Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:57

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-01-2016
Datum publicatie
20-01-2016
Zaaknummer
200.173.149/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Klacht tegen gerechtsdeurwaarders. Klager verwijt de gerechtsdeurwaarders dat zij tuchtrechtelijk laakbaar hebben gehandeld ter zake van de tenuitvoerlegging van een ontruimingsvonnis. De kamer heeft alle klachtonderdelen ongegrond verklaard. Het hof overweegt dat in de rechtspraak verschillend wordt geoordeeld over de vraag of voor het invorderen van de ontruimingskosten een afzonderlijke titel is vereist in het geval het dictum van het ontruimingsvonnis geen veroordeling in die kosten bevat. Het hof acht het daarom evenals de kamer niet tuchtrechtelijk laakbaar dat de gerechtsdeurwaarders klager hebben aangesproken tot betaling van de onderhavige vordering en zijn overgegaan tot beslaglegging toen betaling uitbleef. Het hof bevestigt de bestreden beslissing.

Wetsverwijzingen
Gerechtsdeurwaarderswet 34, geldigheid: 2013-01-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2016/80

Uitspraak

beslissing

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer : 200.173.149/01 GDW

nummer eerste aanleg : 618.2014

beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 12 januari 2016

inzake

[klager] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellant,

tegen

1. [gerechtsdeurwaarder 1] ,

2. [gerechtsdeurwaarder 2]

gerechtsdeurwaarders te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerden,

gemachtigde: [gemachtigde] .

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellant (hierna: klager) heeft op 10 juli 2015 een beroepschrift, met bijlage, bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam (hierna: de kamer) van 29 mei 2015 (ECLI:NL:TGDKG:2015:63). De kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht van klager tegen geïntimeerden (hierna: de gerechtsdeurwaarders) ongegrond verklaard.

1.2.

De gerechtsdeurwaarders hebben op 1 september 2015 een verweerschrift, met bijlagen, bij het hof ingediend.

1.3.

Op 19 oktober 2015 is bij het hof een faxbericht van klager binnengekomen. Bij brief van 20 oktober heeft het hof klager medegedeeld dit faxbericht buiten beschouwing te laten, aangezien dit een inhoudelijke reactie behelst op het verweerschrift van de gerechtsdeurwaarders en het toepasselijke procesreglement dat uitsluit.

1.4.

Op 20 oktober 2015 is van de gerechtsdeurwaarders een brief met aanvullende producties ontvangen.

1.5.

De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 29 oktober 2015. Klager en de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarders zijn verschenen en hebben het woord gevoerd; klager aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota.

Klager heeft bezwaar gemaakt tegen indiening van de brief met producties van 20 oktober 2015 door de gerechtsdeurwaarders, omdat de desbetreffende stukken niet binnen de in het procesreglement bepaalde periode van tien dagen voor de behandeling ter terechtzitting zijn ingediend. Hierop heeft het hof ter zitting beslist dat die stukken buiten beschouwing worden gelaten.

2 Stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3 Feiten

3.1.

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld.

3.2.

Kort gezegd gaat het in deze zaak om het volgende.

3.2.1.

Het kantoor waaraan de gerechtsdeurwaarders zijn verbonden [kantoor] is belast met de tenuitvoerlegging van een vonnis van de rechtbank Den Haag van 27 juni 2013 (hierna: het vonnis), waarbij de [vof] (hierna: de vof) en haar vennoten, onder wie klager, door de rechtbank zijn veroordeeld tot ontruiming van een door de vof gehuurd pand. Met betrekking tot de proceskosten is in het vonnis bepaald dat iedere partij de eigen kosten draagt. Dit vonnis, waartegen uitsluitend klager heeft geappelleerd, is bij arrest van 18 februari 2014 door het gerechtshof Den Haag bekrachtigd.

3.2.2.

Bij exploot van 31 juli 2013 is het vonnis betekend aan de vereffenaar van de vof en aan de vennoten met bevel aan het vonnis te voldoen met aanzegging van de ontruiming tegen 15 augustus 2013.

