Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:5569

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-12-2016
Datum publicatie
27-12-2016
Zaaknummer
23-004986-14
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:1425
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onderzoek Courage. Veroordeling voor medeplichtigheid aan afpersing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 23-004986-14

Datum uitspraak: 23 december 2016

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 4 december 2014 in de strafzaak onder parketnummer 15-860091-14 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1970,

adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

8 januari 2016, 25 november 2016, 29 november 2016, 2 december 2016, 9 december 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

primair: zaaksdossier A-01 medeplegen afpersing [slachtoffer 1]

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2011 tot en met 11 juli 2011 te Haarlem en/of en/of Breda en/of Noorderloos en/of Meerkerk en/of Almelo en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van EURO 49.000,-, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan voornoemde [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat

- ( in de (zichtbare) aanwezigheid van [medeverdachte 2] ) tegen voornoemde [slachtoffer 1] werd gezegd: "Die vordering op jou is 52.000 Euro. Dit staat op jouw kop. Ik heb die vordering overgenomen van [bedrijfsnaam 2] . Je kan mijn naam en telefoonnummer doorgeven aan de politie, dat maakt mij niet uit. Je kan onderduiken in Barbados of zo, dat maakt mij niet uit. Ik heb overal vrienden. Ook hier in Breda ken ik de [naam] . Je moet binnen een paar dagen betalen." en/of (vervolgens): "Dat maakt niet uit, het is op jouw kop gezet, ik kom het bij jou halen", althans woorden van gelijke aard of strekking, en/of (vervolgens)

- naar voornoemde [slachtoffer 1] (een) sms-bericht(en) werd(en) verzonden met de navolgende tekst(en): "We komen eraan" en/of "Zal ik nu iemand sturen" en/of "Je hoeft niet te vluchten" en/of "Onmiddelijk bellen", althans (een) bericht(en) van gelijke aard of strekking. en/of (vervolgens)

- ( telefonisch) tegen voornoemde [slachtoffer 1] werd gezegd: " We maken je niet dood, maar komen achter je aan. Het is dat ik je ken, je krijgt uitstel tot maandag", althans woorden van gelijke aard of strekking.

subsidiair: zaaksdossier A-01 medeplichtigheid bij/tot afpersing [slachtoffer 1]

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] in of omstreeks de periode van 1 juli 2011 tot en met 11 juli 2011 te Haarlem en/of Breda en/of Noorderloos en/of Meerkerk en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft/hebben gedwongen tot de afgifte van EURO 49.000,-, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan voornoemde [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hen, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat

- ( in de (zichtbare) aanwezigheid van [medeverdachte 2] ) tegen voornoemde [slachtoffer 1] werd gezegd: "Die vordering op jou is 52.000 Euro. Dit staat op jouw kop. Ik heb die vordering overgenomen van [bedrijfsnaam 2] . Je kan mijn naam en telefoonnummer doorgeven aan de politie, dan maakt mij niet uit. Je kan onderduiken in Barbados of zo, dat maakt mij niet uit. Ik heb overal vrienden. Ook hier in Breda ken ik de [naam] . Je moet binnen een paar dagen betalen." en/of (vervolgens): "Dat maakt niet uit, het is op jouw kop gezet, ik kom het bij jou halen", althans woorden van gelijke aard of strekking, en/of (vervolgens)

- naar voornoemde [slachtoffer 1] (een) sms-bericht(en) werd(en) verzonden met de navolgende tekst(en): "We komen eraan" en/of "Zal ik nu iemand sturen" en/of "Je hoeft niet te vluchten" en/of "Onmiddelijk bellen", althans (een) bericht(en) van gelijke aard of strekking. en/of (vervolgens)

- ( telefonisch) tegen voornoemde [slachtoffer 1] werd gezegd: " We maken je niet dood, maar komen achter je aan. Het is dat ik je ken, je krijgt uitstel tot maandag", althans woorden van gelijke aard of strekking.

