningoverval zouden plegen.

  • -

    De resultaten van het DNA-onderzoek kunnen niet voor het bewijs gebruikt worden. De bivakmuts en handschoenen zijn twee maanden na de overvallen in een tas in de Opel Corsa aangetroffen. DNA verplaatst zich gemakkelijk en het risico op contaminatie is daarom heel groot. Dat kan verklaren waarom DNA van de verdachte is aangetroffen op de aangetroffen handschoen.

  • -

    Aan de resultaten van het onderzoek naar de glasdeeltjes kan geen bewijswaarde worden toegekend gelet op het geringe aantal glasdeeltjes dat mogelijk gelinkt kan worden aan de onderhavige feiten. Ook deze resultaten kunnen niet voor het bewijs gebruikt worden.

  • -

    Blijkens de door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring is het duidelijk dat hij “dicht bij het vuur” zat, maar hij is niet betrokken geweest bij het plegen van de tenlastegelegde feiten. De verdachte heeft een aannemelijke verklaring gegeven voor het aantreffen van zijn DNA in de bivakmuts en op de handschoen alsook voor zijn aanwezigheid in Hoorn en de zich in het dossier bevindende pinggesprekken. Tevens heeft hij een aannemelijke verklaring gegeven voor zijn betrokkenheid bij de sieraden die afkomstig zijn uit de woningoverval in Wieringerwerf. Ander redengevend bewijs is er niet, aldus steeds de raadsman.

Het hof overweegt als volgt.

Dezelfde dadergroep

Op 2 januari 2012 heeft omstreeks 21.00 uur een overval plaatsgevonden op een woning aan [adres] in Medemblik. Op diezelfde avond is omstreeks 22:45 uur een woning gelegen aan de [adres] in Wieringerwerf overvallen. Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen stelt het hof vast dat zowel in Medemblik als in Wieringerwerf vier daders de betreffende woning zijn binnen gedrongen. Bij beide woningovervallen droegen de daders donkere kleding, vermoedelijk handschoenen en één van de daders droeg een geblokte sjaal voor zijn gezicht. In beide gevallen hadden de daders tenminste één mes en een vuurwapen (althans een daarop gelijkend voorwerp) bij zich. Zowel in Medemblik als in Wieringerwerf werden afdrukken van vier verschillende schoenzolen veiliggesteld. De schoensporen, aangetroffen bij de beide sporenonderzoeken, bleek te bestaan uit een schoen met profiel van (kort gezegd) Nike 0092, een schoen met profiel Dsquared 2916, een schoen met profiel Nike 2000 en een schoen met een profiel bestaande uit ribbels en cirkels dat nog niet bekend was in het referentiebestand. Bij onderzoek is gebleken dat de afmetingen, voor zover meetbaar, van de verschillende profielen overeenkwamen.

Gelet op het vorenstaande, in onderling verband en samenhang bezien en naast hetgeen hierna is vermeld, is het hof van oordeel dat dezelfde vier daders verantwoordelijk zijn geweest voor de woningoverval in Medemblik en die in Wieringerwerf.

Het hof volgt de raadsman niet in zijn betoog dat het onwaarschijnlijk is dat eenzelfde dadergroep na een woningoverval binnen kort tijdbestek in de omgeving nog een woningoverval zou plegen, nu dit standpunt strijdig is met de inhoud van de bewijsmiddelen. Evenmin ziet het hof een contra-indicatie in de constatering dat uit de pinggesprekken geen directe verwijzing naar twee overvallen valt af te leiden.

Het hof verwerpt het verweer.