3.2.3.

Blijkens een daarvan opgemaakt proces-verbaal heeft de ontruiming plaatsgevonden op 15 augustus 2013.

3.2.4.

Bij brieven van 28 augustus 2013 zijn de vennoten door [kantoor] aangesproken tot betaling van een bedrag van € 1.185,92. Dit bedrag betrof de ontruimingskosten, hetgeen niet in de brief is vermeld.

3.2.5.

Bij e-mail van 2 september 2013 is de vereffenaar van de vof op diens verzoek een specificatie van de vordering toegezonden.

3.2.6.

Op 24 september 2013 heeft de vereffenaar [kantoor] een voorstel gedaan tot betaling van zes termijnen van € 200,00.

3.2.7.

Op 13 december 2013 heeft [kantoor] klager een specificatie van de vordering toegezonden.

3.2.8.

[kantoor] heeft op 13 februari 2014 beslag gelegd op roerende zaken van klager en de verkoop daarvan aangezegd tegen 26 juni 2014.

3.2.9.

Bij brief van 25 juni 2014 heeft klager bezwaar gemaakt tegen de vordering en de aangezegde executieverkoop. De executie is door [kantoor] opgeschort.

3.2.10.

Bij brief van 30 juni 2014 heeft [kantoor] de brief van klager beantwoord.

3.2.11.

Bij brief van 8 augustus 2014 heeft [kantoor] na overleg met haar opdrachtgever klager een toelichting gegeven op het door haar ingenomen standpunt.

4 Standpunt van klager

De klacht van klager houdt in dat de gerechtsdeurwaarders:

a. hebben verzuimd te onderzoeken of de vordering terecht was. Uit de proceskostenveroordeling in het vonnis van 27 juni 2013 blijkt dat deze kosten niet voor klagers rekening hadden moeten komen maar voor rekening van de verhuurder, nu bepaald was dat iedere partij de eigen kosten zou moeten dragen. Tevens stelt klager dat het vonnis geen executoriale titel bood voor het executeren van de ontruimingskosten, maar dat hiervoor een afzonderlijke executoriale titel vereist is;

b. zonder dat zij beschikten over een executoriale titel beslag hebben gelegd op de inboedel van klager;

c. onrechtmatig hebben gehandeld bij het betreden van de woning van klager;

d. klager niet tijdig hebben geïnformeerd over het niet doorgaan van de veilingverkoop;

e. onrechtmatig beslag hebben gelegd op het (het hof leest) roerend goed van klager;

f. de vereffenaar dienden aan te spreken voor de betaling van de vordering;

g. de vordering alleen op klager hebben verhaald en niet op de hoofdelijk aansprakelijke medevennoot;

h. het vonnis van 27 juni 2013 op eigen wijze hebben geïnterpreteerd om druk op klager te kunnen leggen;

i. in de aan klager gestuurde aanmaningen niet hebben vermeld waarop de vordering betrekking had.

5 Standpunt van de gerechtsdeurwaarders

De gerechtsdeurwaarders hebben verweer gevoerd. Het standpunt van de gerechtsdeurwaarders wordt, voor zover relevant, hieronder besproken.

6 Beoordeling

Klacht tegen [kantoor]

6.1.

Het hof stelt voorop dat het tuchtrecht tot doel heeft in het algemeen belang een goede wijze van beroepsbeoefening te bevorderen door toe te zien op het optreden van de individuele gerechtsdeurwaarder. Op grond van het bepaalde in artikel 34, eerste lid, en artikel 49 van de Gerechtsdeurwaarderswet (hierna: Gdw) zijn slechts gerechtsdeurwaarders, waarnemend gerechtsdeurwaarders en toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarders aan tuchtrechtspraak onderworpen. Een gerechtsdeurwaarderskantoor kan niet worden aangemerkt als beklaagde. Een gerechtsdeurwaarder kan worden aangesproken voor zijn eigen handelen of nalaten, maar ook voor dat van anderen voor wie hij de verantwoordelijkheid draagt. Voor fouten van medewerkers op een gerechtsdeurwaarderskantoor zijn daarom de gerechtsdeurwaarders tuchtrechtelijk verantwoordelijk, tenzij die fouten niet aan de gerechtsdeurwaarders kunnen worden toegerekend.

