Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:5615

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-12-2016
Datum publicatie
29-12-2016
Zaaknummer
23-001794-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst. Bewijsmotivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 23-001794-16

Datum uitspraak: 23 december 2016

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 20 februari 2015 in de strafzaak onder parketnummer 13-147467-13 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1962,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 13 december 2016.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep ten aanzien van de feiten 2 en 3

Bij het hierboven bedoelde vonnis van de politierechter van 20 februari 2015 is het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard (naar het hof begrijpt: in de strafvervolging van de verdachte) ten aanzien van de feiten 2 en 3.

De verdachte heeft ter terechtzitting geen bezwaren heeft opgegeven tegen deze beslissingen waaruit het hof afleidt dat hij geen belang heeft bij een oordeel van het hof hierover.

Nu, gehoord de advocaat-generaal, overigens evenmin is gebleken van enig rechtens te respecteren belang dat is gediend met enig onderzoek in de zaak voor zover dit de feiten 2 en 3 betreft zal de verdachte niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn hoger beroep voor zover dit op deze feiten betrekking heeft.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Feit 1 primair:
hij in of omstreeks de periode van 6 maart 2013 tot en met 5 juli 2013 te Amsterdam een (Klein) Vaarbewijs - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte valselijk - een aanvraagformulier Klein Vaarbewijs ten name van [naam] voorzien van zijn verdachte's (pas)foto en/of (vervolgens) - dat aanvraagformulier (ter verkrijging van een nieuw model Klein Vaarbewijs) gezonden naar de uitgevende instantie (Stichting VAMEX Vaarbewijzen) zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

Feit 1 subsidiair:
hij op of omstreeks 5 juli 2013 te Amsterdam opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals(e) of vervalst(e) Klein Vaarbewijs, - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat geschrift echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat verdachte het Vaarbewijs ter identificatie van zijn identiteit heeft getoond aan een politieambtenaar en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat - het Vaarbewijs is voorzien van de (pas)foto van verdachte en/of - de naam vermeld van een ander persoon dan verdachte (te weten) [naam].

Feit 2:

hij op of omstreeks 5 juli 2013 te Amsterdam als bestuurder van een motorrijtuig (tweewielige) motor, kenteken: [kentekennummer]) heeft gereden op de weg, Haarlemmerdijk, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.


Feit 3:
hij op of omstreeks 5 juli 2013 te Amsterdam toen een opsporingsambtenaar hem als verdachte van een strafbaar feit naar zijn identiteitsgegevens vroeg, aan die opsporingsambtenaar (een) andere dan zijn werkelijke (te weten [naam]) heeft opgegeven.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Vrijspraak feit 1 primair

Wat betreft feit 1 primair kunnen enkel de feitelijke handelingen, te weten het valselijk invullen en vervolgens verzenden van het aanvraagformulier, worden bewezen. Nu uit die handelingen niet volgt dat verdachte daarmee ook het eigenlijke vaarbewijs heeft vervalst, moet vrijspraak voor het onder 1 primair tenlastegelegde volgen.

Bewijsmotivering feit 1 subsidiair

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte aangevoerd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1 subsidiair. Nu de verdachte enkel het aanvraagformulier vals heeft ingevuld, is het vaarbewijs niet valselijk opgemaakt en gaat het derhalve niet om een vals document in de zin van het subsidiair tenlastegelegde. De verdachte heeft niets aan het bestaande vaarbewijs veranderd, waardoor er geen sprake is van een vervalst document in de zin van de subsidiaire variant en moet vrijspraak volgen, aldus de raadsman.

Het hof volgt de raadsman niet in zijn redenering dat er geen sprake was van een vals vaarbewijs. De pasfoto en de naam op het vaarbewijs kwamen niet overeen, waarmee gegeven is dat dit vaarbewijs vals was. De verdachte wist dat ook. Hier doet niet aan af dat de verdachte het eigenlijke vaarbewijs niet zelf heeft vervalst, maar hij de uitgevende instantie door middel van een valselijk opgemaakt aanvraagformulier tot afgifte van dat vaarbewijs heeft bewogen. Voorts heeft de verdachte dit vaarbewijs ter identificatie aan een verbalisant getoond. De verdachte reed op dat moment - naar eigen zeggen - op een motor van een kennis en wilde zijn eigen rijbewijs niet laten zien, omdat dat ongeldig was verklaard.

Hiermee acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Feit 1 subsidiair:
hij op 5 juli 2013 te Amsterdam opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals Klein Vaarbewijs, - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat geschrift echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat verdachte het Vaarbewijs ter identificatie van zijn identiteit heeft getoond aan een politieambtenaar en bestaande die valsheid hierin dat het Vaarbewijs is voorzien van de (pas)foto van verdachte en de naam vermeldt van een ander persoon dan verdachte, te weten [naam].

Hetgeen onder 1 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder feit 1 primair bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder feit 1 primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft met opzet een vals vaarbewijs gebruikt om zich mee te identificeren bij een verbalisant. Hierdoor heeft verdachte het vertrouwen geschaad dat in een dergelijk document moet kunnen worden gesteld.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 13 december 2016 is hij niet eerder ter zake van soortgelijke delicten onherroepelijk veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Hierin ligt besloten dat, gelet op de ernst van het feit, in hetgeen door de raadsman is aangevoerd geen grond kan worden gevonden om een lagere straf, dan wel andere strafmodaliteit dan de hieronder bedoelde, op te leggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d en 225 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet ontvankelijk in zijn hoger beroep voor zover dit betrekking heeft op de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de feiten 2 en 3.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor het overige en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.M.D. Aardema, mr. M. Iedema en mr. M.J. Dubelaar, in tegenwoordigheid van J.M. van Riel, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 23 december 2016.

mr. M. Iedema en mr. M.J. Dubelaar zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.