Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:5700

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-12-2016
Datum publicatie
09-01-2017
Zaaknummer
23-001141-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Straatroof. Mishandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-001141-16

datum uitspraak: 13 december 2016

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 22 maart 2016 in de strafzaak onder parketnummer 13-665545-15 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2001,

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

23 juni 2016, 1 september 2016 en 29 november 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

1:
hij op of omstreeks 28 oktober 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weggenomen een jas en/of mobiele telefoon en/of tablet en/of koptelefoon en/of een of meer andere goederen van zijn/hun gading, toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 1] gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s), aan de jas van voornoemde [slachtoffer 1] heeft/hebben getrokken en/of een groot mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, heeft/hebben getoond en/of voorgehouden aan voornoemde [slachtoffer 1];

en/of

hij op of omstreeks 28 oktober 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] te dwingen tot de afgifte van zijn jas en/of mobiele telefoon en/of tablet en/of koptelefoon en/of een of meerdere andere goederen van zijn/hun gading, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan voornoemde [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

- naar de school van voornoemde [slachtoffer 1] is/zijn gegaan waarna hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) voornoemde [slachtoffer 1] heeft/hebben opgewacht en/of

- voornoemde [slachtoffer 1] heeft/hebben gedwongen om met hen mee te lopen en/of de bosjes in te lopen en/of - de jas van voornoemde [slachtoffer 1] heeft/hebben getracht open te maken en/of (daarna) heeft/hebben gezegd dat voornoemde [slachtoffer 1] zijn jas moest losmaken en/of uittrekken en/of

- ( vervolgens toen [slachtoffer 1] weigerde zijn jas uit te trekken) een groot mes heeft/hebben getrokken en/of getoond en/of voorgehouden aan voornoemde [slachtoffer 1];

2:
(gevoegde zaak 13/684641-15)

PRIMAIR

hij op of omstreeks 09 december 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, op of aan de openbare weg, de [adres 2], in elk geval op of aan een openbare weg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een jas en/of een (mobiele) telefoon en/of een of meer sleutels, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of zijn mededaders), welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en), dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s)

- naar voornoemde [slachtoffer 2] is/zijn toegegaan en/of (vervolgens)

- ( met kracht) eenmaal of meermalen aan de ha(a)r(en) van voornoemde [slachtoffer 2] heeft/hebben getrokken en/of gerukt en/of (vervolgens)

- ( met kracht) eenmaal of meermalen in/tegen het gezicht, in elk geval tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 2] heeft/hebben geslagen en/of gestompt en/of (vervolgens)

- ( met kracht) een knietje tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 2] heeft/hebben gegeven

en/of

hij op of omstreeks 9 december 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, op of aan de openbare weg, de [adres 2], in elk geval op of aan een openbare weg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 2] te dwingen tot de afgifte van haar jas en/of (mobiele) telefoon en/of sleutel(s), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan voornoemde [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

- naar voornoemde [slachtoffer 2] is/zijn toegegaan en/of (vervolgens)

- ( met kracht) eenmaal of meermalen aan de ha(a)r(en) van voornoemde [slachtoffer 2] heeft/hebben getrokken en/of gerukt en/of (vervolgens)

- ( met kracht) eenmaal of meermalen in/tegen het gezicht, in elk geval tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 2] heeft/hebben geslagen en/of gestompt en/of (vervolgens)

- ( met kracht) een knietje tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 2] heeft/hebben gegeven;

SUBSIDIAIR, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden,

hij op of omstreeks 09 december 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, L.[slachtoffer 2] heeft mishandeld, door:

- ( met kracht) eenmaal of meermalen aan de ha(a)r(en) van voornoemde [slachtoffer 2] te trekken en/of rukken en/of (vervolgens)

- ( met kracht) eenmaal of meermalen in/tegen het gezicht, in elk geval tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 2] te slaan en/of stompen en/of (vervolgens)

- ( met kracht)een knietje tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 2] te geven waardoor voornoemde [slachtoffer 2] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Bewijsoverweging feit 2

De verdediging heeft bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde. De raadsman heeft daartoe primair aangevoerd dat niet bewezen kan worden verklaard dat de verdachte op 9 december 2015 op de [adres 2] in Amsterdam aanwezig is geweest en het in de tenlastelegging omschreven geweld heeft gebruikt en ook niet dat met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening is gehandeld. Subsidiair heeft de raadsman naar voren gebracht dat geen sprake is van het medeplegen van geweld.

