Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:5573

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-12-2016
Datum publicatie
27-12-2016
Zaaknummer
23-004989-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onderzoek Courage. Veroordeling voor opzettelijk aanwezig hebben en bewerken van hennep en hasj, wapenbezit en medeplegen van het organiseren van pokerspelen. Geen toepassing art. 9a Sr voor overtreding van de Opiumwet; niet voldaan aan de gedoogvoorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 23-004989-14

Datum uitspraak: 23 december 2016

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 4 december 2014 in de strafzaak onder parketnummer

15-741212-11 tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedag] 1954,

adres: [adres 1] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

8 januari 2016, 24 november 2016, 29 november 2016, 1 december 2016, 9 december 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Omvang van het hoger beroep

Blijkens de akte van rechtsmiddel richt het hoger beroep zich niet tegen de veroordeling door de rechtbank voor feit 2. Dit feit is in hoger beroep niet aan de orde. De verbeurdverklaring als bedoeld in punt 6.4 van het vonnis van de rechtbank, waarin wordt verwezen naar feit 3, verstaat het hof als een misslag nu deze verbeurdverklaring samenhangt met de veroordeling van de verdachte voor feit 2. Ook deze verbeurdverklaring is in hoger beroep niet aan de orde.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is, na de in eerste aanleg toegelaten nadere omschrijving van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering en voor zover thans nog aan de orde, ten laste gelegd dat:

1: zaaksdossier P-01 organiseren pokeren bij [naam voetbalclub]

hij in of omstreeks de periode van 01 maart 2010 tot en met 06 oktober 2011 te Haarlem, in elk geval in Nederland meermalen, althans eenmaal (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) al dan niet opzettelijk gelegenheid heeft gegeven aan (personen uit) het publiek om (telkens) door middel van een of meer (kans)spel(en), te weten (onder meer) (het zogenoemde) "pokeren" (waaronder de variant "Texas Hold 'em"), mede te dingen naar prijzen en/of premies, waarbij de aanwijzing der winnaar(s) (telkens) geschiedde door enige kansbepaling (te weten (onder meer) door het leggen van kaarten), waarop de deelnemers (telkens) in het algemeen geen overwegende invloed konden uitoefenen, terwijl daarvoor (telkens) geen vergunning ingevolge de Wet op de kansspelen was verleend;

3: zaaksdossier H-05 (in combinatie met H-06) bewerken/handel en/of aanwezig hebben verdovende middelen [adres 2]

hij in of omstreeks de periode van 01 mei 2011 tot 06 oktober 2011 te Haarlem (in/vanuit de woning aan de [adres 2] ), in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in de uitoefening van een bedrijf of beroep (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd een of meer (grote) hoeveelheid/hoeveelheden hennep (wiet) en/of hasjiesj (hash), in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep en/of hasjiesj, zijnde hennep en hasjiesj (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

en/of

hij op of omstreeks 06 oktober 2011 te Haarlem (in een woning aan de [adres 2] ), althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad een (grote) hoeveelheid van ongeveer (in totaal) 5.750,95 gram hennep (wiet) en/of 3.365,74 gram hasjiesj (hash), in elk geval een of meer hoeveelheid/hoeveelheden van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep en/of hasjiesj, zijnde hennep en hasjiesj (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, danwel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

4: zaaksdossier H-04 aanleveren/verpakken verdovende middelen in woning [adres 3]

hij in of omstreeks de periode van 01 maart 2011 tot 06 oktober 2011 te Haarlem (in een woning, gelegen aan de [adres 3] ), in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd een of meer (grote) hoeveelheid/hoeveelheden hennep (wiet) en/of hasjiesj (hash), in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep en/of hasjiesj, zijnde hennep en hasjiesj (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; en/of hij op of omstreeks 06 oktober 2011 te Haarlem (in een woning, gelegen aan de [adres 3] ), in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad een (grote) hoeveelheid van ongeveer 2585,57 gram hennep (wiet) en/of 1233,02 gram hasjiesj (hash), in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep en hasjiesj (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

5: zaaksdossier W-03 voorhanden hebben wapen en munitie in woning

hij op of omstreeks 06 oktober 2011 te Haarlem (in een woning aan de [adres 2] ), in elk geval in Nederland,

