Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:5506

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-12-2016
Datum publicatie
27-02-2017
Zaaknummer
200.184.720/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg van ECLI:NL:HR:2015:3234. Bestuurder rechtspersoon is uit onrechtmatige daad jegens UWV aansprakelijk voor premieschulden. Alsnog toewijzing vordering UWV.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2017/543
AR 2017/1037
NJF 2017/186
OR-Updates.nl 2017-0082
INS-Updates.nl 2017-0103
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.184.720/01

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 20 december 2016

inzake

UITVOERINGSINSTITUUT WERKNEMERSVERZEKERINGEN (UWV),

gevestigd te Amsterdam,

appellante,

advocaat: mr. N.J. Oostenbroek te Den Haag,

tegen:

[geïntimeerde] ,

zonder bekende woon- of verblijfplaats,

geïntimeerde,

advocaat: mr. E.G.M. van den Heuvel te Breda (onttrokken).

1 Het geding na verwijzing door de Hoge Raad

Partijen worden hierna UWV en [geïntimeerde] genoemd.

Bij arrest van 6 november 2015 heeft de Hoge Raad onder zaaknummer 14/04539 het in deze zaak door het gerechtshof Den Haag onder zaaknummer 200.132.906/01 gewezen arrest van 3 juni 2014 vernietigd en het geding ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar dit hof.

De zaak is op 2 februari 2016 bij dit hof geïntroduceerd.


UWV heeft een memorie na verwijzing, met producties, genomen.

De procesvertegenwoordiger van [geïntimeerde] heeft zich onttrokken.

Vervolgens heeft UWV arrest gevraagd.

UWV heeft geconcludeerd dat het hof zijn jegens [geïntimeerde] ingestelde vorderingen, (met inachtneming van de vermindering van eis) alsnog zal toewijzen met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide feitelijk instanties.

UWV heeft in hoger beroep bewijs van zijn stellingen aangeboden.

2 Feiten

Het hof zal uitgaan van de feiten die de Hoge Raad in zijn arrest onder 3.1 (i tot en met xi) heeft vermeld.

( i) UWV heeft sinds 2002 een vordering op [A] B.V. (hierna: [A] ) wegens ten onrechte niet afgedragen werkgeverspremies. Deze vordering is in de periode tot en met 2004 opgelopen tot een bedrag van € 160.708,59.

(ii) [geïntimeerde] is, althans was destijds, bestuurder van [A] .

(iii) Nadat UWV [A] (nogmaals) tot betaling had gesommeerd, heeft [A] aan (de gemachtigde van) UWV medegedeeld dat zij op de rand van een faillissement stond en dat het enige mogelijke actief een vordering van € 2 miljoen was waarover een procedure bij de rechtbank Breda liep, welke vordering zij aan UWV zou willen verpanden.

(iv) De advocaat van [A] heeft een pandakte opgesteld. Die akte is op 17 januari 2008 door [geïntimeerde] als bestuurder van [A] en op 11 februari 2008 namens UWV ondertekend.

( v) De verpande vordering is in de pandakte omschreven als: “de betwiste vordering (…) ter invordering waarvan een procedure aanhangig is bij de rechtbank Breda (…)”.

(vi) Voorafgaand aan de ondertekening van de pandakte was de hiervoor onder iii bedoelde procedure, tegen [B] B.V. (hierna: [B] ) e.a., bij de rechtbank Breda geëindigd door een eindvonnis van 21 november 2007. De vordering van [A] is bij dat vonnis afgewezen. Tegen het vonnis is in zoverre geen hoger beroep ingesteld.

(vii) De procedure bij de rechtbank Breda betrof ook een vordering van [C] B.V. (hierna: [C] ) tegen eveneens [B] e.a.

(viii) [C] behoorde tot dezelfde groep van vennootschappen als [A] . [geïntimeerde] was ook, zij het indirect, bestuurder en aandeelhouder van [C] .

(ix) De rechtbank Breda heeft de vordering van [C] in die zin toegewezen dat voor recht is verklaard dat [B] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar overeenkomst met [C] , en heeft [B] veroordeeld tot vergoeding van schade, op te maken bij staat. In hoger beroep is het vonnis in zoverre bekrachtigd. [B] heeft terzake € 100.000,- betaald, welk bedrag [geïntimeerde] in of omstreeks augustus 2011 in privé heeft ontvangen.

( x) Desgevraagd heeft de advocaat van [A] bij brief van 6 april 2011 aan UWV bericht dat de vordering van [A] was afgewezen. Na 27 september 2011 is UWV te weten gekomen dat het vonnis van de rechtbank Breda al op 21 november 2007 was gewezen, en is UWV ook te weten gekomen wat de inhoud van dat vonnis is.

(xi) UWV heeft naast [geïntimeerde] ook de advocaat van [A] aansprakelijk gesteld, wegens diens rol bij onder meer de totstandkoming van de pandakte. Dit laatste heeft geresulteerd in een betaling van € 100.000,- aan UWV door de aansprakelijkheids-verzekeraar van die advocaat.

