Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:5679

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-12-2016
Datum publicatie
02-01-2017
Zaaknummer
23-001488-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-001488-15

Datum uitspraak: 9 december 2016

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het

vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 8 april 2015 in de strafzaak onder parketnummer 13-703410-14 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

8 en 22 augustus 2016 en 25 november 2016.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Preliminair verweer

De raadsman heeft slechts willen opmerken dat het hof in de beslissing op het op 8 augustus 2016 gevoerde preliminair verweer, zoals gegeven op de terechtzitting van 22 augustus 2016, niet is ingegaan op de stelling van de verdediging dat de gemaakte afspraak tussen hof en rechtbank ter zake het onuitgewerkt inzenden van alle enkelvoudige verstekzaken ongeacht de appeldatum, in strijd is met de wet.

Het hof is van oordeel dat wat van die afspraak ook zij, een en ander niet leidt tot het door de raadsman verzochte gevolg, zijnde nietigverklaring van het onderzoek in eerste aanleg en terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Amsterdam. Voor het overige maakt het hof de overwegingen bij de ongegrond verklaring van het gevoerde preliminair verweer, zoals door het hof uitgesproken op 22 augustus 2016, tot de zijne.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 18 december 2014 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een aan de [adres 2] gelegen pand/perceel weg te nemen geld en/of goed(eren) van zijn/hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijfsnaam], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot dat pand/perceel te verschaffen en/of die/dat weg te nemen geld en/of goed(eren) onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen, zich naar dat pand/perceel heeft/hebben begeven en/of een slot van een deur van dat pand/perceel en/of een deur van dat pand/perceel heeft/hebben opengebroken en/of geforceerd en/of zich in dat pand/perceel heeft/hebben begeven.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewijsoverwegingen

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte zich samen met zijn medeverdachte op 18 december 2014 heeft schuldig gemaakt aan een poging diefstal door middel van braak.

Standpunt raadsman

De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte van het ten laste gelegde feit dient te worden vrijgesproken. De verdachte is in het dossier aangemerkt als ‘NN2’. Op de camerabeelden is te zien dat ‘NN2’ lichtkleurige schoenen en een jas van ‘The North Face’ droeg. Nu verbalisanten de verdachte hebben gefotografeerd zonder de kenmerkende elementen van ‘NN2’ in beeld te brengen, kan niet worden gesproken van een herkenning. Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat de goederen zoals ten laste gelegd het in de tenlastelegging genoemde bedrijf niet toebehoren zodat dat in elk geval niet bewezen verklaard kan worden.

Overwegingen van het hof

Het hof verwerpt het verweer en overweegt daartoe het volgende:

Op basis van de inhoud van het dossier gaat het hof uit van de volgende gang van zaken, zoals deze mede blijken uit de gemaakte camerabeelden.

In de nacht van 18 december 2014 komen twee personen op een scooter aanrijden. Zij parkeren de scooter op het Pauwenpad en lopen naar [adres 2]. Daar aangekomen breken de beide personen de deur open en lopen zij het pand binnen. Op de camerabeelden is te zien dat de persoon, in het dossier aangemerkt als ‘NN2’, een blauwe capuchon met daaronder een pet, een zwarte jas met op de rug de witte tekst ‘The North Face’ en lichtkleurige schoenen draagt. Na enige tijd verlaten de beide personen het pand. Op de Schollenburgstraat, vlakbij het pand op de [adres 2], worden de verdachte en zijn medeverdachte aangehouden. Op de Schollenburgstraat wordt een baco en een universele- paaltjes- sleutel met een verse menselijke geur gevonden. Op het Pauwenpad wordt een scooter op naam van de medeverdachte gevonden, terwijl deze scooter niet vast stond en de uitlaat nog warm was.

Na diens aanhouding is een foto van de verdachte gemaakt. Naar aanleiding van deze foto merkt verbalisant [verbalisant] op dat de verdachte op de foto ten voeten uit de verdachte ‘NN2’ is. Op deze foto draagt de verdachte een blauwe trui met capuchon en een zwarte jas. Het hof is van oordeel dat, gelet op de verklaring van verbalisant [verbalisant] omtrent de sterke gelijkenis tussen het signalement van de verdachte en ‘NN2’ en gelet op de foto in het dossier in combinatie met de omschrijving van het signalement van ‘NN2’, de verdachte dezelfde persoon is als NN2. Dat de witte tekst ‘The North Face’ op de rug van de jas en de lichtkleurige schoenen van de verdachte niet zijn gefotografeerd doet hier niet aan af.

Nu de verdachte en de medeverdachte midden in de nacht samen op een scooter zijn komen aanrijden, gezamenlijk naar het pand op de [adres 2] zijn gelopen en daar allebei de deur hebben opengebroken, samen het pand zijn binnengegaan en direct na elkaar het pand weer hebben verlaten, is het hof van oordeel dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte bij de poging diefstal door middel van braak.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 18 december 2014 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een aan de [adres 2] gelegen pand weg te nemen geld of goed van hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan een ander dan aan verdachte en zijn mededader zich naar het pand hebben begeven en een deur hebben geforceerd en zich in dat pand hebben begeven

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 week, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht en een taakstraf voor de duur van zestig uren subsidiair

30 dagen hechtenis.

Tegen voormeld vonnis heeft de raadsman namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachte schuldig gemaakt aan een poging diefstal door middel van braak. Dit is een ernstig en zeer hinderlijk feit dat veel overlast, ergernis en rompslomp heeft veroorzaakt voor de benadeelden. Gelet hierop is reeds het opleggen van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf een passende reactie.

Voorts overweegt het hof dat de verdachte geen verklaring heeft afgelegd bij de politie en niet is verschenen op de terechtzittingen in eerste aanleg en hoger beroep. Het hof heeft geen volledig en actueel zicht op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zodat dit bij de strafoplegging niet kan worden meegewogen.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 8 november 2016 is hij eerder ter zake van soortgelijke feiten als de onderhavige onherroepelijk veroordeeld. In het nadeel van de verdachte wordt gewogen dat hij hieruit kennelijk geen lering heeft getrokken.

Het hof acht alles afwegende een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) weken.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 2 (twee) weken, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.L. Leenaers, mr. J.W.H.G. Loyson en mr. R.C.P. Haentjens, in tegenwoordigheid van

A. Stronkhorst, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

9 december 2016.