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 01 juli 2011 tot en met 11 juli 2011 te Almelo en/of Meerkerk, gemeente Zederik, en/of Haarlem en/of Breda en/of Noorderloos en/of elders in Nederland opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door

- aan die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] te vragen en/of toe te staan om een openstaande vordering, namelijk een geldbedrag (voor hem) te innen en/of

- ten behoeve van het innen van die openstaande vordering / dat geldbedrag een of meer documenten te overhandigen aan die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of

- via die [medeverdachte 2] aan die [medeverdachte 1] te vragen om "er druk achter te zetten bij die mensen" en/of

- een of meer telefoongesprekken te voeren over naar wie / waarnaar die [medeverdachte 1] toe moest gaan en/of

- een of meer (heimelijke) ontmoetingen met [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] te hebben.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof een andere bewijsconstructie hanteert en tot een andere beslissing omtrent de vordering van de benadeelde partij komt.

Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie

De raadsman heeft betoogd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens een gecombineerde schending van het vertrouwensbeginsel en schending van de redelijke termijn. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte er gelet op de inhoud van de brief van de officier van justitie van 31 januari 2013 gerechtvaardigd op had mogen vertrouwen dat hij niet vervolgd zou worden. In die brief heeft de officier van justitie immers geschreven dat zij ‘bij deze stand van het onderzoek’ van mening is dat er ten aanzien van de verdachte onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is van betrokkenheid bij een strafbaar feit. Weliswaar is daarna nieuw onderzoek verricht, maar er zijn sindsdien geen nieuwe stukken in het dossier van de verdachte gevoegd, waardoor de stand van het onderzoek sinds de brief van 31 januari 2013 ongewijzigd is gebleven. Mede gelet op de ernstige schending van de redelijke termijn moet dit leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, aldus de raadsman.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De officier van justitie heeft in haar brief van 31 januari 2013 het volgende geschreven, voor zover hier relevant:

“Enige maanden geleden heeft het onderzoeksteam het eind proces-verbaal inzake onderzoek Courage ingeleverd. Binnenkort zal er een regie bijeenkomst plaatsvinden. Uiteraard kan ik nu nog niet vooruitlopen op de resultaten van eventueel nader te verrichten onderzoek.

(…)

Gelet op het feit dat het onderzoek nog niet volledig is afgerond, kan ik nu ook nog geen definitieve afdoeningsbeslissing nemen ten aanzien van uw cliënt. Vooralsnog en bij deze stand van het onderzoek ben ik van mening dat er ten aanzien van uw cliënt onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is van betrokkenheid bij een strafbaar feit. Maar zoals gezegd, ik kan niet vooruitlopen op eventuele nadere onderzoeksresultaten en om die reden behoud ik mij ten aanzien van een eventuele vervolging ook alle bevoegdheden voor”.

Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte aan deze brief niet het gerechtvaardigd vertrouwen kunnen ontlenen dat hij niet zou worden vervolgd door het Openbaar Ministerie. Uit het hierboven weergegeven citaat blijkt immers dat de officier van justitie bewust een slag om de arm heeft gehouden. Bovendien is naar aanleiding van de regiezitting nader onderzoek bevolen, waarbij [getuige] in de zaak van [medeverdachte 2] een verklaring heeft afgelegd bij de rechter-commissaris.

Uit het vonnis van de rechtbank en het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg volgt dat deze verklaring van [getuige] , hoewel niet formeel, wel impliciet in het dossier van de verdachte is gevoegd. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 4 november 2014 zijn de stukken voorgehouden waarvan in het vonnis melding is gemaakt. In het vonnis is melding gemaakt van de verklaring die [getuige] heeft afgelegd bij de rechter-commissaris. De raadsman heeft daarnaast verklaard dat hij over deze verklaring van [getuige] heeft beschikt en is gebleken dat de raadsman bij zijn pleidooi in eerste aanleg daarnaar heeft verwezen.

Op grond van vorenstaande is het hof van oordeel dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de strafvervolging. De schending van de redelijke termijn vormt, zoals ook de raadsman erkent, op zichzelf genomen evenmin reden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

Vrijspraak van het primair en bespreking verweer ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde

De raadsman heeft betoogd – kort en zakelijk weergegeven – dat de verdachte moet worden vrijgesproken van zowel het primair als subisidiair ten laste gelegde wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. De verdachte heeft aan [medeverdachte 1] gevraagd te bemiddelen ten aanzien van een openstaande vordering van omstreeks € 25.000 en heeft niet gewild noch kunnen voorzien dat [medeverdachte 1] [slachtoffer 1] door bedreigingen zou dwingen tot betaling van € 49.000. Daarnaast volgt uit het dossier dat pas naderhand bij [slachtoffer 1] vrees is ontstaan, zodat niet kan worden bewezen dat sprake is geweest van bedreiging met geweld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde en dat hij voor het subsidiair ten laste gelegde zal worden veroordeeld. De advocaat-generaal heeft zich – kort en zakelijk weergegeven – op het standpunt gesteld dat uit de omstandigheid dat [slachtoffer 1] eensklaps bereid is een aanzienlijk hoger bedrag te betalen dan het bedrag van een vordering van de verdachte op [bedrijfsnaam 1] (hierna: [bedrijfsnaam 1] ) en uit de inhoud van de sms-berichten en telefoongesprekken blijkt dat de verdachte medeplichtig is aan afpersing van [slachtoffer 1] .

Oordeel hof

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte primair ten laste is gelegd. Op grond van de inhoud van het dossier kan niet worden vastgesteld dat de verdachte bedreigingen jegens [slachtoffer 1] heeft geuit, noch dat hij met [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) afspraken heeft gemaakt over de wijze waarop [medeverdachte 1] [slachtoffer 1] zou bewegen tot afgifte van het geldbedrag. Van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en [medeverdachte 1] met betrekking tot de afpersing is niet gebleken. De verdachte zal derhalve van het primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde oordeelt het hof als volgt.

Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep blijkt het volgende. De verdachte heeft verklaard dat hij aan [medeverdachte 1] heeft verzocht te bemiddelen ten aanzien van de betaling van een vordering van verdachte van ongeveer € 25.000 op het bedrijf [bedrijfsnaam 1] waarvan [slachtoffer 1] directeur was geweest. De verdachte meende dat het noemen van een betalingsachterstand door een potentiële klant ertoe zou bijdragen dat [slachtoffer 1] die vordering aan hem, verdachte, zou voldoen. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep uitdrukkelijk verklaard dat hij de vordering niet heeft gecedeerd aan [medeverdachte 1] en de vordering evenmin heeft verhoogd tot

€ 52.000.

Op 4 juli 2011 heeft [medeverdachte 2] telefonisch contact met [medeverdachte 1] .1 In dit gesprek zegt [medeverdachte 2] dat hij bij [bedrijfsnaam 2] , dat wil zeggen bij de verdachte, is geweest en dat de verdachte een brief heeft afgegeven met iets wat [medeverdachte 1] moet regelen en dat de verdachte het bedrag er dan aftrekt. Dit gesprek gaat verder over de aankoop van kleding bij de verdachte, eventuele sponsoring door de verdachte en dat het er uiteindelijk op neerkomt dat [medeverdachte 1] aan de verdachte € 20.000 moet betalen. In dat telefoongesprek deelt [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 1] mee dat hij stukken heeft meegekregen van de verdachte waarin staat dat een ander bedrijf (het hof begrijpt: [bedrijfsnaam 1] ) nog € 46.000 aan de verdachte moet betalen. De verdachte wilde [medeverdachte 1] vragen om er druk achter te zetten bij die mensen.

[medeverdachte 2] heeft bij de politie verklaard dat hij er bij was toen de verdachte aan [medeverdachte 1] kleding liet zien en dat de verdachte vertelde van de vordering op [slachtoffer 1] en dat de verdachte niet door kon dringen bij [slachtoffer 1] en hem niet kon bereiken.2

[medeverdachte 1] heeft na het telefoongesprek met [medeverdachte 2] op 4 juli 2011 telefonisch contact opgenomen met de verdachte en gezegd dat het geregeld gaat worden. Ook wordt afgesproken dat de verdachte als hij hierover benaderd mocht worden, moet doen of hij van niks weet.3 Uit een sms van 6 juli 2011 van [medeverdachte 1] aan de verdachte blijkt dat de verdachte – desgevraagd – moet doen alsof hij al betaald is door [medeverdachte 1] .4

Nadat [slachtoffer 1] heeft betaald, vindt op 12 juli 2011 een sms-wisseling plaats tussen [medeverdachte 1] en de verdachte. [medeverdachte 1] bericht de verdachte dat alles is geregeld, “alleen ze zeggen dat het bedrag lager is”, en dat de verdachte alles kan weggooien. De verdachte reageert: “Echt niet waar, zie papier!” Daarop bericht [medeverdachte 1] dat hij zich niet druk moet maken, “niemand neemt meer contact met je op voor dit en als je ze ooit spreekt buigen ze voor je”.