Naar het oordeel van het hof is wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 2 subsidiair ten laste is gelegd. Het hof overweegt daartoe als volgt.

Uit de inhoud van het dossier, waaronder de verhoren bij de raadsheer-commissaris, en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, is het volgende gebleken. De aangeefster, [slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij op 9 december 2015 achter haar school in Amsterdam werd ingesloten door een aantal jongens. Een van hen droeg een masker en gebruikte geweld tegen haar. Zij herkende de verdachte als deze persoon. Deze lezing vindt op essentiële punten steun in de verklaringen van een aantal getuigen. De getuige [getuige 1] heeft de aangeefster horen roepen en is achter de jongens aangegaan. Hij heeft één van de jongens herkend als zijnde verdachte. De getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij heeft gezien dat de verdachte [slachtoffer 2] bij haar haren heeft gepakt, heeft geslagen en knietjes heeft gegeven. Ook de getuige [getuige 3] heeft verklaard dat zij heeft gezien dat de verdachte de aangeefster sloeg, aan haar haren trok en knietjes heeft gegeven. Het hof is op grond hiervan van oordeel dat bewezen is dat de verdachte degene is geweest die geweld heeft gebruikt jegens aangeefster. Het verweer van de verdediging wordt op dat punt verworpen.

Naar het oordeel van het hof is onvoldoende bewijs voorhanden dat de verdachte de in de aangifte genoemde goederen van aangeefster heeft gestolen of afhandig heeft gemaakt, dan wel dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en één of meer anderen, gericht op het wegnemen van die goederen.

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigen bewezen hetgeen de verdachte onder 2 primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij op 28 oktober 2015 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een jas en een mobiele telefoon en een tablet en een koptelefoon, toebehorende aan [slachtoffer 1], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 1] gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, en zijn mededader aan de jas van voornoemde [slachtoffer 1] hebben getrokken en een groot mes hebben getoond aan voornoemde [slachtoffer 1];

2 subsidiair:
hij op 09 december 2015 te Amsterdam L.[slachtoffer 2] heeft mishandeld, door:

- met kracht aan de haren van voornoemde [slachtoffer 2] te trekken en

- tegen het gezicht van voornoemde [slachtoffer 2] te slaan en stompen en

- een knietje tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 2] te geven waardoor voornoemde [slachtoffer 2] pijn heeft ondervonden.

Hetgeen onder 1 en 2 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Het onder 2 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezen verklaarde veroordeeld tot een jeugddetentie van 180 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 110 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met bijzondere voorwaarden.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en onder 2 primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie van 180 dagen, waarvan 110 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren met bijzondere voorwaarden.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een straatroof, waarbij geweld is gebruikt tegen een leeftijdsgenoot en er spullen weg zijn genomen. Daarnaast heeft de verdachte een leeftijdsgenote mishandeld, nadat deze over het onder 1 ten laste gelegde feit een belastende verklaring over de verdachte had afgelegd. Met zijn handelen heeft de verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijk integriteit en het gevoel van veiligheid van de slachtoffers. Dit soort delicten tast bovendien het algemeen gevoel van veiligheid in de samenleving aan. Uit de stukken is gebleken dat de slachtoffers nog steeds last hebben van het gebeurde.

Het hof houdt rekening met het de verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie van

15 november 2016 waaruit blijkt dat hij niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld.
Het hof heeft voorts acht geslagen op de inhoud van het over de verdachte uitgebrachte Pro Justitia-rapport van 17 januari 2016, opgemaakt door gz-psycholoog drs. [naam 1]. Uit het rapport volgt dat er bij de verdachte in ieder geval sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een gedragsstoornis NAO en een in negatieve richting ingezette identiteits- en persoonlijkheidsontwikkeling waarbij er sprake is van achterblijvende egomorele en empathische ontwikkeling. Dit was ook het geval ten tijde van het plegen van het onder 1 ten laste gelegde feit. Geadviseerd wordt om de verdachte op zijn minst verminderd toerekeningsvatbaar te achten en gelet op een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van betrokkene een (deels) voorwaardelijke jeugddetentie op te legen met als bijzondere voorwaarde deelname aan behandeling bij forensisch centrum De Waag.

