Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:5630

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-10-2016
Datum publicatie
30-12-2016
Zaaknummer
23-002699-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bedreiging van een ambtenaar en wederspannigheid. Strafmaatverweer: de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit van de politie-inzet bij de arrestatie zijn geschonden. Verweer wordt verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer: 23-002699-15

datum uitspraak: 28 oktober 2016

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 18 juni 2015 in de strafzaak onder parketnummer 13-659227-14 tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,

thans uit anderen hoofde gedetineerd in PI Noord Holland Noord - HvB Zwaag te Zwaag.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 14 oktober 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:
hij op of omstreeks 12 mei 2014 te Amsterdam [verbalisant 1] (politieagent van Politie Eenheid Amsterdam) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte een of meermalen opzettelijk dreigend tegen die [verbalisant 1] de woorden gezegd "jij, zal ik je eens wat zeggen, jij bent de eerste die mij op mijn kin heeft geslagen, ik krijg jou nog wel, hier ga ik geld voor krijgen, ik pak jou nog wel, ik ga je neus breken met mijn vuisten" en/of "maak me maar los, dan zul je zien, ik ga iemand zijn kaak breken, jullie hebben nog een klap tegoed" en/of "jij was het, wacht maar, jouw neus ga ik breken", althans woorden van gelijke aard en/of strekking; (artikel 285 Wetboek van Strafrecht).

2:
hij op of omstreeks 12 mei 2014 te Amsterdam opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten [verbalisant 1], gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, die [verbalisant 1] in diens/dier tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden "die blinddoek doet mij niets, jij gebruikt hem zeker om je moeder mee te neuken", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking; (artikel 267 Wetboek van Strafrecht).

3:
hij op of omstreeks 12 mei 2014 te Amsterdam, toen (een) aldaar in uniform geklede dienstdoende politieambtena(a)r(en) [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] en/of [verbalisant 3] verdachte, als verdacht van het gepleegd hebben van één of meer op heterdaad ontdekt(e) strafba(a)r(e) feit(en) had(den) aangehouden en had(den) vastgegrepen, althans vast had(den) teneinde verdachte, ter geleiding voor een hulpofficier van justitie, over te brengen naar een politiebureau, zich met geweld tegen die eerstgenoemde opsporingsambtena(a)r(en), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun/zijn bediening, heeft verzet door te rukken en te trekken in een richting tegengesteld aan die, waarin die ambtena(a)r(en) verdachte trachtte(n) te geleiden; (artikel 180 Wetboek van Strafrecht).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof de bewezenverklaring anders motiveert.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij op 12 mei 2014 te Amsterdam [verbalisant 1], politieagent van Politie Eenheid Amsterdam, heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend tegen die [verbalisant 1] de woorden gezegd "jij, zal ik je eens wat zeggen, jij bent de eerste die mij op mijn kin heeft geslagen, ik krijg jou nog wel, hier ga ik geld voor krijgen, ik pak jou nog wel, ik ga je neus breken met mijn vuisten" en "jij was het, wacht maar, jouw neus ga ik breken", althans woorden van gelijke aard en strekking.

2:
hij op 12 mei 2014 te Amsterdam opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten [verbalisant 1], gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, die [verbalisant 1] in diens tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden "die blinddoek doet mij niets, jij gebruikt hem zeker om je moeder mee te neuken", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

3:
hij op 12 mei 2014 te Amsterdam, toen aldaar in uniform geklede dienstdoende politieambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] verdachte hadden aangehouden en hadden vastgegrepen, althans vast had(den) teneinde verdachte over te brengen naar een politiebureau, zich met geweld tegen die opsporingsambtenaren, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, heeft verzet door te rukken en te trekken in een richting tegengesteld aan die, waarin die ambtenaren verdachte trachtten te geleiden.

Hetgeen onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

bedreiging met zware mishandeling.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

wederspannigheid.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg ten laste gelegde bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken met aftrek, waarvan 2 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van 1 week met aftrek.

De raadsman heeft het volgende strafmaatverweer gevoerd

De ten laste gelegde feiten worden niet betwist, maar de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit van de politie-inzet bij de arrestatie zijn geschonden. Dit staat in de weg aan een strafoplegging, subsidiair aan oplegging van een onvoorwaardelijke straf. De politieambtenaren hebben geweld toegepast en de verdachte is door de politie-surveillancehond gebeten. Met name de inzet van de politie-surveillancehond is een dusdanig zwaar middel dat dit in de gegeven omstandigheden niet proportioneel was, te minder omdat niet van gevaar voor de veiligheid van politieambtenaren of derden is gebleken, terwijl er volop politie, en zelfs een helikopter, aanwezig was. Er waren minder ingrijpende middelen voorhanden en deze zijn niet toegepast, aldus de raadsman.

Het hof constateert dat er geen proces-verbaal van de hondenbegeleider in het procesdossier is opgenomen. Met het oog op de beoordeling van het gevoerde verweer is echter voldoende duidelijk op welke wijze de inzet van de politiehond heeft plaatsgevonden.