Uit de stukken blijkt daarnaast het volgende. Een paar dagen voor 6 juli 2011 is [slachtoffer 1] gebeld door [medeverdachte 1] met de mededeling dat hij kleding wilde bestellen bij [slachtoffer 1] . [medeverdachte 1] heeft op 6 juli 2011 in het wegrestaurant Van der Valk (in de buurt van Breda) een afspraak gemaakt met [slachtoffer 1] over de aankoop van kleding voor [naam voetbalclub] . [medeverdachte 1] was die dag in gezelschap van [medeverdachte 2] ; deze heeft zich afzijdig gehouden van het gesprek. [medeverdachte 1] heeft toen aan [slachtoffer 1] een enveloppe gegeven waarin zich stukken bevonden inzake de vordering van verdachte op [bedrijfsnaam 1] en tegen [slachtoffer 1] gezegd dat hij een vordering van [bedrijfsnaam 2] had overgenomen en dat die vordering van € 52.000 op het hoofd van [slachtoffer 1] stond. Vervolgens heeft [medeverdachte 1] tegen [slachtoffer 1] bedreigingen geuit zoals weergegeven in de tenlastelegging. Na de ontmoeting heeft [slachtoffer 1] dreigtelefoontjes en -sms’jes ontvangen van [medeverdachte 1] . De strekking daarvan was dat zij eraan zouden komen en dat het geen zin had te vluchten. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij deze bedreigingen heeft ontvangen in de vorm van sms’jes en dat deze niet werden opgeslagen op zijn telefoon. Dit neemt niet weg dat er contact moet zijn geweest tussen [medeverdachte 1] en [slachtoffer 1] . Immers, op 9 juli 2011 laat [medeverdachte 1] aan de verdachte weten “stress in Breda”. De reactie van de verdachte luidt: “Nou en! Wie met vuur speelt kan zijn vingers branden”.

[slachtoffer 1] heeft na het gesprek op 8 en 9 juli 2011 telefonisch contact opgenomen met de politie te Breda en aangegeven dat hij werd bedreigd door – zo begrijpt het hof – [medeverdachte 1] .5 Ook is een afspraak gemaakt om op 12 juli 2011 in persoon aangifte te doen. [slachtoffer 1] heeft die afspraak op 12 juli 2011 afgezegd omdat hij bang was voor de gevolgen daarvan.6

[slachtoffer 1] heeft de verdachte op 7 juli 2011 benaderd om uitleg; deze deed of zijn neus bloedde.7 Ook heeft hij zijn voormalige compagnons gevraagd om hulp en hij heeft uiteindelijk met hulp van zijn zoon het geld bijeen gebracht. Op 11 juli 2011 heeft [slachtoffer 1] , in het bijzijn van zijn zoon, bij [naam voetbalclub] aan [medeverdachte 1] € 49.000 in contanten betaald.8

Na de aanhouding van [medeverdachte 1] is de politie (i.c. leden van het onderzoeksteam in de zaak Courage) op 14 oktober 2011 op bezoek geweest bij [slachtoffer 1] .9 Uit de mutatie blijkt dat de vrouw van [slachtoffer 1] toen heeft gezegd dat zij door een hel zijn gegaan en de afspraak van 12 juli 2011 bij de politie te Breda hebben afgezegd uit angst. [slachtoffer 1] heeft vervolgens op 14 oktober 2011 aangifte gedaan van afpersing.

[slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij directeur is geweest van [bedrijfsnaam 1] en dat hij tijdens zijn directeurschap zaken heeft gedaan met [naam voetbalclub] en met [bedrijfsnaam 2] , waarvan de verdachte eigenaar was. [bedrijfsnaam 1] is failliet gegaan. [slachtoffer 1] was toen al geen directeur meer. Omstreeks februari/maart 2011 is [slachtoffer 1] bezocht door de verdachte, die een regeling wilde treffen voor een openstaande factuur van [bedrijfsnaam 2] op [bedrijfsnaam 1] ten bedrage van ongeveer € 25.000. [slachtoffer 1] heeft gewezen op het faillissement en zijn eigen positie en heeft aangegeven dat hij die factuur ook niet kon betalen. Hij heeft verdachte verwezen naar de toenmalige eigenaren.