6.2.

De kamer heeft in de bestreden beslissing overwogen dat het dossier in behandeling was op het kantoor in [plaatsnaam] , maar de klacht is gericht tegen alle gerechtsdeurwaarders van het kantoor van [kantoor] te [plaatsnaam] . Nu uit de stukken niet kan worden opgemaakt welke gerechtsdeurwaarder verantwoordelijk is voor de door de klager verweten handelingen heeft de kamer de aan het kantoor in [plaatsnaam] verbonden gerechtsdeurwaarders als beklaagden aangemerkt. In hoger beroep zijn geen argumenten naar voren gebracht die tot een ander oordeel moeten leiden.

Klachtonderdelen a. en b.

6.3.

De gerechtsdeurwaarders voeren aan dat de ontruimingskosten uitsluitend moesten worden gemaakt omdat klager het pand niet ter vrije beschikking van de verhuurder heeft gesteld (de vof en de andere vennoot hebben wel vrijwillig ontruimd) en dat de bevoegdheid tot verhaal van de ontruimingskosten voortvloeit uit het vonnis en dat daarvoor geen afzonderlijke executoriale titel is vereist. Het hof overweegt als volgt.

6.4.

Over de vraag of voor het invorderen van de ontruimingskosten een afzonderlijke executoriale titel is vereist in het geval het dictum van het ontruimingsvonnis geen veroordeling in die kosten bevat, wordt in de rechtspraak verschillend geoordeeld. In ieder geval kwamen de aan die executie verbonden kosten voor rekening van klager, die immers niet heeft voldaan aan de veroordeling van 27 juni 2013 om het gehuurde te ontruimen. Het feit dat de rechtbank de kosten van de procedure die tot de veroordeling tot ontruiming heeft geleid, heeft gecompenseerd, doet daaraan niet af. Het hof acht het daarom, mede gelet op hetgeen de Hoge Raad over de voor en na de uitspraak gemaakte proceskosten heeft overwogen in zijn arrest van 19 maart 2010 (NJ 2011/237), verdedigbaar, en derhalve niet tuchtrechtelijk laakbaar dat de gerechtsdeurwaarders (onder meer) klager hebben aangesproken tot betaling van de onderhavige vordering en zijn overgegaan tot beslaglegging toen betaling uitbleef. Klachtonderdelen a. en b. zijn daarom ongegrond.

Klachtonderdeel c.

6.5.

De gerechtsdeurwaarders voeren aan dat, anders dan klager stelt, de kandidaat-gerechtsdeurwaarder van [kantoor] die op 13 februari 2014 beslag heeft gelegd op de roerende zaken van klager, zich wel heeft gelegitimeerd en het slot daarbij niet is geforceerd, aangezien klager toestemming gaf de woning te betreden. [kantoor] betwist dat de kandidaat-gerechtsdeurwaarder of een van de andere bij de beslaglegging aanwezige personen zich hebben misdragen. Voorts merken de gerechtsdeurwaarders op dat het aankondigen van een veilingverkoop via een aanplakbiljet aan de buitenzijde van de woning een door de wet voorgeschreven handeling is.

6.6.

Het hof oordeelt dat op grond van de betwisting zijdens de gerechtsdeurwaarders onvoldoende is komen vast te staan dat zijdens [kantoor] bij het betreden van de woning van klager in verband met de beslaglegging onrechtmatig is gehandeld. Het aanplakken van een aankondiging van de verkoop van de beslagen roerende zaken is, zoals de gerechtsdeurwaarders ook hebben gesteld, op grond van de wet verplicht (vgl. art. 464 Rv). Klachtonderdeel c. is derhalve ongegrond.

