Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:5711

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-12-2016
Datum publicatie
04-01-2017
Zaaknummer
23-001512-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Jeugdzaak. Diefstal met verbreking in vereniging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-001512-16

datum uitspraak: 29 december 2016

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam van 6 april 2016 in de strafzaak onder parketnummer 13-684624-15 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,

adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 22 september 2016 en 15 december 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 17 november 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een scooterhandschoen, in elk geval een of meer goed(eren), geheel of ten dele toebehorend aan [naam] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij hij, verdachte en/of zijn mededader(s) die weg te nemen scooterhandschoen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking van voornoemde scooterhandschoen;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof de voorkeur geeft aan een andere bewijsconstructie en op onderdelen van het vonnis afwijkt.

Bewijsoverwegingen

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit omdat er onvoldoende bewijs is voor medeplegen. Voorts heeft zij aangevoerd dat de verklaringen van [medeverdachte] van het bewijs moeten worden uitgesloten nu deze onbetrouwbaar zijn.

Het hof stelt voorop dat het aangevoerde zijn weerlegging in de bewijsmiddelen vindt. Het hof overweegt overigens het volgende.
Uit het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , van 17 november 2015 volgt dat verbalisant [verbalisant 1] heeft waargenomen dat zowel medeverdachte [medeverdachte] als verdachte afzonderlijk van elkaar hebben getrokken aan de scooterhandschoen en dat zij zicht op elkaar hielden en op de omgeving.

Het hof oordeelt dat op basis van deze waarnemingen kan worden bewezen dat tussen verdachte en zijn medeverdachte sprake was van een gezamenlijke uitvoering, zodat het verweer dat van medeplegen niet kan worden gesproken geen nadere bespreking behoeft.

Het enkele feit dat [medeverdachte] bij de politie zijn rol heeft ontkend en ten overstaan van de rechter-commissaris een bekennende verklaring heeft afgelegd, waarna hij ter terechtzitting in hoger beroep wederom deels anders heeft verklaard, maakt niet dat zijn verklaringen als geheel onbetrouwbaar van het bewijs moeten worden uitgesloten. [medeverdachte] heeft immers op onderdelen consistent verklaard, te weten waar het gaat om zijn en verdachtes aanwezigheid bij de bewuste scooter op 17 november 2015. Dat onderdeel acht het hof in elk geval betrouwbaar en zal het hof voor het bewijs bezigen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 17 november 2015 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een scooterhandschoen, toebehorend aan [naam] , waarbij hij, verdachte en zijn mededader die weg te nemen scooterhandschoen onder hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking van voornoemde scooterhandschoen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De kinderrechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een geldboete van € 100,00, subsidiair 2 dagen jeugddetentie.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft samen met een ander een scooterhandschoen weggenomen. Een ergerlijk feit dat de gedupeerde naast schade ook hinder bezorgt.

Het hof heeft bij het bepalen van de straf acht geslagen op een de verdachte betreffend rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 25 januari 2016, waaruit kort gezegd blijkt van een positieve ontwikkeling van de verdachte. Tevens heeft het hof meegewogen dat de verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 2 december 2016 niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld.

Na zijn aanhouding zijn bij de verdachte transportboeien aangelegd. Met de raadsvrouw en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat uit de omstandigheden, zoals die uit het dossier naar voren komen, niet blijkt van feiten en omstandigheden die het gebruik van handboeien bij de minderjarige verdachte redelijkerwijs vereisten. Het hof acht dat een verzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. Het belang dat het geschonden voorschrift dient, is groot en de ernst van het verzuim tamelijk groot. Nu het nadeel dat daardoor is veroorzaakt beperkt is – immers daaromtrent is slechts gesteld dat de verdachte pijn heeft ondervonden – zal het hof in strafmatigende zin rekening houden met het vormverzuim.

Het hof acht, alles afwegende, een geldboete van na te melden hoogte passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 77a, 77g, 77l en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 90,00 (negentig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 1 (één) dag jeugddetentie.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N.R.A. Meerbeek, mr. M.F.J.M. de Werd en mr. A.M. Kengen, in tegenwoordigheid van mr. S. Ourahma, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 29 december 2016.