[getuige] , de zoon, heeft bij de politie – zakelijk weergegeven – bevestigd dat zijn vader hem om hulp heeft gevraagd omdat hij werd afgeperst en op zeer korte termijn € 52.000 moest betalen. [getuige] heeft daarop met spoed geld van zijn bankrekening opgenomen.

In het dossier is een kopie gevoegd van de originele faillissementsaanvraag van [bedrijfsnaam 1] .10 Hierop is vermeld dat [verzoekster] , gevestigd te Enschede, verzoekster 1 is. Dit in tegenstelling tot de bij [naam voetbalclub] aangetroffen bescheiden11, waarop bij zowel punt 1 als punt 2 [bedrijfsnaam 2] als verzoekster staat en als gevolg daarvan twee vorderingen heeft op [bedrijfsnaam 1] .

Het hof leidt uit de hiervoor opgenomen feiten en omstandigheden af dat, anders dan de verdachte heeft verklaard, geen sprake was van een verzoek aan [medeverdachte 1] als intermediair op te treden, maar dat de verdachte [medeverdachte 1] heeft ingeschakeld om zijn eigen openstaande vordering (deels) betaald te krijgen. Daarbij is afgesproken dat [medeverdachte 1] zal doen voorkomen dat hij de vordering van de verdachte had overgenomen zoals [slachtoffer 1] heeft verklaard. Ook het belang van de verdachte bij de betaling door [slachtoffer 1] wordt uit de gesprekken tussen de verdachte en [medeverdachte 1] duidelijk, alsmede dat hij erop aandringt dat [medeverdachte 1] er “druk achter kan zetten”; die druk is kennelijk groter als [medeverdachte 1] doet voorkomen dat hij op eigen titel handelt.

Ook stelt het hof vast dat de brief die [medeverdachte 2] van de verdachte heeft meegekregen vervalst is. Uit dit stuk blijkt dat [bedrijfsnaam 2] twee vorderingen (punten 1 en 2) op [bedrijfsnaam 1] zou hebben, terwijl uit het originele stuk blijkt dat [bedrijfsnaam 2] één vordering heeft van € 23.128,65. Nu [medeverdachte 2] op basis van de stukken die hij heeft meegekregen van de verdachte tegenover [medeverdachte 1] spreekt over een vordering van € 46.000, kan het niet anders zijn dan dat de verdachte [medeverdachte 2] een vervalst stuk heeft meegegeven waarin zijn oorspronkelijke vordering van circa € 25.000 is verhoogd tot € 46.000. Deze gang van zaken vindt ook bevestiging in de e-mail van 7 juli 2011 van [slachtoffer 1] aan de verdachte.12 [slachtoffer 1] vermeldt daarin de zeer negatieve en als onprettig ervaren benadering door [medeverdachte 1] op 6 juli 2011 en daarin geeft [slachtoffer 1] ook aan dat door [medeverdachte 1] een veel hogere vordering is ingediend dan de hem bekende vordering van ongeveer € 25.000. Ook [medeverdachte 1] wijst de verdachte er na de betaling van € 49.000 op dat [slachtoffer 1] meldt dat de vordering te hoog is. De verdachte ontkent en verwijst naar het papier, waarmee hij kennelijk de door hem aangeleverde vervalste faillissementsaanvraag bedoelt.

