Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:5621

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-10-2016
Datum publicatie
30-12-2016
Zaaknummer
23-002996-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeplegen skimmen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer: 23-002996-15

datum uitspraak: 19 oktober 2016

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw)

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van

de rechtbank Amsterdam van 3 juli 2015 in de strafzaak onder de parketnummers 13-701250-13 en

06-940374-11 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1974,

adres: [adres].

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 3 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

5 oktober 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit - met uitzondering van de op te leggen straf - bevestigen met dien verstande dat het hof de redengevende feiten en omstandigheden aanvult, zoals hierna omschreven en door de raadsvrouw in hoger beroep aangevoerde verweren bespreekt, alsmede een beslissing zal geven over twee in beslag genomen voorwerpen.

In aanvulling op het onder 4.3 opgenomen oordeel van de rechtbank op pagina 4 in de laatste alinea over medeplegen, zal het hof tevens voor het bewijs van het ten laste gelegde medeplegen bezigen hetgeen de verdachte heeft verklaard tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris voor de inbewaringstelling op

11 februari 2013:

U vraagt mij of ik degene kende met wie ik ben aangehouden. Ja, heb (naar het hof begrijpt: ‘hem’) ken ik allang. Ik heb wel met hem gesproken. U houdt mij de foto voor op pagina 25. Dat is hem” (opmerking hof: op de foto op pagina 25 staat [medeverdachte], de medeverdachte).

Overwegingen

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep nogmaals aangevoerd dat naar haar mening het medeplegen niet bewezen kan worden. Weliswaar was de verdachte aanwezig op de parkeerplaats, maar volgens de raadsvrouw had de verdachte hier een reden voor, namelijk dat hij had afgesproken met iemand die hem naar Brussel zou brengen. Daarnaast is het volgens de raadsvrouw niet zeker dat de man, wiens signalement door de getuige [getuige] is doorgegeven, daadwerkelijk de verdachte betreft en is het mogelijk dat er nog een andere persoon aanwezig was. Bovendien stelt de raadsvrouw dat de bewijsconstructie, zoals gebruikt door de rechtbank, gebaseerd is op een enkele getuigenverklaring waarmee niet voldaan wordt aan de wettelijke bewijsminima.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] en dat er voldoende bewijs is de verdachte te veroordelen voor medeplegen. Voorts stelt de advocaat-generaal dat er geen twijfel omtrent de persoon van de verdachte bestaat alsmede dat indien de bewijsmiddelen van de rechtbank worden aangevuld met de door de verdachte bij de inbewaringstelling afgelegde verklaring inhoudende dat hij [medeverdachte] kende, er voldoende bewijsmiddelen in deze zaak voorhanden zijn.

Het hof overweegt het volgende.

Identiteit verdachte

Ten aanzien van de vraag van de raadsvrouw of de persoon die door de getuige [getuige] wordt beschreven wel de persoon van de verdachte betreft, overweegt het hof dat de getuige [getuige] heeft verklaard dat hij zich weliswaar op enige afstand bevond, maar wel alles goed kon zien. De korte afstand waarop [getuige] zich bevond volgt ook uit de door hem met zijn mobieltje gemaakte foto. Bovendien heeft de getuige [getuige] waargenomen dat (nadat hij de politie had gewaarschuwd) de verdachte en [medeverdachte] werden gearresteerd. Indien er bij de arrestatie sprake was van een persoonswisseling zou dit opgemerkt moeten zijn door de getuige [getuige]. Overigens heeft de verdachte bij de rechter-commissaris verklaard: “U vraagt mij of ik degene kende met wie ik ben aangehouden. Ja, heb (naar het hof begrijpt: ‘hem’) ken ik allang. Ik heb wel met hem gesproken. Daaruit leidt het hof af dat de verdachte in het gezelschap van [medeverdachte] was.

Medeplegen

Vooropgesteld moet worden dat voor medeplegen een bewuste en nauwe samenwerking is vereist tussen de verdachte en zijn medeverdachte en de samenwerking gericht is op het voltooien van het delict. Daarnaast moet de van medeplegen verdachte persoon aan de totstandkoming van het delict een wezenlijke bijdrage hebben geleverd. Daarbij is niet doorslaggevend dat de van medeplegen verdachte persoon ook daadwerkelijk uitvoerder is geweest of alle handelingen van het strafbare feit zelf moet hebben verricht; ook een andere rol kan leiden tot de conclusie dat de verdachte een wezenlijke bijdrage aan de voltooiing van het delict heeft geleverd.