Bruikbaarheid van het bewijs

Tijdens onderzoek op het adres [adres] in Wieringerwerf is een bandenspoor aangetroffen. Gebleken is dat dit bandenspoor veroorzaakt kan zijn door een voorband van een Opel Corsa met kenteken [kenteken] . Medeverdachte [medeverdachte 1] is eerder als bestuurder in deze auto gezien en had deze auto verzekerd. Bedoelde auto is kort na de overvallen, op 10 januari 2012, verkocht aan een bedrijf. [betrokkene 1] heeft deze Opel Corsa gekocht en daarna onder de passagiersstoel van de auto een zwarte wollen bivakmuts en twee paar zwarte, wollen handschoenen (van het merk Puma en Thermolate) aangetroffen. De handschoenen en de bivakmuts zijn vervolgens in een tas aan een verbalisant overhandigd en deze zijn elk aan de gehele binnenzijde bemonsterd. Zowel het DNA-mengprofiel dat is verkregen uit de bemonstering van de bivakmuts als het DNA-profiel verkregen uit de gehele binnenzijde van de linker Puma handschoen, matcht met het DNA-profiel van de verdachte. Uit de verklaring van de verdachte ter zitting in hoger beroep leidt het hof af dat de aangetroffen bivakmuts hem heeft toebehoord. De stelling dat door contaminatie materiaal bevattende DNA van de verdachte op de handschoen(en) is terecht gekomen acht het hof niet aannemelijk, gelet op de wijze van bemonstering, te weten aan de binnenzijde daarvan. Het feit dat de handschoenen in een zak met de bivakmuts hebben gezeten is onder deze omstandigheden onvoldoende om contaminatie aan te nemen. Het hof verwerpt het verweer dat de resultaten van het DNA-onderzoek niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt.

Op de bivakmuts en de handschoenen zijn glasdeeltjes aangetroffen. Die glasdeeltjes zijn vergeleken met een bij de woningoverval in Wieringerwerf vernielde ruit. Uit glasvergelijkend-onderzoek (NFI rapport van 12 februari 2015) is gebleken dat voor 1 van de 8 glasdeeltjes uit de Puma handschoenen en voor 2 van de 6 glasdeeltjes uit de bivakmuts geldt dat de resultaten van het onderzoek veel waarschijnlijker zijn wanneer de glasdeeltjes afkomstig zijn van de bij de overval in Wieringerwerf vernielde ruit dan wanneer deze afkomstig zijn van een willekeurig andere ruit of een willekeurig ander glazen voorwerp. Voor 6 van de 9 in de Thermolate handschoenen aangetroffen glasdeeltjes geldt dat de resultaten van het onderzoek iets waarschijnlijker zijn wanneer de glasdeeltjes afkomstig zijn van voornoemde vernielde ruit dan wanneer ze afkomstig zijn van een willekeurig andere ruit of een willekeurig ander glazen voorwerp. Het hof verwerpt eveneens het verweer dat de resultaten van het onderzoek van de glasdeeltjes van het bewijs moeten worden uitgesloten. Naar het oordeel van het hof is niet gesteld en evenmin onderbouwd dat dit onderzoek niet met de daarvoor vereiste deskundigheid is geschied. Het hof ziet ook overigens geen reden om te twijfelen aan de conclusies van dit onderzoek.

Alternatief scenario

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep, kort gezegd, verklaard dat [medeverdachte 2] hem op 2 januari 2012 heeft gevraagd mee te doen aan een overval maar dat hij dat heeft geweigerd. Wel heeft hij op verzoek van [medeverdachte 2] een bivakmuts aan hem uitgeleend. Vervolgens is de verdachte naar zijn vriendin in Hoorn gegaan en heeft hij daar de avond en nacht verbleven. In de loop van de avond zijn [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] naar Hoorn gekomen. Zij hebben hem gebeld toen zij vlak bij de woning van de vriendin van de verdachte waren, waarop hij hen buiten de woning heeft ontmoet. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hebben de verdachte enkele sieraden getoond en de afspraak gemaakt dat hij die sieraden voor hen zou verkopen bij een opkoopbedrijf voor sieraden in Hoorn. De volgende dag is de verdachte naar Bovenkarspel gegaan om de sieraden op te halen maar toen bleek dat [medeverdachte 2] zelf de sieraden al te koop had aangeboden in Hoorn. Wel heeft de verdachte een trouwring die is weggenomen bij de overval in Wieringerwerf, verkocht aan de opkoper, maar hij had daarbij niet het verband gelegd tussen die overval en de ring, aldus verdachte.

De verklaring van de verdachte komt er in de kern op neer dat hij een alternatief scenario schetst voor zijn betrokkenheid bij de beide woningovervallen. Uit het betoog van de raadsman volgt dat hij zich op het standpunt heeft gesteld dat dit alternatief scenario niet door de bewijsmiddelen wordt weerlegd en de verdachte hooguit de onder 2. subsidiair ten laste gelegde heling kan worden verweten.