- een of meer wapens van categorie III, te weten een revolver (beslagnummer I35: merk Smith & Wesson, model 60, kaliber .375 Magnum/.38 Special), en/of

- munitie van categorie III, te weten ongeveer 5 kogelpatronen (beslagnummer I35: kaliber .38 Special) en/of

- munitie van categorie III, te weten ongeveer 12 kogelpatronen (kaliber .38 Spc, beslagnummer I39), voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere strafmotivering komt dan de rechtbank.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:

hij in de periode van 1 maart 2010 tot en met 6 oktober 2011 te Haarlem, meermalen tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk gelegenheid heeft gegeven aan personen uit het publiek om door middel van een kansspel, te weten “pokeren” (de variant “Texas Hold’em”), mede te dingen naar prijzen, waarbij de aanwijzing der winnaar(s) geschiedde door enige kansbepaling te weten (onder meer) door het leggen van kaarten, waarop de deelnemers in het algemeen geen overwegende invloed konden uitoefenen, terwijl daarvoor geen vergunning ingevolge de Wet op de kansspelen was verleend.

3:

hij in de periode van 1 mei 2011 tot 6 oktober 2011 te Haarlem in/vanuit de woning aan de [adres 2] , tezamen en in vereniging met anderen, in de uitoefening van een bedrijf opzettelijk heeft bewerkt en verwerkt en afgeleverd en vervoerd (grote) hoeveelheden hennep (wiet) en/of hasjiesj (hasj),

en

hij op 6 oktober 2011 te Haarlem in een woning aan de [adres 2] opzettelijk aanwezig heeft gehad een (grote) hoeveelheid van 5.750,95 gram hennep (wiet) en 3.365,74 gram hasjiesj (hasj)


4:
hij in de periode van 1 maart 2011 tot 6 oktober 2011 te Haarlem in een woning, gelegen aan de [adres 3] , tezamen en in vereniging met anderen, in de uitoefening van een bedrijf opzettelijk heeft bewerkt en verwerkt en afgeleverd en vervoerd (grote) hoeveelheden hennep (wiet) en/of hasjiesj (hasj),

en

hij op 6 oktober 2011 te Haarlem in een woning, gelegen aan de [adres 3] , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad een (grote) hoeveelheid van ongeveer 2585,57 gram hennep (wiet) en 1233,02 gram hasjiesj (hasj).


5:
hij op 6 oktober 2011 te Haarlem in een woning aan de [adres 2] ,

- Een wapen van categorie III, te weten een revolver (merk Smith & Wesson, model 60, kaliber .375 Magnum/.38 Special), en

- Munitie van categorie III, te weten 5 kogelpatronen (kaliber .38 Special) en

- Munitie van categorie III, te weten 12 kogelpatronen (kaliber .38 SPC),

voorhanden heeft gehad.

Hetgeen onder 1, 3, 4 en 5 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 3, 4 en 5 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 1, onder a, van de Wet op de kansspelen, meermalen gepleegd.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van in de uitoefening van een bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel

en

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel.

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van in de uitoefening van een bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel,

en

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel.

Het onder 5 bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1, 3, 4 en 5 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1, 2, 3, 4 en 5 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van 3 jaren. Voorts heeft de rechtbank de verdachte veroordeeld tot het betalen van een geldboete van € 20.000, subsidiair 135 dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 3, 4 en 5 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 19 maanden en tot het betalen van een geldboete van

€ 25.000, met dien verstande dat ten aanzien van feit 2 de straf geacht moet zijn te zijn bepaald op 2 maanden gevangenisstraf onvoorwaardelijk.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte is gedurende een langere tijd betrokken geweest bij het organiseren van illegale pokeravonden bij de Haarlemse voetbalvereniging [naam voetbalclub] . De pokeravonden werden vrijwel wekelijks gehouden en hiervoor is nimmer een vergunning verleend. Voor deze pokeravonden maakte de verdachte onder meer eten klaar, fungeerde als kassier, telde na afloop de opbrengst en instrueerde anderen. Uit het dossier blijkt dat er bij deze pokeravonden door de spelers aanzienlijke geldbedragen werden ingezet, en verloren. Naar algemene ervaringsregels brengt deelname aan deze vorm van pokeren het risico van verslaving en negatieve financiële gevolgen met zich mee. De verdachte wist dat spelers grote bedragen verloren, maar dit heeft hem er niet van weerhouden de illegale pokeravonden mede te organiseren. De winst voor de organisatoren kon op zo’n avond oplopen tot wel € 4.000. Met dit geld werden schulden van de vereniging afgelost.

