Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:5578

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-12-2016
Datum publicatie
27-12-2016
Zaaknummer
23-004987-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onderzoek Courage. Veroordeling voor medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben en bewerken van hennep en hasj. Geen toepassing art. 9a Sr voor overtreding van de Opiumwet; niet voldaan aan de gedoogvoorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 23-004987-14

Datum uitspraak: 23 december 2016

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 4 december 2014 in de strafzaak onder parketnummer 15-741209-11 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1960,

adres: [adres 1] .

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door rechtbank Noord-Holland vrijgesproken van hetgeen aan haar onder 2 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak.

Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

8 januari 2016, 25 november 2016, 29 november 2016, 1 december 2016, 9 december 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, voor zover thans nog aan de orde, dat:

1: zaaksdossier H-03 (in combinatie met H-06) bewerken/handel en/of aanwezig hebben verdovende middelen [adres 2]

zij in of omstreeks de periode van 01 mei 2011 tot 06 oktober 2011 te Haarlem (in een schuur aan de [adres 2] behorend bij de woning [adres 2] ), in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd een of meer (grote) hoeveelheid/hoeveelheden hennep (wiet) en/of hasjiesj (hash), in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep en/of hasjiesj, zijnde hennep en hasjiesj (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

en/of

zij op of omstreeks 06 oktober 2011 te Haarlem (op meerdere plaatsen in een woning aan de [adres 2] en/of in een (bijbehorende) schuur aan de [adres 2] ), in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad een (grote) hoeveelheid van ongeveer (in totaal) 17.904,81 gram hennep (wiet) en/of (in totaal) 6.181 gram hasjiesj (hash), in elk geval een of meer hoeveelheden/hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep en/of hasjiesj, zijnde hasjiesj en/of hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Partiële vrijspraak feit 1

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van de verkoop van hennep sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en haar partner, [medeverdachte] , zodat het medeplegen ten aanzien van de ten laste gelegde verkoop van hennep kan worden bewezen.

De raadsvrouw heeft verzocht de verdachte vrij te spreken van het onder 1 te laste gelegde voor zover dit betrekking heeft op (het medeplegen van) de verkoop van hennep.

Het hof overweegt hieromtrent als volg.

De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat zij heeft samengewerkt met haar partner [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) ten aanzien van de inkoop en verwerking van de hennep voor de coffeeshop van hun dochter. [medeverdachte] kocht in en verkocht het voor de inkoopprijs aan hun dochter voor de coffeeshop. De verdachte heeft hennep bewerkt en wel eens wat naar de shop gebracht.

Uit de verklaringen van de verdachte bij de rechtbank en in hoger beroep volgt dat de verdachte wist dat ene ‘ [naam] ’ thuis langskwam om joints te kopen omdat de hoeveelheid die hij wilde hebben, niet kon worden verkocht in de coffeeshop. Het aantal joints was daarvoor te groot. De verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte] die verkoop dan regelde. Niet is gebleken dat de verdachte afspraken heeft gemaakt met [naam] .

Naar het oordeel van het hof blijkt uit het voorgaande niet van een dermate nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en [medeverdachte] ten aanzien van de verkoop van hennep dat de kwalificatie van medeplegen is gerechtvaardigd. Van medeplegen kan immers slechts dan worden gesproken indien de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Daarvan is naar het oordeel van het hof geen sprake. Dat de verdachte wist dat er wel eens (teveel) werd verkocht aan ene ‘ [naam] ’ is voor het bewijs van medeplegen ontoereikend.

De verdachte zal derhalve ten aanzien van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
zij in de periode van 1 mei 2011 tot 6 oktober 2011 te Haarlem in een schuur aan de [adres 2] behorend bij de woning [adres 2] , tezamen en in vereniging met anderen, in de uitoefening van een bedrijf opzettelijk heeft bewerkt en verwerkt en afgeleverd en vervoerd grote hoeveelheden hennep (wiet) en hasjiesj (hash)

en

zij op 6 oktober 2011 te Haarlem op meerdere plaatsen in een woning aan de [adres 2] en in een bijbehorende schuur aan de [adres 2] , tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad een grote hoeveelheid van 17.904,81 gram hennep (wiet) en 6.181 gram hasjiesj (hash).

Hetgeen onder 1 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van in de uitoefening van een bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 bewezen verklaarde veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 3 jaren, een taakstraf voor de duur van 240 dagen met aftrek van voorarrest, subsidiair 120 dagen hechtenis en tot betaling van een geldboete ter hoogte van € 10.000, subsidiair 85 dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden en tot betaling van een geldboete ter hoogte van € 20.000.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft een grote hoeveelheid hennep en hasj in haar woning en bijbehorende schuur aanwezig gehad. Daarnaast heeft zij grote hoeveelheden hennep en hasj bewerkt, verwerkt, afgeleverd en vervoerd. Dit deed zij bedrijfsmatig. De stof THC, die uit hennepplanten wordt verkregen, kan bij gebruik niet alleen schadelijk zijn voor de volksgezondheid, maar is ook direct en indirect de oorzaak van vele vormen van criminaliteit.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 8 november 2016 is zij eerder ter zake van overtreding van de Opiumwet onherroepelijk veroordeeld.

