Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:5634

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-10-2016
Datum publicatie
29-12-2016
Zaaknummer
23-000616-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet houden aan gedragsaanwijzing. Strafmatiging vanwege de persoonlijke omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer: 23-000616-16

datum uitspraak: 27 oktober 2016

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 11 februari 2016 in de strafzaak onder de parketnummers 13-030126-15 en 13-163059-11 (TUL) tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1973,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

27 oktober 2016.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 9 februari 2015 te Amsterdam, opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van Strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 15 januari 2015 gegeven door de Officier van Justitie te Amsterdam immers heeft verdachte opzettelijk zich in tramlijn 5 bevonden en/of opgehouden en/of heeft bevonden in/op de tramhalte van lijn 5, terwijl dit in de aan hem uitgereikte gedragsaanwijzing was verboden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 9 februari 2015 te Amsterdam opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van Strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 15 januari 2015 gegeven door de Officier van Justitie te Amsterdam, immers heeft verdachte opzettelijk zich in tramlijn 5 bevonden en op de tramhalte van lijn 5 opgehouden, terwijl dit in de aan hem uitgereikte gedragsaanwijzing was verboden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing, gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 dagen hechtenis.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft een door de officier van justitie gegeven gedragsaanwijzing om zich – kortgezegd – niet in enkele tramlijnen en –haltes te bevinden overtreden. De verdachte heeft er door zo te handelen blijk van gegeven deze gedragsaanwijzing van het daartoe bevoegde gezag, die tot doel had ernstig belastend gedrag van de verdachte jegens derden te beperken, met voeten te treden en zich daaraan niets gelegen te laten.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 17 oktober 2016 is hij in 2013 onherroepelijk veroordeeld ter zake van een soortgelijk feit. Dit weegt in zijn nadeel.

In strafmatigende zin heeft het hof meegewogen dat op de terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de verdachte gemotiveerd is om een nieuwe start in zijn leven te maken. Blijkens mededelingen van zijn raadsman kampte de verdachte in het verleden met verslavingsproblematiek, leefde hij op straat en stond hij bekend als zakkenroller. Thans beschikt de verdachte over een huurwoning, geniet hij een uitkering, staat hij onder bewind en heeft hij op vrijwillige basis hulp gezocht bij HVO Querido. Mede op grond van de op die zitting gegeven toelichting van de aan die instelling verbonden persoonlijk begeleider van de verdachte, [naam], heeft het hof de indruk gekregen dat de verdachte een begin heeft gemaakt met het inzetten van een stijgende lijn. Reeds omdat het onwenselijk wordt geacht dat deze stijgende lijn wordt doorbroken door oplegging van een vrijheidsstraf, zal het hof - anders dan de eerste rechter - aan de verdachte een taakstraf opleggen.

Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de politierechter te Amsterdam van 11 oktober 2015 opgelegde voorwaardelijke geldboete ter hoogte van

140 euro, subsidiair 2 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de vordering tot tenuitvoerlegging zal afwijzen.

Het hof acht - met de advocaat-generaal - termen aanwezig om de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 63 en 184a van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Amsterdam van 14 januari 2016, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter te Amsterdam van

11 oktober 2013, parketnummer 13-163059-11, voorwaardelijk opgelegde geldboete ter hoogte van

140 euro, subsidiair 2 dagen vervangende hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.M.J. Quaedvlieg, mr. F.M.D. Aardema en mr. J.J.I. de Jong, in tegenwoordigheid van

S. Pesch, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

27 oktober 2016.