Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:5684

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-12-2016
Datum publicatie
30-12-2016
Zaaknummer
23-001407-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

geen lokatieverbod door middel van electronisch toezicht opgelegd in verband met verbeterde persoonlijke omstandigheden en proceshouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-001407-16

datum uitspraak: 23 december 2016

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 6 april 2016 in de strafzaak onder parketnummer 15-800560-15 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 13 december 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en de gronden waarop het berust. Het hof zal dit vonnis derhalve bevestigen, zulks met uitzondering van de strafoplegging, de strafmotivering alsmede de beslissingen ten aanzien van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof na te melden bewijsmiddel toevoegt.

Bewijsmiddel

De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 13 december 2016. Deze verklaring houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven:

Ik beken de aan mij ten laste gelegde feiten.

Oplegging van straffen en maatregelen

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het onder 1, 2 subsidiair, 3 en 4 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren onder het stellen van, onder meer, de bijzondere voorwaarde dat de verdachte gedurende vier maanden een locatiegebod krijgt opgelegd, hetgeen gecontroleerd zal worden door middel van een zogenaamde enkelband. Daarnaast is aan de verdachte een taakstraf opgelegd van 120 uren onbetaalde arbeid.

De verdachte heeft ter zitting in hoger beroep verklaard hoger beroep te hebben ingesteld omdat hij het hof wil verzoeken hem geen locatiegebod met enkelband leggen. Een enkelband belemmert hem ernstig in het vinden van werk. Bovendien wordt een locatiegebod in de ouderlijke woning waar hij moet verblijven met zeven andere huisgenoten terwijl hij vooralsnog geen werk heeft, door hemzelf en zijn familie als belastend ervaren. De verdachte kan zich voor het overige geheel vinden in het vonnis waarvan beroep inclusief de opgelegde straf.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen en de verdachte zal veroordelen tot dezelfde straffen en maatregelen als door de rechter in eerste aanleg opgelegd, met dien verstande dat aan hem, overeenkomstig zijn verzoek, geen locatiegebod met controle door middel van een enkelband wordt opgelegd.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee woninginbraken en twee pogingen daartoe.

Hij heeft er door zo te handelen blijk van gegeven de eigendomsrechten van anderen niet te respecteren. Feiten als de onderhavige leveren niet slechts schade op maar veroorzaken ook gevoelens van onbehagen en onveiligheid bij de slachtoffers.

Het hof weegt in het voordeel van de verdachte dat hij, nadat hij ter terechtzitting bij het hof een bekennende verklaring heeft afgelegd, alsnog de volledige verantwoordelijkheid van zijn handelen op zich heeft genomen.

Daarnaast lijkt er een kentering op te treden in het leven van de verdachte in die zin dat hij bezig is zijn schulden af te lossen, naar werk en een eigen woning zoekt en hulp accepteert die hem vanuit de gemeente wordt geboden. Blijkens de Justitiële Documentatie van 21 november 2016 is de verdachte na het plegen van de onderhavige feiten niet meer veroordeeld of met justitie in aanraking is gekomen.

Hoewel de ernst van de feiten in beginsel een zwaardere straf zou rechtvaardigen zal het hof volstaan met de door de rechtbank opgelegde straf nu deze, mede gelet op de hierboven geschetste positieve ontwikkelingen in het leven van de verdachte, passend en geboden kan worden geacht, met dien verstande dat gelet op de gewijzigde persoonlijke omstandigheden van de verdachte zal worden afgezien van het opleggen van de bijzondere voorwaarde van een locatiegebod op het adres [adres].

De vordering van de benadeelde partijen

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft zich in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door hem geleden materiële schade van € 50,-- als gevolg van het aan de verdachte onder 2. subsidiair ten laste gelegde feit.

In eerste aanleg heeft de rechtbank de vordering geheel toegewezen.

De verdediging heeft de vordering en de hoogte van de vordering niet betwist.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2. subsidiair bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot een bedrag van € 50,-- zal worden toegewezen. Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft zich eveneens in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door hem geleden materiële schade van € 3.640,-- als gevolg van het aan de verdachte onder 3. subsidiair ten laste gelegde feit.

In eerste aanleg heeft de rechtbank de vordering tot een bedrag van € 1.370,-- toegewezen en voor het vorige niet ontvankelijk verklaard.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De verdediging heeft de vordering en de hoogte van de vordering, voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen, niet betwist.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3. bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot een bedrag van € 1.370,-- zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Ten overvloede merkt het hof nog het volgende op.

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft zich in eerste aanleg in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 813,21. Nu deze vordering door de rechtbank is afgewezen en deze benadeelde partij zich niet opnieuw in hoger beroep heeft gevoegd is deze vordering thans niet meer aan de orde.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en de strafmotivering alsmede de beslissingen ten aanzien van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en doet in zoverre opnieuw recht.

Ten aanzien van het onder 1, 2 subsidiair, 3 en 4 bewezenverklaarde:

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte groot acht (acht) maanden van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte

  • -

    zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

  • -

    ten behoeve van vaststelling identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in art. 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden;

  • -

    geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen,

  • -

    dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde verplicht is zich gedurende de volledige proeftijd:

- op bepaalde dagen en tijdstippen te melden bij reclassering Nederland te Haarlem, zolang en zo frequent de reclassering dit noodzakelijk acht, waarbij aan de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van deze bijzondere voorwaarde en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiding.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover de tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte voorts tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] en veroordeelt de verdachte, die evenals zijn mededaders hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan die [slachtoffer 1] een bedrag van € 50,00 (vijftig euro) materiële schade, met dien verstande dat indien en voor zover de één aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt de verdachte op de verplichtingen tot betaling aan de Staat van een som geld, groot € 50,00, zulks ten behoeve van [slachtoffer 1], voornoemd.

Beveelt voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag van € 50,00 volgt, dat hechtenis zal worden toegepast voor de duur van een dag, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor vermelde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader(s) heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat indien (en voor zover) de verdachte heeft voldaan aan één van evenvermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee (in zoverre) komt te vervallen.

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] en veroordeelt de verdachte, die evenals zijn mededaders hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan die [slachtoffer 2] tot een bedrag van

€ 1.370,00 (een duizend driehonderd zeventig euro) materiële schade, met dien verstande dat indien en voor zover de één aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt de verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat van een som geld, groot € 1.370,00, zulks ten behoeve van [slachtoffer 2], voornoemd.

Beveelt voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag van € 1.370,00 volgt, dat hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 23 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor vermelde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader(s) heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat indien (en voor zover) de verdachte heeft voldaan aan één van evenvermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee (in zoverre) komt te vervallen.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Iedema, mr. F.M.D. Aardema en mr. M.J. Dubelaar, in tegenwoordigheid van mr. F. Hardonk-Kruiswijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 23 december 2016.

Mr. Iedema en mr. Dubelaar zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[...........]