Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:5610

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-12-2016
Datum publicatie
29-12-2016
Zaaknummer
23-001594-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

schuldheling enopzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod. Vrijspraak van diefstal, alternatief scenario.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 23-001594-16

Datum uitspraak: 19 december 2016

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 21 april 2016 in de strafzaak onder parketnummer 13-075379-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedag] 1985,

adres: [adres]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 5 december 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

Feit 1 primair:
hij op of omstreeks 10 april 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een telefoon, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

Feit 1 subsidiair:
hij op of omstreeks 10 april 2016 te Amsterdam, een goed, te weten een telefoon van het merk Apple met IMEI-nummer [IMEI nummer] heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Feit 2:
hij op of omstreeks 10 april 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 2,61 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of ongeveer 9 pillen, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde cocaïne en/of MDMA (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Vrijspraak feit 1 primair en bewijsoverweging feit 1 subsidiair

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman aangevoerd dat feit 1 primair, diefstal, niet bewezen kan worden, nu sprake is van een grote tijdsspanne tussen de vermissing van de mobiele telefoon en de aanhouding en het signalement niet overeenkomt met het uiterlijk van de verdachte. Daarnaast heeft de verdachte in zijn verhoren een alternatief scenario naar voren gebracht dat niet weerlegd kan worden op basis van de gebezigde bewijsmiddelen. De verdachte heeft verklaard dat hij die nacht de mobiele telefoon gekocht heeft voor € 200 en omdat dat een redelijke prijs is, is eveneens geen sprake van opzetheling, aldus de raadsman.

Het hof overweegt als volgt.
De aangever merkte op 10 april 2016 omstreeks 04.30 op dat zijn mobiele telefoon, die hij vijf minuten daarvoor nog gebruikt had, zich niet meer in zijn broekzak bevond. Een medewerker van het café gaf een beschrijving van de vermoedelijke dader van de diefstal en de aangever belde de politie. Dankzij de app “Zoek mijn iPhone” kon worden uitgepeild waar de telefoon zich bevond. Hierop heeft de politie omstreeks 05.30 de verdachte aangehouden, die de telefoon op zak had.

Nu er een uur zit tussen de vermissing van de telefoon en de aanhouding, het signalement van de vermoedelijke dader niet overeenkomt met dat van de verdachte en de verdachte heeft verklaard de telefoon te hebben gekocht in dat tussenliggende uur, acht het hof de diefstal niet wettig en overtuigend bewezen. Het hof acht echter schuldheling wettig en overtuigend bewezen, aangezien de verdachte niet eenduidig heeft verklaard over de plaats en de persoon van wie hij de telefoon gekocht en hij deze telefoon ’s nachts op straat kreeg aangeboden. Om die reden had de verdachte redelijkerwijs moeten vermoeden dat het om een gestolen telefoon ging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Feit 1 subsidiair :
hij op 10 april 2016 te Amsterdam, een telefoon van het merk Apple heeft verworven, terwijl hij ten tijde van het verwerven van dit goed redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Feit 2:
hij op 10 april 2016 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 2,61 gram van een materiaal bevattende cocaïne en ongeveer 9 pillen van een materiaal bevattende MDMA, telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Hetgeen onder 1 onbekend en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 subsidiair en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder feit 1 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

schuldheling.

Het onder feit 2 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder feit 1 subsidiair en feit 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder feit 1 primair en feit 2 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, waarvan één maand voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van twee jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder feit 1 subsidiair en feit 2 bewezen verklaarde zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan schuldheling van een mobiele telefoon. Hiermee heeft de verdachte niet alleen geprofiteerd van een misdrijf, maar ook bijgedragen aan het in stand houden van een afzetmarkt voor door misdrijf verkregen goederen. Daarnaast heeft de verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van cocaïne en MDMA. Harddrugs vormen een ernstig gevaar voor de volksgezondheid en het gebruik ervan is ook bezwarend voor de samenleving.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 21 november 2016 is hij eerder ter zake van soortgelijke delicten onherroepelijk veroordeeld, hetgeen in zijn nadeel weegt.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, 57 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Spreekt de verdachte vrij van het onder 1 primair tenlastegelegde.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder feit 1 subsidiair en feit 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder feit 1 subsidiair en feit 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 1 (één) maand, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N.A. Schimmel, mr. G. Oldekamp en mr. R.A.F. Gerding, in tegenwoordigheid van J.M. van Riel, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 19 december 2016.

=========================================================================

[.]