Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:5587

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-10-2016
Datum publicatie
29-12-2016
Zaaknummer
23-001060-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bevestiging. Nadere motivering gesloten stelsel van rechtsmiddelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 23-001060-16

Datum uitspraak: 20 oktober 2016

TEGENSPRAAK (gemachtigde raadsman)

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 16 maart 2016 in de strafzaak onder parketnummer 13/701406-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Litouwen, voormalige Sovjet-Unie) op [geboortedag] 1983,

bij de politie opgegeven adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6 oktober 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de strafoplegging - in zoverre zal het vonnis worden vernietigd - en met dien verstande dat het hof:
▪ de onder rubriek 6 van het aantekening van het mondeling vonnis opgenomen overweging “Met de raadsman (…) van het verzuim” terzijde schuift en daarvoor de hierna genoemde nadere overweging omtrent het verzuim van vormen in de plaats stelt;

▪ het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte zal opheffen.

Nadere overweging omtrent het verzuim van vormen

De raadsman heeft aangevoerd dat tijdens de verlenging van de inverzekeringstelling van de verdachte geen onderzoekshandelingen meer zijn verricht, reden waarom in zijn optiek sprake is van onrechtmatige toepassing van vrijheidsbenemende dwangmiddelen. Dit verzuim is voorgelegd aan de rechter-commissaris, maar deze heeft er geen sanctie aan willen verbinden, omdat hij zich niet bevoegd achtte. Daarom verzoekt de raadsman het hof het verzuim nu wel te sanctioneren en wel op de voet van het bepaalde in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv).

Het hof overweegt als volgt.

De verdachte is op donderdag 3 maart 2016 te 20.10 uur aangehouden op verdenking van winkeldiefstal. Die avond is om 21.54 uur getracht een aanvang te maken met het verhoor van de verdachte, maar deze gaf – anders dan even daarvoor – te kennen voor het verhoor een raadsman te willen consulteren, waarna het verhoor is gestaakt. De verdachte is op 3 maart 2016 te 23.20 uur in verzekering gesteld. Op 4 maart 2016 is de verdachte ingevolge artikel 59a Sv voor de rechter-commissaris geleid, die de inverzekeringstelling niet onrechtmatig oordeelde. Diezelfde dag te 17.14 uur is de inverzekeringstelling in opdracht van de officier van justitie verlengd voor de duur van ten hoogste drie dagen. Op 7 maart 2016 is de verdachte opnieuw geleid voor de rechter-commissaris, dit maal om te worden gehoord op de vordering tot inbewaringstelling. Op dat moment was de verdachte (vanaf zijn inverzekeringstelling) nog niet opnieuw gehoord door de politie. De raadsman heeft zich toen tegenover de rechter-commissaris op het standpunt gesteld dat de verlenging van de inverzekeringstelling onrechtmatig was. De rechter-commissaris heeft desondanks de vordering tot inbewaringstelling van de verdachte toegewezen en deze met onmiddellijke ingang geschorst.

Het hof overweegt dat artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering niet van toepassing is bij vormverzuimen betreffende bevelen inzake de toepassing van vrijheidsbenemende dwangmiddelen, die kunnen worden voorgelegd aan de rechter-commissaris, die krachtens de wet is belast met het toezicht op de toepassing of de voortduring van bepaalde tijdens het voorbereidend onderzoek bevolen vrijheidsbenemende dwangmiddelen en die aan dergelijke verzuimen rechtsgevolgen kan verbinden ten aanzien van de voortzetting van de vrijheidsbeneming. Tegen het oordeel van de rechter-commissaris dat het verleende bevel tot inverzekeringstelling niet onrechtmatig is en/of dat er geen gronden zijn het verzoek tot invrijheidstelling van de verdachte in te willigen, staat geen hogere voorziening open. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken zou op onaanvaardbare wijze worden doorkruist indien bij de behandeling van de zaak ter terechtzitting opnieuw of alsnog een beroep zou kunnen worden gedaan op verzuimen bij de inverzekeringstelling die aan de rechter-commissaris zijn of hadden kunnen worden voorgelegd (HR 30 maart 2004, NJ 2004/376, rov 3.4.2).

In het onderhavige geval heeft de rechter-commissaris ten onrechte niet beslist op de hem voorgelegde kwestie. Uit het voorgaande volgt dat tegen die beslissing evenmin een hogere voorziening openstaat en ook dat het hof het hier niet vrij staat om, zoals verzocht, met toepassing van het bepaalde in artikel 359a Sv tot matiging van de op te leggen straf te komen. Het verweer moet in die zin dus worden verworpen.

Wel vindt het hof in de totale duur van de inverzekeringstelling en de verlenging daarvan, bezien in het licht van de omstandigheid dat in het voorliggende dossier geen aanknopingspunt kan worden gevonden om te oordelen dat voor de verlenging van de inverzekeringstelling een dringende noodzaak bestond als bedoeld in artikel 58, tweede lid, Sv, aanleiding de duur van de op te leggen gevangenisstraf enigszins te bekorten.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier weken met aftrek van het voorarrest.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie weken, met aftrek van het voorarrest.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte en heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal. De verdachte heeft er aldus blijk van gegeven het eigendomsrecht van de betreffende winkelbedrijven niet te respecteren. Dit is niet alleen een misdrijf dat overlast oplevert voor de winkelbedrijven zelf, maar ook overigens bijdraagt aan het ontstaan van schade en overlast, doordat winkelbedrijven het verlies van goederen als gevolg van diefstal zullen doorberekenen in de verkoopprijs, terwijl ook aanzienlijke kosten zijn gemoeid met het treffen van maatregelen ter voorkoming van winkeldiefstallen.

Daarnaast blijkt uit een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 27 september 2016 dat hij reeds diverse malen ter zake van soortgelijke vermogensdelicten onherroepelijk is veroordeeld, hetgeen sterk in zijn nadeel weegt.

Ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de verdachte kampt met ziektes van serieus te nemen ernst en dat zijn overige persoonlijke omstandigheden evenmin florissant zijn te noemen. Dit heeft het hof in straf verminderde zin meegewogen, evenals de hiervoor genoemde omstandigheden betreffende de duur van de (verlengde) inverzekeringstelling.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 63 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Heft op het -op 7 maart 2016 geschorste- bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.J.I. de Jong, mr. W.M.C. Tilleman en mr. N.R.A. Meerbeek, in tegenwoordigheid van J.M. van Riel, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 oktober 2016.