3 Beoordeling

3.1.

In dit geding zijn, kort samengevat, aan de orde de vragen of [geïntimeerde] zich in de gegeven omstandigheden persoonlijk jegens UWV schuldig heeft gemaakt aan een onrechtmatige daad en, zo ja, of UWV als gevolg daarvan schade heeft geleden die geheel of gedeeltelijk aan [geïntimeerde] kan worden toegerekend. De rechtbank heeft zowel de eerste vraag als (in een overweging ten overvloede) de tweede vraag in negatieve zin beantwoord. Het hof Den Haag heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd, daartoe overwegend dat tussen een eventuele aansprakelijkheid van [geïntimeerde] en de door UWV gevorderde schade geen causaal verband bestaat en er reeds om die reden geen grond is om de vordering van UWV toe te wijzen.

De Hoge Raad heeft het arrest van het hof Den Haag vernietigd en de zaak naar dit hof verwezen. In dit verwijzingsgeding liggen beide genoemde vragen voor. Het hof overweegt daaromtrent als volgt.

3.2.

Het geschil van partijen betreft een onverhaalbaar gebleken vordering van UWV op [A] wegens door deze laatste niet afgedragen werkgeverspremies over de periode 2002 tot 2004.

Tussen partijen is niet in geschil dat, nadat UWV [A] reeds herhaalde malen tot betaling van de premieachterstand had gesommeerd, [geïntimeerde] in zijn hoedanigheid van (indirect) bestuurder van [A] begin 2008 aan UWV een pandrecht heeft verstrekt op een (gepretendeerde) vordering van [A] op [B] ten belope van € 2 miljoen en dat UWV daarbij onjuist is voorgelicht, althans dat bij UWV een onjuiste indruk is gewekt, omtrent de hardheid/slagingskans van deze vordering. Zo is aan UWV door de advocaat van [A] medegedeeld dat er een redelijke verwachting omtrent toewijzing van deze vordering bestond en was in de pandakte vermeld dat ter invordering van bedoelde vordering een procedure aanhangig was bij de rechtbank Breda, terwijl die procedure reeds enige tijd daarvoor, door het wijzen door de rechtbank van een eindvonnis van 21 november 2007, in voor [A] ongunstige zin was beëindigd. Aan UWV is voorts niet medegedeeld dat [A] geen aanleiding zag om van deze beslissing in appel te gaan.

3.3.1.

Het verschaffen van dit (naar het zich kennelijk begin 2008 reeds liet aanzien waardeloze) pandrecht laat zich in de gegeven omstandigheden niet anders verklaren dan dat het bedoeld was om te voorkomen dat het door UWV ingezette incassotraject zou worden voortgezet. In het licht van de mededeling van [A] aan UWV dat zij op de rand van een faillissement stond, behoorde tot dat incassotraject met name een mogelijk verhaal van de premievordering op [geïntimeerde] persoonlijk, dit op de voet van het destijds geldende artikel 16d Coördinatiewet Sociale Verzekering (verder: CSV). Vast staat dat UWV na ontvangst van de pandakte ook geen verdere stappen heeft genomen om tot inning van zijn vordering over te gaan en zijn incassodossier heeft gesloten (vgl. productie 27 in eerste aanleg).

3.3.2.

Dat voor de aansprakelijkheidsstelling van [geïntimeerde] op de voet van artikel 16d CSV voldoende gronden aanwezig waren en dat een door UWV tegen hem ingestelde vordering zou zijn gehonoreerd is door [geïntimeerde] in het licht van de stellingen van UWV daaromtrent niet voldoende gemotiveerd bestreden. Vast staat dat [A] in de periode 2002-2004 werkgeverspremies onbetaald heeft gelaten. Anders dan de rechtbank heeft overwogen valt, mede gelet op hetgeen in het Besluit Meldingsregeling CSV daaromtrent is bepaald, uit de feitelijke stellingen van [geïntimeerde] niet op te maken dat aan de krachtens artikel 16 d lid 2 CSV op [A] / [geïntimeerde] rustende mededelingsplicht is voldaan. De brieven van 21 januari 2005 en 29 juli 2005, geschreven in reactie op betalingsverzoeken van de zijde UWV, waaraan de rechtbank in dit verband refereert, voldoen niet aan de krachtens voornoemde regeling daaraan te stellen eisen. Aangenomen moet derhalve worden dat het bepaalde in het vierde lid van genoemd artikel toepassing zou hebben gevonden en dat [geïntimeerde] met succes voor de premieachterstand zou zijn aangesproken.

3.3.3.

UWV stelt zich terecht op het standpunt dat [geïntimeerde] van het op de hiervoor besproken wijze eraan meewerken dat UWV werd bewogen om van verdere incassomaatregelen jegens hemzelf af te zien persoonlijk een ernstig verwijt valt te maken.

3.4.