Verder heeft de verdachte zich gedurende een aanzienlijke periode schuldig gemaakt aan meerdere overtredingen van de Opiumwet door het bewerken, verwerken, afleveren en vervoeren alsmede het opzettelijk aanwezig hebben van aanzienlijke hoeveelheden wiet en hasj in zowel zijn eigen woning als in de woning van medeverdachte Westerhout en diens echtgenote. De stof THC, die in hennep- en hasjproducten zit, kan bij gebruik niet alleen schadelijk zijn voor de volksgezondheid, maar is ook direct of indirect de oorzaak van vele vormen van criminaliteit.

Voorts heeft de verdachte gehandeld in strijd met de Wet wapens en munitie door een revolver en verschillende soorten kogels voorhanden te hebben. Het hof acht dit ernstige strafbare feiten. Immers, het ongeoorloofde bezit van een vuurwapen en kogels kan de veiligheid van personen in gevaar brengen.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 8 november 2016 is hij eerder onherroepelijk veroordeeld.

Bespreking van een strafmaatverweer

De raadsman heeft betoogd dat toepassing moet worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Hij heeft daartoe – kort samengevat – aangevoerd dat is voldaan aan het in de rechtspraak ontwikkelde rechterlijk pardon met betrekking tot de bevoorrading van coffeeshops nu de werkzaamheden van de verdachte behoorden tot de normale bedrijfsuitvoering van de coffeeshop en de coffeeshop bovendien op een verantwoorde wijze werd geëxploiteerd.

De advocaat-generaal heeft zich verzet tegen toepassing van artikel 9a Sr. Hij heeft daartoe gesteld dat in het geval waarin de strafrechter in de categorie van zaken als de onderhavige afziet van oplegging van straf die rechter zodoende ten onrechte plaatsneemt op de stoel van de wetgever.

Het hof overweegt hierover het volgende.

De rechter is op grond van de wettelijke regeling bevoegd tot het geven van toepassing aan artikel 9a Sr op grond van drie onderscheiden criteria: de geringe ernst van het feit, de persoonlijkheid van de dader én de omstandigheden van het geval. Aldus is het aan de strafrechter overgelaten om in het voorkomende geval van strafoplegging af te zien. Dit betreft een brede discretionaire bevoegdheid die, zolang de rechter komt tot een geïndividualiseerd oordeel over de noodzaak van oplegging van enige sanctie in een concreet geval, bij uitstek strookt met het strafrechtelijk stelsel en de daarin aan de strafrechter toegekende bevoegdheden.

Het in de jurisprudentie ontwikkelde rechterlijk pardon ten aanzien van de bevoorrading van coffeeshops heeft uitsluitend betrekking op de situatie waarin een handelsvoorraad van boven de maximaal toegestane 500 gram wordt aangehouden en is voldaan aan de overige gestelde voorwaarden. Het overtreden van de toegestane handelsvoorraad kan leiden tot het geven van toepassing aan artikel 9a Sr mits de gepleegde feiten verband houden met een op een verantwoorde wijze exploiteren van een coffeeshop. Daarbij wordt gekeken of een behoorlijke administratie wordt gevoerd, verantwoording aan de fiscus wordt afgelegd, de bedrijfsvoorraad in bedrijfseconomisch opzicht in redelijke verhouding staat tot de dagomzet en of er een goede verstandhouding bestond met de politie en geen sprake was van overlast.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het aanhouden van grote voorraden hennep en hasj en het bewerken, verwerken, afgeven en vervoeren daarvan. De verdachte heeft verklaard dat deze gedragingen voortvloeien uit de exploitatie van de coffeeshop van zijn dochter en dat hij haar bij de exploitatie daarvan behulpzaam wilde zijn.