Op 12 mei 2014 trachten politieambtenaren, gesteund door een politiehelikopter en een hondengeleider, de verdachte aan te houden aangezien hij zich heeft onttrokken aan de tenuitvoerlegging van een PIJ-maatregel. Een eerdere poging daartoe was mislukt, omdat de verdachte was weggerend. Ook deze keer werkt de verdachte niet mee, geeft geen gehoor aan het bevel om te blijven staan en tracht zich aan de aanhouding te onttrekken door weg te rennen. Op enig moment wordt de verdachte met behulp van de politiehelikopter en de politiehond gelokaliseerd in een bosschage. De verdachte wordt meerdere malen gesommeerd uit de bosjes te komen en op de grond te gaan liggen maar geeft hieraan geen gevolg. De verbalisant [verbalisant 1] probeert vervolgens de verdachte fysiek onder controle te krijgen met behulp van aangeleerde technieken, waaronder een zogenaamde pijnprikkel, maar ook dat leidt er niet toe dat de verdachte zijn verzet staakt en onder controle wordt gebracht. Vervolgens komt de verbalisant [verbalisant 2] assisteren, maar ook met twee politieambtenaren lukt het niet de verdachte te controleren en hem transportboeien aan te leggen. De verbalisant [verbalisant 1] blijft de verdachte onderwijl aanroepen dat hij op de grond moet gaan liggen. De verdachte blijft zich fysiek verzetten tegen zijn aanhouding. Teneinde het verzet te breken geeft de verbalisant [verbalisant 1] de verdachte vervolgens een vuistslag op zijn kin en hij weet de verdachte naar de grond te krijgen. Op de grond blijft de verdachte zich echter fysiek verzetten, zodat het de verbalisant [verbalisant 1] niet lukt de verdachte te boeien. De hondengeleider zet vervolgens de politiehond in die, volgens het proces-verbaal van de verbalisant [verbalisant 1], de verdachte in zijn been bijt. Hierop neemt het verzet af en lukt het om de verdachte te boeien.

Hieruit blijkt dat de verdachte zich aan zijn aanhouding heeft geprobeerd te onttrekken en dat er op diverse alternatieve wijzen is getracht het verzet van de verdachte te breken en de verdachte te boeien. Er is pas geweld toegepast jegens de verdachte nadat hij mondelinge bevelen niet opvolgde. Het toegepaste geweld is vervolgens telkens opgeschaald nadat was gebleken dat de lichtere vorm van geweld niet tot het gewenste resultaat leidde en dat ook de voortdurende sommaties van de verbalisant [verbalisant 1] aan de verdachte om op de grond te gaan liggen geen effect hadden. Daarbij is van belang dat de verdachte, die naar eigen zeggen kickbokser is, zich fysiek heeft verzet. Uiteindelijk heeft de politiehond de verdachte gebeten. Hij heeft de verdachte vrijwel direct weer losgelaten, aldus de verdachte. Ofschoon de verdachte heeft verklaard dat de beet op dat moment veel pijn deed, heeft hij aan de beet, volgens eigen zeggen, slechts een klein wondje overgehouden en had hij de dag na het incident geen last meer van de beet.

Gelet hierop is de wijze van aanhouding niet in strijd met eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De verdachte heeft door te volharden in zijn (fysieke) verzet, ervoor gezorgd dat de verbalisanten toenemend geweld hebben moeten toepassen om zijn aanhouding tot een succes te brengen.

Het hof verwerpt derhalve het verweer.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging en belediging van een dienstdoende verbalisant. De verdachte heeft hiermee bij de betrokken ambtenaar in functie een gevoel van angst teweeggebracht en het openbaar gezag ondermijnd. Deze bedreiging heeft op de verbalisant blijkens diens verklaring extra indruk gemaakt door de kalme en berekende toon waarop deze is geuit. Voorts heeft de verdachte zich fysiek verzet bij zijn aanhouding. Zelfs nadat hij geboeid was heeft de verdachte zich nog misdragen. Nadat hem desgevraagd geantwoord was dat het nog 200 meter was naar het cellencomplex heeft de verdachte immers gezegd dat hij zich in dat geval nog 200 meter kon misdragen en heeft hij slaande bewegingen gemaakt met zijn hoofd in de richting van het hoofd van een verbalisant. De verdachte heeft geen berouw getoond van de bedreiging van de opsporingsambtenaar. De verdachte heeft in het verhoor, een dag na het gebeurde, geen afstand van zijn woorden genomen. Sterker nog, op de vraag wat hij denkt dat de politieagent van de bedreiging vond, heeft hij geantwoord: “ik weet niet en eerlijk gezegd interesseert het me ook niet. Ze mogen allemaal doodvallen.”

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 26 september 2016 is hij eerder onherroepelijk veroordeeld wegens misdrijven en zijn hem onder meer gevangenisstraffen opgelegd. Het hof houdt hiermee ten nadele van de verdachte rekening.

Gelet op het bovenstaande kan niet met minder dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf worden volstaan en kan de eis van de advocaat-generaal niet worden gevolgd.

Het hof acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57, 63, 180, 266, 267 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.C. Römer, mr. M.M. van der Nat en mr. T. de Bont, in tegenwoordigheid van S. Pesch, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 28 oktober 2016.

Mr. T. de Bont is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.