Het hof stelt voorop dat de verdachte dit alternatief scenario eerst ter terechtzitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht, ruim vier jaren nadat hij voor het eerst als verdachte in de onderhavige zaak is gehoord. Dit doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van zijn verklaring, aangezien hij gedurende die periode volop de gelegenheid heeft gehad het strafdossier te bestuderen en zijn verklaring daarop af te stemmen. Voorts stelt het hof vast dat niet alle bewijsmiddelen worden weerlegd door het alternatief scenario. Zo heeft [betrokkene 2] verklaard dat de verdachte, die hij heeft herkend van de hem getoonde foto en die hij [bijnaam] noemt, bij “Wieringerwerf’ betrokken was, evenals [medeverdachte 1] (het hof begrijp: [medeverdachte 1] ) en [medeverdachte 2] (het hof begrijpt: [medeverdachte 2] ). De verdachte heeft ontkend dat hij [bijnaam] wordt genoemd, hetgeen evenwel strijdig is met de verklaring van [medeverdachte 1] waarin deze heeft verklaard dat een vriend van [medeverdachte 2] genaamd [verdachte] en van Afrikaanse afkomst (het hof begrijpt: de verdachte) ook [bijnaam] wordt genoemd (p. 1640). Bovendien bevat het dossier een pinggesprek van 3 januari 2012 waarin de gebruiker van het PIN-nummer van de verdachte zich [bijnaam] noemt en door de andere persoon “ [land] ” wordt genoemd (het geboorteland van de verdachte, p. 583). Het hof gaat er dan ook van uit dat het de verdachte is die dat pinggesprek heeft gevoerd.

Daarnaast heeft de verdachte geen afdoende verklaring voor het feit dat zijn DNA-profiel overeenkomt met het DNA-profiel dat is aangetroffen in een monster van de binnenkant van de linker Puma handschoen die in de Opel Corsa is aangetroffen.

Het hof overweegt tot slot dat het zeer ongeloofwaardig is dat de verdachte zonder enige beloning zijn bivakmuts – die hij eerder op had gehad – aan [medeverdachte 2] zou uitlenen, wetende dat [medeverdachte 2] een overval zou gaan plegen en hij, eveneens zonder beloning, sieraden zou verkopen, waarvan hij wist of vermoedde dat die van de overval afkomstig waren, terwijl hij anderzijds [medeverdachte 2] zou hebben laten weten niet met hem mee te willen doen aan een overval.

Bovengenoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, leiden tot het oordeel dat het alternatief scenario niet aannemelijk is.

Het verweer, strekkende tot vrijspraak, wordt in al zijn onderdelen verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij op 2 januari 2012 in de gemeente Medemblik, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning gelegen aan [adres] , heeft weggenomen drie gouden armbanden en een DECT-telefoon, toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen [slachtoffer 2] en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld bestonden uit

- het richten en gericht houden van een vuurwapen of een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [slachtoffer 1] en

- het tonen van een mes aan die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] en

- het vastpakken van die [slachtoffer 2] en

- het telkens duwen en eenmaal plaatsen van een voet op de rug van die [slachtoffer 2] ;


2 primair:

hij op 2 januari 2012 te Wieringerwerf, gemeente Hollands Kroon, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan de [adres] , heeft weggenomen twee mobiele telefoons en een armband en een andere sieraad en een horloge en een autosleutel toebehorende aan [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken

en

met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] heeft gedwongen tot de afgifte van ringen en een horloge en een portemonnee, inhoudende (ongeveer) honderdvijftig euro en twee bankpassen toebehorende aan [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] ,

welk geweld en welke bedreiging met geweld bestonden uit

- het met een stoeptegel ingooien van een raam van genoemde woning en

- het tonen van een mes, aan die [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en het plaatsen van dat mes tegen het lichaam van die [slachtoffer 3] en

- het drukken van een handdoek tegen het gezicht van die [slachtoffer 3] en

- het richten en gericht houden van een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) op die [slachtoffer 4] en

- het met kracht slaan met dat (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) tegen het hoofd van die [slachtoffer 4] en het slaan tegen de borst en het prikken met dat (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) tegen de schouder van die [slachtoffer 4] en

- het tegen de heup trappen van die [slachtoffer 4] .

Hetgeen onder 1 en 2 primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze zijn opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Het onder 2 primair bewezen verklaarde levert op:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen,

en

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 primair bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren met aftrek van voorarrest.