Het hof neemt voornoemde conclusie over.

Daarnaast heeft het hof kennisgenomen van het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 8 december 2015. Namens de Raad, heeft [naam 2] daar ter terechtzitting nog aan toegevoegd dat er een positieve ontwikkeling bij de verdachte te zien is. De verdachte heeft een aantal doelen behaald. Daarnaast moet een aantal belangrijke zaken nog vorm krijgen. Ook vanuit school heeft men laten weten dat er beter contact mogelijk is met de verdachte. Geadviseerd wordt een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen met als bijzondere voorwaarden toezicht en begeleiding door de Jeugdbescherming regio Amsterdam (hierna: JBRA), behandeling bij de Waag en deelname aan het traject voor vroegtijdige intensieve gezinsinterventie (hierna: VIG).

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft [naam 3] namens Spirit naar voren gebracht dat de verdachte zich de afgelopen periode goed heeft ingezet en dat er veel stappen zijn gezet, zowel qua school, bijbaan, vrijetijdsbesteding als het starten met de behandeling bij de Waag. [naam 4], de gezinsmanager van de verdachte, heeft daar namens JBRA nog aan toegevoegd dat het momenteel redelijk goed gaat met de verdachte, maar dat er sprake is van een belaste thuissituatie die veel zorgen met zich brengt. In dat kader wordt VIG geadviseerd, zodat er één coach is die alle vereiste zorg coördineert.

Gelet op het bovenstaande ziet het hof, met inachtneming van de oriëntatiepunten straftoemeting voor jeugdigen, aanleiding om aan de verdachte een jeugddetentie op te leggen van 150 dagen, waarbij een gedeelte van de straf voorwaardelijk zal worden opgelegd zoals door de Raad wordt geadviseerd. Deze straf is lager dan door de advocaat-generaal gevorderd en door de rechtbank is opgelegd, mede doordat het hof tot een andere bewezenverklaring is gekomen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.505,82. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.239,21. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.239,21. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 subsidiair bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij ziet op schade die niet als een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde kan worden aangemerkt. In zoverre kan de benadeelde partij daarom in de vordering niet worden ontvangen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 300 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 150 (honderdvijftig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot 80 (tachtig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren of ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde verplicht is zich gedurende de volledige proeftijd te melden bij de Jeugdbescherming regio Amsterdam, zo frequent en zolang de Jeugdbescherming dit noodzakelijk acht.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de volledige proeftijd onder behandeling zal stellen van De Waag of soortgelijke instelling op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling vast te stellen.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde deelneemt aan het traject voor vroegtijdige intensieve gezinsinterventie (VIG) bij Spirit.

Geeft opdracht aan de Jeugdbescherming regio Amsterdam, gevestigd te Amsterdam, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.505,82 (duizend vijfhonderdvijf euro en tweeëntachtig cent) bestaande uit € 855,82 (achthonderdvijfenvijftig euro en tweeëntachtig cent) materiële schade en € 650,00 (zeshonderdvijftig euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 28 oktober 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 28 oktober 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd

[slachtoffer 1], ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.505,82 (duizend vijfhonderdvijf euro en tweeëntachtig cent) bestaande uit € 855,82 (achthonderdvijfenvijftig euro en tweeëntachtig cent) materiële schade en € 650,00 (zeshonderdvijftig euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen jeugddetentie, met dien verstande dat de toepassing van die jeugddetentie de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 28 oktober 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 28 oktober 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 2 subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 500,00 (vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd

[slachtoffer 2], ter zake van het onder 2 subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 500,00 (vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 1 (één) dag jeugddetentie, met dien verstande dat de toepassing van die jeugddetentie de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. Kengen, mr. P.A.M. Hoek en mr. N.R.A. Meerbeek, in tegenwoordigheid van

mr. M. Venderbosch, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

13 december 2016.

[......]