Vaststaat dat UWV eerst in april 2011, naar aanleiding van een aan de advocaat van [geïntimeerde] daaromtrent gestelde vraag, van de uitkomst van de hiervoor vermelde procedure op de hoogte is gesteld en dat op dat tijdstip zijn vordering op [geïntimeerde] uit hoofde van het bepaalde in artikel 16d CSV in verband met het bepaalde in artikel 13 van deze wet was verjaard. De vraag die thans voorligt is of de schade die UWV door dit verlies van zijn verhaalsmogelijkheid van reeds vermelde vordering (die in hoofdsom € 160.708,59 beliep) heeft geleden geheel of gedeeltelijk aan [geïntimeerde] als gevolg van de hiervoor besproken misleiding kan worden toegerekend.

UWV heeft in dit verband (onbestreden) gesteld dat zijn beleid met betrekking tot persoonlijke aansprakelijkstelling van bestuurders op de voet van artikel 16d CSV, gelet op de zwaarte van dit middel, bewust terughoudend was en dat, zo lang er nog een redelijk alternatief bestond, niet tot persoonlijke aansprakelijkstelling van de bestuurder werd overgegaan en UWV dit middel als ultimum remedium beschouwde.

In het licht hiervan komt enerzijds onvoldoende betekenis toe aan het feit dat UWV tot begin 2008 niet tot aansprakelijkheidsstelling van [geïntimeerde] voor de onbetaald gebleven premies was overgegaan en is anderzijds de gevolgtrekking gewettigd dat UWV – na herhaalde malen tevergeefs op betaling door [A] te hebben aangedrongen – daarmee niet langer zou hebben gewacht en een poging tot verhaal van zijn vordering op [geïntimeerde] zou hebben ondernomen, indien UWV begin 2008 niet in de vorm van een pandrecht ogenschijnlijk een ruim toereikende zekerheid was geboden. In dat kader had UWV toen tot beslaglegging op de aandelen van [geïntimeerde] in [C] kunnen overgaan en verhaal kunnen zoeken op andere aan [geïntimeerde] toebehorende vermogens-bestanddelen.

Aangenomen moet derhalve worden dat indien UWV begin 2008 niet op het verkeerde been zou zijn gezet het geen schade zou hebben geleden doordat het in dat geval tot verhaal van zijn vordering op [geïntimeerde] zou zijn overgegaan. Er is in het feitenmateriaal geen grond gelegen om aan te nemen dat UWV daarin niet (of slechts ten dele) zou zijn geslaagd.

3.5.

[geïntimeerde] heeft het verweer gevoerd dat UWV eerder had kunnen informeren naar de uitkomst van de procedure met betrekking tot de aan hem verpande vordering en door dat pas in 2011 te doen er in feite zelf debet aan is dat de vordering op [geïntimeerde] is verjaard. Dit beroep op ‘eigen schuld’ kan [geïntimeerde] niet baten. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat moet worden aangenomen het pandrecht aan UWV is verstrekt met de bedoeling UWV te misleiden wat betreft bestaande verhaalsmogelijkheden voor haar vordering op [A] . De schade is het gevolg van de (voortdurende) misleiding door [A] / [geïntimeerde] . De schade kan niet (mede) worden toegerekend aan de omstandigheid dat UWV deze misleiding niet eerder heeft ontdekt. Daar komt nog bij dat [geïntimeerde] , indien UWV eerder ervan op de hoogte was geraakt dat het pandrecht waardeloos was, eveneens (doch op een eerder tijdstip) voor het in dit geding gevorderde bedrag zou zijn aangesproken en hij daardoor in zoverre niet is benadeeld. Ook in dit licht kan niet worden geoordeeld dat de billijkheid een andere verdeling van de vergoedingsplicht eist.

3.6.

Dit brengt mee dat de grieven 2, 3, 4, 5 en 6 slagen. Bij een verdere bespreking van de grieven bestaat onvoldoende belang. Het bestreden vonnis van de rechtbank Den Haag zal worden vernietigd. De gevorderde verklaring voor recht zal worden toegewezen en [geïntimeerde] zal worden veroordeeld om aan UWV ten titel van schadevergoeding het gevorderde (resterende) bedrag van € 60.708,59 te vergoeden, te vermeerderen met wettelijke rente sedert 17 januari 2008.

Onderkant formulier

4 Beslissing

Het hof:

- vernietigt het vonnis van de rechtbank Den Haag van 24 april 2013 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

- verklaart voor recht dat [geïntimeerde] onrechtmatig jegens UWV heeft gehandeld;

- veroordeelt [geïntimeerde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan UWV te betalen een bedrag van € 60.708,59, te vermeerderen met de wettelijke rente sedert 17 januari 2008 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide feitelijke instanties, aan de zijde van UWV begroot op € 4.146,53 aan verschotten en op € 2.315,- voor salaris in eerste aanleg en tot op heden op € 2.018,18 aan verschotten en op € 3.262,- voor salaris in hoger beroep;

- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M. Jurgens, E.E. van Tuyll van Serooskerken-Röell en J.M. de Jongh en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 20 december 2016.