Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:5524

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-08-2016
Datum publicatie
27-12-2016
Zaaknummer
23-005119-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft. Verwerping noodweer(exces), geen onderbouwing gestelde feitelijke toedracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer: 23-005119-15

datum uitspraak: 11 augustus 2016


TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 4 december 2015 in de strafzaak onder parketnummer 15-179482-15 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 28 juli 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 27 april 2015 te Purmerend [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] met kracht te duwen en/of te gooien tegen een muur en/of tegen een trap en/of tegen de grond, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een epiduraal hematoom links occipitaal met schedelfractuur en/of een verlies aan reukvermogen en/of geheugen- en concentratie verlies ten gevolge heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewijsmotivering


De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep primair vrijspraak bepleit.
De verdachte had geen opzet op het toebrengen van pijn en/of letsel aan het slachtoffer. Hij had alleen de intentie om weg te komen en trok daarom het slachtoffer naar de kant.

Subsidiair voert de raadsman aan dat de verdachte uit noodweer dan wel noodweerexces heeft gehandeld en dat de verdachte van alle rechtsvervolging dient te worden ontslagen, dan wel dat vrijspraak moet volgen.

Naar het oordeel van het hof komt de verdachte geen beroep op noodweer(exces) toe en moet het verweer worden verworpen.

Op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzittingen stelt het hof omtrent de toedracht van de mishandeling het volgende vast.

In de nacht van (26 op) 27 april 2015 was de verdachte na het uitgaan samen met twee vrouwen bij een eetgelegenheid aan de Meerwal in Purmerend. [getuige], een vriend van het latere slachtoffer
[slachtoffer], sprak de verdachte aan op een incident dat eerder die avond tussen beiden had plaatsgevonden. Vervolgens zijn de verdachte, één van de vrouwen, [slachtoffer] en [getuige] naar buiten gegaan, waar een schermutseling ontstond. Op enig moment heeft de verdachte [slachtoffer] met twee handen bij diens kraag gepakt en tegen een muur aan gegooid. [slachtoffer] heeft als gevolg hiervan zwaar lichamelijk letsel opgelopen.

De verdachte heeft de volgende lezing van het gebeuren gegeven.

Tijdens de schermutseling bevond hij zich in een benarde positie. [getuige] stond voor hem, [slachtoffer] achter hem en hij stond bovendien tussen de muur en een container. Hij kreeg een klap in zijn nek, waardoor hij, mede doordat hij in het verleden zelf slachtoffer van mishandeling is geweest, in paniek raakte. Als reactie heeft hij het slachtoffer aan de kant getrokken.
Deze aan het verweer ten grondslag gestelde feitelijke toedracht omtrent de benarde positie vindt geen steun in de overige stukken van het dossier. Het hof acht daarom niet aannemelijk dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de verdachte waartegen verdediging noodzakelijk was.

Nu geen sprake is geweest van een noodweersituatie wordt het beroep op noodweerexces eveneens verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 27 april 2015 te Purmerend [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] met kracht te duwen en/of te gooien tegen een muur, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een epiduraal hematoom links occipitaal met schedelfractuur en een verlies aan reukvermogen en geheugen- en concentratie verlies ten gevolge heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis.

Tegen voormeld vonnis heeft de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als de rechter in eerste aanleg heeft opgelegd.

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep het hof verzocht om, indien het hof aan strafoplegging toekomt, toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De vriend van het slachtoffer daagde de verdachte uit en was uit op ruzie. De verdachte heeft bovendien oprecht veel spijt over wat er is voorgevallen en de ingrijpende gevolgen die dat heeft gehad voor het slachtoffer.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte en heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling, terwijl dit feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad. Het slachtoffer zal voortaan met de gevolgen hiervan moeten leven. Het slachtoffer heeft zijn reukvermogen nagenoeg verloren. Verder heeft het slachtoffer nog steeds regelmatig last van een evenwichtsstoornis, zware hoofpijn, concentratieproblemen en geheugenverlies.

De verdachte heeft door dit handelen niet alleen inbreuk gemaakt op de lichamelijk integriteit van het slachtoffer, uit de ter terechtzitting in hoger beroep voorgelezen slachtofferverklaring blijkt dat het slachtoffer ook nog steeds kampt met nadelige psychische gevolgen. De verdachte heeft door zijn laakbare gedrag heersende gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving versterkt.

Het hof betrekt bij de strafoplegging ten voordele van de verdachte dat hij steeds oprecht spijt heeft betuigd aan het slachtoffer en heeft aangegeven dat hij zelf ook ingrijpend door de gevolgen van de mishandeling is geraakt.

Dit neemt niet weg dat een mishandeling met dergelijk zwaar lichamelijk letsel ten gevolge niet zonder oplegging van straf kan worden afgedaan.

Toepassing van artikel 9a Wetboek van Strafrecht is gezien de ernst van het feit en de gevolgen voor het slachtoffer niet aan de orde.

Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 7.746,30. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.

De kostenposten in de vordering tot schadevergoeding waren gebaseerd op de verwachtingen die de benadeelde partij toentertijd had. Ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de verwachte kosten zich ook daadwerkelijk hebben gerealiseerd.

De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Het hof zal, aangezien de materiële schade van de aangever op verschillende momenten en enige tijd na de pleegdatum van onderhavig feit is ontstaan, de ingangsdatum van de wettelijke rente van alle posten gezamenlijk op een later tijdstip laten aanvangen, namelijk vanaf 1 augustus 2015.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 7.746,30 (zevenduizend zevenhonderdzesenveertig euro en dertig cent) bestaande uit € 4.746,30 (vierduizend zevenhonderdzesenveertig euro en dertig cent) materiële schade en € 3.000 (drieduizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 27 april 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd
[slachtoffer], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 7.746,30 (zevenduizend zevenhonderdzesenveertig euro en dertig cent) bestaande uit € 4.746,30 (vierduizend zevenhonderdzesenveertig euro en dertig cent) materiële schade en € 3.000 (drieduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 73 (drieënzeventig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 27 april 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. W.M.C. Tilleman, mr. J.D.L. Nuis en mr. C.M. Degenaar, in tegenwoordigheid van J.M. van Riel en mr. N. de Visser, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 11 augustus 2016.

mr. W.M.C. Tilleman en mr. C.M. Degenaar zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[.]

.