Klachtonderdeel d.

6.7.

Vast staat dat de veilingverkoop was aangezegd op 26 juni 2014 en klager op 25 juni 2014 een brief heeft gestuurd aan [kantoor] , waarin hij bezwaar maakte tegen die verkoop. Klager stelt zich op het standpunt dat hij pas op de dag van de veilingverkoop om 9.00 uur, terwijl de veilingverkoop om 10.00 uur zou beginnen, een ongedateerde brief van [kantoor] heeft ontvangen waaruit bleek dat de veilingverkoop niet zou doorgaan. De gerechtsdeurwaarders voeren aan dat zij de brief op 24 juni 2014 hebben verstuurd en dat deze op 25 juni 2014 bij klager moet zijn binnengekomen De gerechtsdeurwaarders stellen voorts dat geen verband bestaat tussen de brief van klager aan [kantoor] van 25 juni 2014 en het feit dat de verkoop is opgeschort.

6.8.

Het hof overweegt dat uit de brief van klager aan [kantoor] van 25 juni 2014 zo weinig urgentie blijkt dat moet worden aangenomen dat klager op het moment dat hij die brief schreef de brief van [kantoor] van 24 juni 2014, waarin werd medegedeeld dat de verkoop werd opgeschort, reeds had ontvangen. Het komt het hof voor dat klager, inmiddels op de hoogte van de opschorting van de verkoop, met zijn brief van 25 juni 2014 [kantoor] heeft willen waarschuwen de executie niet te hervatten. Klachtonderdeel d. is dan ook ongegrond.

Klachtonderdeel e.

6.9.

Zoals hiervoor werd overwogen hebben de gerechtsdeurwaarders niet tuchtrechtelijk laakbaar gehandeld door de vordering te executeren op klager. Niet is gebleken dat het beslag op de roerende zaken onrechtmatig is gelegd. Het had op de weg van klager gelegen om een executiegeschil aan te spannen als hij zich niet ermee kon verenigen dat betaling van de ontruimingskosten werd gevorderd door middel van executie van het ontruimingsvonnis. Klachtonderdeel e. is ongegrond.

Klachtonderdeel f. en g.

6.10.

Het hof oordeelt dat het de opdrachtgever van de gerechtsdeurwaarders vrij stond een keuze te maken op welke schuldenaar de vordering ter zake van de ontruimingskosten werd verhaald, nu alle gedaagden hoofdelijk tot ontruiming waren veroordeeld. Het lag bovendien voor de hand in casu voor klager te kiezen aangezien hij als enige niet vrijwillig aan de veroordeling had voldaan. Klachtonderdeel f. en g. zijn ongegrond.

Klachtonderdeel h.

6.11.

Uit het hiervoor overwogene volgt dat ook klachtonderdeel h. ongegrond is.

Klachtonderdeel i.

6.12.

Hoewel klager wellicht wel kon begrijpen wat de aard was van de in de aanmaningen van [kantoor] bedoelde vordering – hij was immers bekend met het ontruimingsvonnis en met het feit dat [kantoor] , die het vonnis aan hem had betekend, belast was met de tenuitvoerlegging daarvan, had desondanks van de gerechtsdeurwaarders mogen worden verwacht dat in de aanmaningen was vermeld dat het gevorderde bedrag de ontruimingskosten betrof. Dat een specificatie in dat stadium achterwege is gebleven is evenwel niet zodanig laakbaar dat dit tot een gegrondverklaring van de klacht zou moeten leiden. Klachtonderdeel i. is derhalve ongegrond.

6.13.

De conclusie van het hiervoor overwogene is dat de klacht in alle onderdelen ongegrond is. De bestreden beslissing zal worden bevestigd.

7 Beslissing

Het hof:

- bevestigt de bestreden beslissing.

Deze beslissing is gegeven door mrs. J.C.W. Rang, A.M.A. Verscheure en A.W. Jongbloed en in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2016 door de rolraadsheer.