Door met [medeverdachte 1] af te spreken dat de verdachte zich afzijdig houdt als [slachtoffer 1] hem over de vordering benadert, heeft hij [medeverdachte 1] de vrije hand gegeven om de inning op zijn manier te regelen. Toen uit sms-berichten van [medeverdachte 1] bovendien bleek dat [medeverdachte 1] de druk behoorlijk opvoerde, heeft de verdachte niets gedaan om zich ervan te vergewissen of de handelwijze van [medeverdachte 1] wel door de beugel kon. Er wordt immers door hem niet gevraagd wat de aanleiding is voor de stress, terwijl “wie met vuur speelt” aangeeft dat de verdachte zich ervan bewust is dat Jagernaths inmenging zeer kwalijke gevolgen voor [slachtoffer 1] kan hebben. Ook de zinsnede “buigen ze voor je” kan niet anders worden verstaan dan dat de schrik er goed is ingejaagd bij [slachtoffer 1] . Noch [medeverdachte 1] noch de verdachte hebben voor deze sms-wisseling en het taalgebruik een andere, begrijpelijke en afdoende verklaring kunnen geven. De inhoud van de uitgewisselde berichten kan naar het oordeel van het hof niet anders worden begrepen dan dat de verdachte, die niet wilde accepteren dat zijn vordering op [bedrijfsnaam 1] niet werd voldaan, er mee instemt dat [medeverdachte 1] de verdachte zodanig onder druk zet, dat daarbij geen middel wordt geschuwd om de verhoogde vordering betaald te krijgen.

Het hof stelt verder vast dat [slachtoffer 1] , die niet persoonlijk aansprakelijk was voor de vordering van ruim € 23.000 van verdachte op [bedrijfsnaam 1] , na inschakeling van familie binnen een zeer kort tijdsbestek op 11 juli 2011 in contanten – en naar het hof begrijpt zonder kwitantie – aan [medeverdachte 1] € 49.000 afdraagt terwijl hij aan [medeverdachte 1] geen schuld had. Naar het oordeel van het hof is [slachtoffer 1] daar enkel toe overgegaan omdat hij zich daartoe gedwongen voelde door de door [medeverdachte 1] geuite bedreigingen zoals door [slachtoffer 1] verwoord.

Dat betekent dat het hof, mede gelet op de overige te bezigen bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen acht dat de verdachte zich als medeplichtige schuldig heeft gemaakt aan afpersing van [slachtoffer 1] op de wijze zoals hierna is bewezen verklaard.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

subsidiair:
[medeverdachte 1] in de periode van 1 juli 2011 tot en met 11 juli 2011 te Haarlem en Breda en Meerkerk met het oogmerk om zich e een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van EURO 49.000,-, toebehorende aan voornoemde [slachtoffer 1] , welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat

- tegen voornoemde [slachtoffer 1] werd gezegd: "Die vordering op jou is 52.000 Euro. Dit staat op jouw kop. Ik heb die vordering overgenomen van [bedrijfsnaam 2] . Je kan mijn naam en telefoonnummer doorgeven aan de politie, dan maakt mij niet uit. Je kan onderduiken in Barbados of zo, dat maakt mij niet uit. Ik heb overal vrienden. Ook hier in Breda ken ik de [naam] . Je moet binnen een paar dagen betalen." en "Dat maakt niet uit, het is op jouw kop gezet, ik kom het bij jou halen", althans woorden van gelijke aard of strekking, en

bij het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 1 juli 2011 tot en met 11 juli 2011 in Nederland opzettelijk middelen en inlichtingen heeft verschaft door

- aan die [medeverdachte 1] toe te staan om een openstaande vordering, namelijk een geldbedrag (voor hem) te innen en

- ten behoeve van het innen van die openstaande vordering documenten te overhandigen aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en

- via [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 1] te vragen om "er druk achter te zetten bij die mensen" en

- een of meer telefoongesprekken te voeren over naar wie/waarnaar [medeverdachte 1] toe moest gaan en

- ontmoetingen met [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] te hebben.

Hetgeen subsidiair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het subsidiair bewezen verklaarde levert op:

medeplichtigheid aan afpersing.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg subsidiair bewezen verklaarde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met een proeftijd van 3 jaren en tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het subsidiair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechtbank is opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan afpersing. De verdachte, die niet wilde accepteren dat zijn vordering op het voormalige bedrijf van het slachtoffer niet werd voldaan, heeft aan [medeverdachte 1] gevraagd deze vordering te innen bij het slachtoffer en heeft ermee ingestemd dat het slachtoffer daarbij zodanig onder druk werd gezet dat daarbij geen enkel middel werd geschuwd. De verdachte heeft kennelijk gehandeld uit eigen financieel gewin zonder stil te staan bij de mogelijke ernstige gevolgen voor het slachtoffer. Dat blijkt wel uit het feit dat de verdachte, die door het slachtoffer werd benaderd over het de negatieve benadering door [medeverdachte 1] , net deed alsof hij van niets wist.