Bespreking van een strafmaatverweer

De raadsvrouw heeft betoogd dat toepassing moet worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Zij heeft daartoe – kort samengevat – aangevoerd dat is voldaan aan het in de rechtspraak ontwikkelde rechterlijk pardon met betrekking tot de bevoorrading van coffeeshops nu de werkzaamheden van de verdachte behoorden tot de normale bedrijfsuitvoering van de coffeeshop en de coffeeshop bovendien op een verantwoorde wijze werd geëxploiteerd.

De advocaat-generaal heeft zich verzet tegen toepassing van artikel 9a Sr. Hij heeft daartoe gesteld dat in het geval waarin de strafrechter in de categorie van zaken als de onderhavige afziet van oplegging van straf die rechter zodoende ten onrechte plaatsneemt op de stoel van de wetgever.

Het hof overweegt hierover het volgende.

De rechter is op grond van de wettelijke regeling bevoegd tot het geven van toepassing aan artikel 9a Sr op grond van drie onderscheiden criteria: de geringe ernst van het feit, de persoonlijkheid van de dader én de omstandigheden van het geval. Aldus is het aan de strafrechter overgelaten om in het voorkomende geval van strafoplegging af te zien. Dit betreft een brede discretionaire bevoegdheid die, zolang de rechter komt tot een geïndividualiseerd oordeel over de noodzaak van oplegging van enige sanctie in een concreet geval, bij uitstek strookt met het strafrechtelijk stelsel en de daarin aan de strafrechter toegekende bevoegdheden.

Het in de jurisprudentie ontwikkelde rechterlijk pardon ten aanzien van de bevoorrading van coffeeshops heeft uitsluitend betrekking op de situatie waarin een handelsvoorraad van boven de maximaal toegestane 500 gram wordt aangehouden en is voldaan aan de overige gestelde gedoogvoorwaarden. Het overtreden van de toegestane handelsvoorraad kan leiden tot het geven van toepassing aan artikel 9a Sr mits de gepleegde feiten verband houden met een op een verantwoorde wijze exploiteren van een coffeeshop. Daarbij wordt gekeken of een behoorlijke administratie wordt gevoerd, verantwoording aan de fiscus wordt afgelegd, de bedrijfsvoorraad in bedrijfseconomisch opzicht in redelijke verhouding staat tot de dagomzet en of er een goede verstandhouding bestond met de politie en geen sprake is van overlast.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het aanhouden van grote voorraden hennep en hasj en het bewerken, verwerken, afgeven en vervoeren daarvan. Uit het dossier blijkt dat deze gedragingen voor een deel een direct uitvloeisel en onlosmakelijk gevolg vormen van de exploitatie van de gedoogde coffeeshop van de dochter van de verdachte. Hoewel zij formeel geen rechtsbetrekking tot de coffeeshop had, blijkt naar het oordeel van het hof uit het dossier dat de verdachte haar dochter behulpzaam wilde zijn bij de uitoefening van haar bedrijf. Uit zowel de verklaring van de verdachte als haar partner [medeverdachte] blijkt echter dat er hoeveelheden joints werden verkocht buiten de coffeeshop om omdat deze hoeveelheden te groot waren om in één keer vanuit de shop te verkopen. De verdachte heeft weliswaar verklaard dat deze verkopen in de boekhouding van de coffeeshop werden verantwoord, maar dat neemt niet weg dat hierdoor onjuiste dagelijkse omzetten van verkopen vanuit de coffeeshop in de administratie zijn opgenomen en hiermee de gedoogvoorwaarden zijn overschreden. Het rechterlijk pardon ziet immers enkel op de omstandigheid dat een te grote voorraad wordt aangehouden voor een coffeeshop die op een verantwoorde wijze wordt geëxploiteerd. Naar het oordeel van het hof is daar niet aan voldaan wanneer verkopen buiten de coffeeshop om plaatsvinden omdat dit gelet op de voorwaarden binnen de coffeeshop niet mogelijk is. Daarmee wordt de regelgeving ontweken en de effectiviteit van het gedoogbeleid ondermijnd.

Op grond van het vorenstaande ziet het hof geen aanleiding voor toepassing van het rechterlijk pardon.

Het hof constateert dat in eerste aanleg sprake is sprake geweest van een schending van de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) van ruim een jaar. Het hof zal deze overschrijding verdisconteren in de op te leggen straf. Ook in hoger beroep is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn. Immers, de verdachte heeft op 18 december 2014 hoger beroep ingesteld en op 23 december 2016 wordt arrest gewezen. Gelet echter op de geringe overschrijding in hoger beroep zal het hof volstaan met de enkele constatering daarvan.

Het hof acht, alles afwegende, in beginsel een straf gelijk aan de straf die door de rechtbank is opgelegd passend en geboden voor hetgeen de rechtbank had bewezen verklaard. Het hof ziet echter in de deelvrijspraak voor het medeplegen van de verkoop van softdrugs, in de overschrijding van de redelijke termijn en in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte aanleiding om een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf van na te melden duur op te leggen. Daarnaast zal het hof een taakstraf opleggen van na te melden duur. Het hof ziet gezien de draagkracht van de verdachte, geen reden te bepalen dat naast de op te leggen gevangenisstraf tevens een geldboete zal worden opgelegd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, 47 en 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 161 (honderdeenenzestig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.P.M. van Rijn, mr. N.A. Schimmel en mr. M. Gonggrijp-van Mourik, in tegenwoordigheid van mr. M. Gieske, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

23 december 2016.

Mr. M. Gonggrijp-van Mourik is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[.]