De raadsman heeft verzocht, indien het hof tot een bewezenverklaring komt, een straf op te leggen gelijk aan die door de rechtbank is opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan twee gewapende woningovervallen in Medemblik en Wieringerwerf. De slachtoffers werden volkomen onverwacht in de beschermde omgeving van hun woning, bij uitstek de plaats waar men zich veilig moet kunnen voelen, door de verdachte en zijn mededaders op gewelddadige wijze bestolen van geld en/of voorwerpen – soms met emotionele waarde – of gedwongen tot afgifte daarvan. Bij de overvallen hebben de verdachte en zijn mededaders gebruik gemaakt van vuurwapens dan wel op vuurwapens gelijkende voorwerpen en van messen.

Het hof neemt als strafverzwarende omstandigheid in aanmerking dat het gaat om professioneel uitgevoerde overvallen met meerdere slachtoffers. Met name de overval op de woning in Wieringerwerf is op zeer brutale en gewelddadige wijze uitgevoerd. De verdachte en zijn mededaders hebben de bewoners volledig overvallen door een stoeptegel door het raam te gooien en door de gebroken ruit de woonkamer in te stappen. Slachtoffer [slachtoffer 4] is tegen zijn hoofd geslagen, onder meer met een (nep)vuurwapen, tegen zijn borst geslagen, en tegen zijn heup getrapt. Zijn echtgenote [slachtoffer 3] is met een mes bedreigd en één van de daders vertelde haar vlak voordat zij de woning verlieten dat haar man dood zou zijn, hetgeen niet het geval was maar bij haar ongetwijfeld een hevige gemoedsbeweging teweeg heeft gebracht. Uit de bijlagen die bij de vorderingen tot schadevergoeding van [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] zijn gevoegd blijkt dat bij beide slachtoffers na de overval een posttraumatische stressstoornis is vastgesteld.

Ook bij de overval op de woning in Medemblik is bruut geweld gebruikt en zijn bedreigingen geuit. Eén van de daders richtte een (nep)vuurwapen op slachtoffer [slachtoffer 1] . Zijn echtgenote [slachtoffer 2] moest onder bedreiging van een (nep)vuurwapen op de grond gaan liggen. Eén van de daders hield haar met zijn voet op de grond. Zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] hebben na de overval last van slaapproblemen, zo blijkt uit de voegingsformulieren.

De verdachte heeft bij het plegen van genoemde feiten kennelijk enkel oog gehad voor zijn eigen financieel gewin waarbij hij de slachtoffers in een voor hen buitengewoon beangstigende situatie heeft gebracht. Hiermee heeft hij een grove inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers. Slachtoffers van dergelijke feiten ondervinden daarvan vaak nog lang de psychische gevolgen. Bovendien veroorzaken dergelijke feiten heftige gevoelens van onveiligheid en onrust in de samenleving.

Het hof overweegt dat in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat de redelijke termijn is aangevangen. De verdachte is op 1 oktober 2012 in verzekering gesteld, hetgeen het hof aanmerkt als het moment waarop de verdachte in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem ter zake van de ten laste gelegde feiten strafvervolging zou worden ingesteld. Eerst op 1 juli 2016 is het vonnis waarvan beroep gewezen, zodat het hof constateert dat in eerste aanleg de redelijke termijn in ruime mate is overschreden. Hoewel die overschrijding in enige mate wordt gecompenseerd door een voortvarende behandeling in hoger beroep is het hof van oordeel dat de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg matiging van de op te leggen straf tot gevolg moet hebben.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 21 november 2016 is hij eerder, toen hij nog minderjarig was, ter zake van andersoortige misdrijven onherroepelijk veroordeeld. Het hof zal deze veroordeling niet ten nadele van de verdachte meewegen in de strafoplegging. Het hof heeft voorts gelet op het rapport van Reclassering Nederland van 18 mei 2015 waaruit niet blijkt van criminogene factoren die wijzen op een verhoogd gevaar voor recidive. De verdachte woont bij zijn moeder, heeft een vaste relatie en volgt een zogeheten BOL-opleiding. Daarmee wordt in matigende zin enigszins rekening gehouden, evenals met de jeugdige leeftijd van de verdachte ten tijde van het plegen van de feiten.

Het hof zoekt bij de oplegging van een straf aansluiting bij de Oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken (LOVS). Daaruit volgt dat voor een woningoverval met licht geweld of bedreiging een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie jaren en voor een woningoverval met (aanzienlijk) geweld een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren een passende straf wordt geacht.

Alles overwegende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren en zes maanden passend.

Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg zal deze gevangenisstraf met zes maanden worden verminderd en zal het hof een gevangenisstraf van na te melden duur opleggen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 4.500,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 januari 2012. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 4.000,-. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat vordering dient te worden toegewezen.

De verdachte heeft de vordering niet inhoudelijk betwist.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 primair bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 4.500,-. Het hof zal op dit bedrag in mindering brengen de vergoeding van € 2.942,- die de benadeelde partij van het Schadefonds Geweldsmisdrijven heeft ontvangen aangezien de Staat voor dat bedrag in de rechten van de benadeelde partij is getreden. De verdachte is tot vergoeding van een bedrag van € 1.588,- gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat de benadeelde partij in de vordering niet worden ontvangen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.313,- . De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat vordering dient te worden toegewezen.

De verdachte heeft de vordering niet inhoudelijk betwist.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 2.313,-. Het hof zal op dit bedrag in mindering brengen de vergoeding van € 2.313,- die de benadeelde partij van het Schadefonds Geweldsmisdrijven heeft ontvangen aangezien de Staat voor dat bedrag in de rechten van de benadeelde partij is getreden. Het hof zal om die reden de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 950,00, . In het voegingsformulier is vermeld dat de totale schade € 6.284,91 bedraagt, maar dat een schade-uitkering is gedaan door het Schadefonds. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 3.334,-, waarbij de rechtbank kennelijk is uitgegaan van een vordering van € 6.284,91. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden toegewezen tot een bedrag van € 3.334,-.

De verdachte heeft de vordering niet inhoudelijk betwist.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 129.444,62. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 5.600,80. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor een bedrag van € 12.794,- .

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat vordering dient te worden toegewezen tot een bedrag van € 7.000,-.

De verdachte heeft de vordering niet inhoudelijk betwist.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 primair bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 12.794,-. Het hof zal op dit bedrag in mindering brengen de vergoeding van € 6.053,-- die de benadeelde partij van het Schadefonds Geweldsmisdrijven heeft ontvangen aangezien de Staat voor dat bedrag in de rechten van de benadeelde partij is getreden. De verdachte is tot vergoeding van € 6.741,- gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat de benadeelde partij in de vordering niet kan worden ontvangen en dat de vordering voor dat gedeelte slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 47, 57, 63, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering tenuitvoerlegging

Het Openbaar Ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de Kinderrechter te Alkmaar van 15 november 2011 opgelegde voorwaardelijke werkstraf in de vorm van een taakstraf van 50 uren subsidiair 25 dagen jeugddetentie. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen.

Met de advocaat-generaal acht het hof toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging, gelet op de aard daarvan in verhouding tot de langdurige gevangenisstraf die in de huidige strafzaak zal worden opgelegd, niet opportuun en het zal om die reden de vordering afwijzen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

Vest Kl: groen (3588839)

Sieraad, gouden armband (454409)

Sieraad, gouden ketting (454412)

Sieraad, gouden ketting (454413)

Sieraad, gouden armband (454414)

Sieraad, gouden armband (454536)

Sieraad, zilveren armband (454540)

Sieraad, zilveren ketting met 27-11-10 (454541)

Sleutel Kl: rood, Gilera (370952)

Horloge Ancre (370953).

Gelast de teruggave aan [slachtoffer 3] van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

Sieraad, zilveren armband (454537).

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] ter zake van het onder 2 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.588,- (eenduizend vijfhonderd acht en tachtig euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 2 januari 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 3] , ter zake van het onder 2 primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van €1.588,- (eenduizend vijfhonderd achtentachtig euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 2 januari 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Verklaart de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 950,- (negenhonderd vijftig euro) en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 950,- (negenhonderd vijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 19 (negentien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 4] ter zake van het onder 2 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 6.741,- (zesduizend zevenhonderd eenenveertig euro) en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 4] , ter zake van het onder 2 primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 6.741,- (zesduizend zevenhonderd eenenveertig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 68 (achtenzestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Noord-Holland van 29 november 2012, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kinderrechter te Alkmaar van 15 november 2011, parketnummer 14-701249-11, voorwaardelijk opgelegde werkstraf in de vorm van een taakstraf van 50 uren subsidiair 25 dagen jeugddetentie.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.L.M. van der Voet, mr. A.D.R.M. Boumans en mr. C.N. Dalebout, in tegenwoordigheid van mr. A.M.R. Karsemeijer, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 december 2016.