Het slachtoffer ondervindt tot op de dag van vandaag de zeer ernstige gevolgen van deze afpersing. Hoe ingrijpend de financiële en vooral emotionele gevolgen van dit feit in dit geval zijn geweest, blijkt uit de toelichting op de vordering van de benadeelde partij en de ter terechtzitting in hoger beroep voorgelezen stukken. Hieruit komt naar voren dat het slachtoffer nog steeds kampt met psychische klachten naar aanleiding van dit feit. Het hof rekent dit de verdachte zwaar aan.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 8 november 2016 is hij niet eerder strafrechtelijk onherroepelijk veroordeeld.

Voorts neemt het hof in aanmerking dat in eerste aanleg sprake is geweest van een schending van de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Het hof zal deze overschrijding verdisconteren in de op te leggen straf. Ook in hoger beroep is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn. Immers, de verdachte heeft op 18 december 2014 hoger beroep ingesteld en op 23 december 2016 wordt arrest gewezen. Gelet echter op de geringe overschrijding zal het hof volstaan met de enkele constatering daarvan.

Het hof acht gezien de ernst van het bewezen verklaarde feit in beginsel een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden passend en geboden. Het hof zal echter gelet op de overschrijding van de redelijke termijn volstaan met het opleggen van dezelfde straf die de rechtbank heeft opgelegd.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 50.500. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering, aangevuld met de kosten voor rechtsbijstand in hoger beroep á € 7.361,76.

Materiële en immateriële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het subsidiair bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte heeft immers in belangrijke mate bijgedragen aan de afpersing van de benadeelde partij door opzettelijk middelen en inlichtingen daartoe te verschaffen. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Kosten rechtsbijstand

De benadeelde partij heeft verzocht de reële proceskosten voor de rechtsbijstand in hoger beroep toe te wijzen.

Het hof zal het salaris van de advocaat van de benadeelde partij beoordelen aan de hand van het liquidatietarief, waarbij het bedrag van de te liquideren kosten afhankelijk is van de verrichte (genormeerde) werkzaamheden en van het belang van de zaak. Aan de verrichte werkzaamheden worden punten toegekend waaraan aan de hand van een tarievencategorie een bepaalde vergoeding wordt gekoppeld.

Naar het oordeel van het hof is aldus voldoende komen vast te staan dat de benadeelde partij kosten ten behoeve van rechtsbijstand heeft gemaakt in hoger beroep. Voor de vaststelling van die vergoeding zal het liquidatietarief IV (voor zaken met een geldwaarde van € 40.000 tot € 98.000: één punt: € 894) als uitgangspunt worden genomen, tenzij de benadeelde partij minder dan dit bedrag vordert.

Voor het onderhavige geval geldt dat de advocaat van de benadeelde partij in hoger beroep een processtuk heeft ingediend. Daarvoor wordt één punt toegekend. Van het verrichten van overige werkzaamheden is niet gebleken. Het hof acht dan ook geen grond aanwezig om meer dan één punt in hoger beroep toe te kennen. Er zal derhalve een bedrag van € 894 worden toegewezen ten behoeve van in hoger beroep gemaakte kosten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 48 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 50.500,00 (vijftigduizend vijfhonderd euro) bestaande uit € 49.000,00 (negenenveertigduizend euro) materiële schade en € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 11 juni 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 894,00 (achthonderdvierennegentig euro).

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 11 juni 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 50.500,00 (vijftigduizend vijfhonderd euro) bestaande uit € 49.000,00 (negenenveertigduizend euro) materiële schade en € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 286 (tweehonderdzesentachtig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 11 juni 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 11 juni 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.P.M. van Rijn, mr. N.A. Schimmel en mr. M. Gonggrijp-van Mourik, in tegenwoordigheid van mr. M. Gieske, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 23 december 2016.

Mr. M. Gonggrijp-van Mourik is buiten staat dit arrest te ondertekenen.

=========================================================================

[.]

1 [.]

2 [.]

3 [.]

4 [.]

5 [.]

6 [.]

7 [.]

8 [.]

9 [.]

10 [.]

11 [.]

12 [.]