Het hof ziet op grond van het navolgende geen reden voor toepassing van artikel 9a Sr. Uit een tapgesprek van 12 juni 2011 kan worden afgeleid dat bij de verdachte hoeveelheden hennep en/of hasj zijn weggenomen en dat hij met zijn broer [medeverdachte 1] bespreekt hoe dit wordt opgelost. Uit een volgend tapgesprek van 25 juni 2011 tussen de verdachte en zijn broer [medeverdachte 2] kan worden afgeleid dat een deel is teruggebracht. Als [medeverdachte 2] van de verdachte hoort dat ‘die twee hier waren’ merkt [medeverdachte 2] op: “Die trap ik helemaal in tienen man”. De verdachte meldt dat hij nog een bedrag moet hebben van de daders en ‘anders wegwezen’. Het hof neemt hierbij tevens in aanmerking dat in de woning van de verdachte een wapen en munitie zijn aangetroffen. Het gedoogbeleid ten aanzien van coffeeshops geeft geen vrijbrief voor de toepassing van eigenrichting. Het hof is van oordeel dat de gedoogvoorwaarden in aanzienlijke mate zijn overschreden.

Al het vorenstaande in overweging nemend ziet het hof geen aanleiding voor toepassing van het rechterlijk pardon.

Nu het hoger beroep niet is gericht tegen de veroordeling ten aanzien van feit 2, bepaalt het hof de straf voor dit feit op 2 maanden gevangenisstraf en zal daarmee rekening houden bij de strafoplegging ten aanzien van de feiten 1, 3, 4 en 5.

In eerste aanleg is sprake geweest van een schending van de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) van bijna veertien maanden. Het hof zal deze overschrijding verdisconteren in de op te leggen straf. Ook in hoger beroep is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn. Immers, de verdachte heeft op 18 december 2014 hoger beroep ingesteld en op 23 december 2016 wordt arrest gewezen. Gelet echter op de geringe overschrijding zal het hof volstaan met de enkele constatering daarvan.

Het hof acht, alles afwegende, in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden passend en geboden. Het hof zal echter gelet op de overschrijding van de redelijke termijn volstaan met het opleggen van een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf van na te melden duur. Het hof ziet gezien de ernst van de feiten, alsmede het financiële achterliggende belang, reden om daarnaast een geldboete op te leggen van € 20.000.

In beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen

Onttrekking aan het verkeer

Het hof is van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten diverse hoeveelheden hasj, wiet en joints, een koffiemolen, een kruimeldief met verdovende middelen en een revolver met munitie, dienden te worden onttrokken aan het verkeer. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat die voorwerpen met betrekking tot de bewezenverklaarde feiten zijn begaan en zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang

Bewaring ten behoeve van de rechthebbende

Het hof is van oordeel dat de overige bedragen die in de woning van verdachte zijn aangetroffen, te weten per saldo € 100.061,42 dienen te worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 47, 57 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 1 van de Wet op de kansspelen, de artikelen 1 en 6 van de Wet op de economische delicten en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Veroordeelt de verdachte ten aanzien van feit 2 tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 3, 4 en 5 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 (zestien) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 20.000,00 (twintigduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 135 (honderdvijfendertig) dagen hechtenis.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

  • -

    I23 joints en wiet

  • -

    I25 t/m I28 joints, hasj en wiet

  • -

    I30 hasj en wiet

  • -

    I35 revolver met patronen

  • -

    I39 munitie

  • -

    I36 hasj

  • -

    I36-1 koffiemolen, gebruikt voor verwerken verdovende middelen

  • -

    I37 joints, hasj en wiet

  • -

    I38 joints, hasj en wiet

  • -

    I40 hasj

  • -

    I41 kruimeldief met verdovende middelen

  • -

    I43 wiet

  • -

    I43-1 joints, hasj en wiet

  • -

    I47 hennep en hasj

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

Een bedrag van per saldo € 100.061,42, bestaande uit:

  • -

    I3 geld € 3.000,00

  • -

    I8 geld € 85,00

  • -

    I22 geld € 875,05

  • -

    I24 geld € 32,35

  • -

    I29 geld € 938,81

  • -

    I34 geld € 92.655,00

  • -

    I47 geld € 4.188,00

  • -

    I48 geld € 966,51

  • -

    I49 geld € 9,15

  • -

    I50 geld € 11,55

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.P.M. van Rijn, mr. N.A. Schimmel en mr. M. Gonggrijp-van Mourik, in tegenwoordigheid van mr. M. Gieske, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

23 december 2016.

Mr. M. Gonggrijp-van Mourik is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[.]