Uit het dossier komt het volgende naar voren. De verdachte is samen met [medeverdachte] naar de parkeerautomaat gelopen. Terwijl [medeverdachte] de skimapparatuur plaatste heeft de verdachte de omgeving in de gaten gehouden en de handelingen van [medeverdachte] met zijn lichaam afgeschermd. Het hof oordeelt dat de verdachte daarmee niet alleen passief betrokken was bij het plaatsen van de skimapparatuur door alleen de omgeving te verkennen, maar ook actief betrokken was doordat hij tevens de handelingen van [medeverdachte] heeft afgeschermd. Het hof is van oordeel dat de verdachte, door aldus te handelen, een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de voltooiing van het strafbare feit. [medeverdachte] heeft de skimapparatuur aangebracht hetgeen de nodige aandacht vergt, waarbij het afschermen van die handelingen door een tweede persoon nodig is voor en bijdraagt aan de voltooiing daarvan. Immers, [medeverdachte] kon (op een open plek, bij daglicht) tijdens het plaatsen niet tevens zijn handelen afschermen (en ook de omgeving goed in de gaten houden) hetgeen nodig is om betrapping te voorkomen. Het hof overweegt om die reden dat de handelingen van de verdachte noodzakelijk waren en er derhalve gesproken kan worden van medeplegen van het strafbare feit. Daar komt bij dat de verdachte bij [medeverdachte] is gebleven na het plaatsen van de skimapparatuur. Hij is met [medeverdachte] naar een nabijgelegen bankje gelopen en zij zijn beiden daar gaan zitten en hielden daarbij de parkeerautomaat in de gaten. Ten tijde van het arriveren van de verbalisanten waren de verdachte en [medeverdachte] nog steeds samen en keken zij allebei in de richting van de betaalautomaat op het plein, hetgeen - in samenhang bezien met hetgeen hiervoor opgemerkt - duidt op een bewuste en nauwe samenwerking.

De verdachte heeft verklaard dat hij aanwezig was op de parkeerplek omdat hij stond te wachten op iemand die hem woensdag (het hof begrijpt: woensdag 13 februari 2013) naar Brussel zou brengen, omdat hij voor die dag een vliegticket had van Brussel naar Boekarest. De verdachte wilde met de (onbekend gebleven) persoon afspreken om duidelijk te krijgen of hij daadwerkelijk mee kon rijden naar Brussel op de desbetreffende woensdag. Deze (blote) stelling is op geen enkele wijze nader onderbouwd, het hof verwerpt dit verweer.

Het aanbod van de raadsvrouw om een vliegticket over te leggen voor de datum 13 februari 2013 van een vlucht vanuit Brussel, maakt dat niet anders. Ook als er van uit moet worden gegaan dat de verdachte een dergelijk ticket had, werpt het voorhanden hebben van een vliegticket voor 13 februari 2013 geen (ander) licht op hetgeen op 3 februari 2013 is gebeurd.

Het hof concludeert op basis van de voornoemde feiten en omstandigheden, in samenhang bezien, dat bewezen kan worden verklaard dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Het voorgaande brengt tevens mee dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde - voor zover dit betrekking heeft op de kaartlezer die door [medeverdachte] op de parkeerautomaat is geplaatst - heeft gepleegd.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek van voorarrest.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich, met zijn medeverdachte, schuldig gemaakt aan een poging tot skimmen en heeft een daarvoor te gebruiken kaartlezer voorhanden gehad. De verdachte heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan ernstige feiten. Niet alleen veroorzaken dergelijke vermogensmisdrijven schade voor financiële instellingen, ook het vertrouwen van de gebruikers van het bancaire systeem wordt door dit type misdrijven ondermijnd.

Het hof heeft acht geslagen op de straffen die doorgaans voor soortgelijke feiten worden opgelegd alsmede op het de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 21 september 2016 waaruit blijkt dat de verdachte eerder voor een soortgelijk misdrijf is veroordeeld en dat verdachte nog in de bij dat vonnis opgelegde proeftijd liep.

De relatief beperkte rol van de verdachte geeft het hof aanleiding de straf te matigen, zodat de straf lager uitkomt dan die door de rechtbank is opgelegd.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Beslag

Namens de verdachte is verzocht de onder de verdachte in beslag genomen, te weten een Nokia en een simkaart terug te geven aan de verdachte, nu er geen verband is tussen genoemde voorwerpen en het ten laste gelegde.

Het hof zal de teruggave van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen gelasten ten behoeve van de verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 45, 47, 56, 232 en 234 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 3 subsidiair ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: 1 Nokia telefoontoestel en, goednummer [nummer], en een simkaart, goednummer [nummer 2].

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. S. Clement, mr. A.M. van Amsterdam en mr. P. Volker, in tegenwoordigheid van S. Pesch, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 19 oktober 2016.

Mr. P. Volker is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.