Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:5635

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-11-2016
Datum publicatie
29-12-2016
Zaaknummer
23-000872-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak fietsendiefstal gezien de tijdspanne tussen de diefstal en het aantreffen van de fiets bij de verdachte. Veroordeling voor opzetheling van een fiets.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-000872-16

datum uitspraak: 10 november 2016

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 5 januari 2016 in de strafzaak onder parketnummer 13-133295-14 tegen

Petrus Franciscus DEKKER,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1960,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

27 oktober 2016.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

primair:
hij op of omstreeks 19 juni 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een fiets (te weten een Gazelle herenfiets), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam] in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 19 juni 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een fiets (te weten een Gazelle herenfiets) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van voornoemde fiets wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Vrijspraak primair ten laste gelegde

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de primair ten laste gelegde diefstal bewezen kan worden. De verdachte heeft in eerste instantie tegenover de politieambtenaren die hem met de bewuste fiets in zijn auto op straat aantroffen, verklaard dat hij de fiets twee jaar geleden in een winkel had gekocht. Deze verklaring bleek niet juist te zijn. Daarmee is die verklaring van de verdachte als kennelijk leugenachtig te bestempelen, hetgeen tot het bewijs kan bijdragen.

Het hof overweegt als volgt.

Anders dan kennelijk de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de door de genoemde verklaring van de verdachte in deze zaak niet noodzakelijkerwijs behoeft te zijn afgelegd om een door hem gepleegde diefstal van de fiets te bemantelen. Niet ondenkbaar is dat de verdachte ‘louter’ de criminele komaf heeft willen verhullen. Uit het dossier komt voorts niet eenduidig naar voren waar en op welk tijdstip de eigenaar de fiets (in goede orde) heeft achtergelaten of hoe laat de fiets gestolen is. Daarom kan ook niet met vrucht worden betoogd dat de tijdspanne tussen de diefstal en het aantreffen ervan dusdanig is dat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de verdachte deze zelf heeft gestolen. De verdachte dient bij die stand van zaken van het primair ten laste gelegde vrijgesproken te worden.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 19 juni 2014 te Amsterdam een fiets, te weten een Gazelle herenfiets, heeft verworven, terwijl hij ten tijde van het verwerven van voornoemde fiets wist dat het een door misdrijf verkregen goed.

Hetgeen subsidiair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het subsidiair bewezen verklaarde levert op:

opzetheling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg primair bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 1 dag en een taakstraf van 30 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 dagen hechtenis.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de heling van een fiets. Daarmee heeft hij een bijdrage geleverd aan het in stand houden van de markt voor gestolen goederen.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 17 oktober 2016 is hij eerder onherroepelijk veroordeeld, ook ter zake van vermogensdelicten. Dit weegt in zijn nadeel. Een straf als opgelegd door de politierechter is tegen deze achtergrond niet ongerechtvaardigd.

Het hof weegt in het voordeel van verdachte mee dat ter zitting in hoger beroep is gebleken dat, na het aan het licht komen van het bewezen strafbare feit, zijn persoonlijke omstandigheden zich zodanig hebben gewijzigd dat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het leven van de verdachte een positieve wending heeft gekregen. De verdachte heeft een dagbesteding, werkt als vrijwilliger in een bejaardentehuis en is voor een groot deel uit de financiële problemen. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf als door de eerste rechter opgelegd, bergt het risico in zich dat de ingezette positieve lijn wordt doorbroken. Daarom zal die straf in voorwaardelijke vorm worden opgelegd.

Alle omstandigheden in aanmerking genomen, acht het hof een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 63 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.M.J. Quaedvlieg, mr. F.M.D. Aardema en mr. J.J.I. de Jong, in tegenwoordigheid van

S. Pesch, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

10 november 2016.