Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:5473

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-12-2016
Datum publicatie
27-02-2017
Zaaknummer
200.156.949/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheidsverzekering particulieren. Uitsluitingsclausule voor 'schade door onroerende zaken in aanbouw'. Restrictieve uitleg naar objectieve factoren. Bouwactiviteiten zijn niet onder de uitsluiting begrepen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1032
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.156.949/01

zaak- en rolnummer rechtbank Noord-Holland: C/14/146363/HA ZA 13-159

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 20 december 2016

inzake

N.V. NOORDHOLLANDSCHE VAN 1816 SCHADEVERZEKERINGSMAATSCHAPPIJ

gevestigd te Oudkarspel,

appellante,

advocaat: mr. W.H. Bouman te Amsterdam,

tegen:

1.) [geïntimeerde sub 1]

en

2.) [geïntimeerde sub 2],

beiden wonend te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

geïntimeerden,

advocaat: mr. M. Timpert-de Vries te Arnhem.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna genoemd Nh 1816, [geïntimeerde sub 1] en geïntimeerden tezamen [geïntimeerden]

Nh 1816 is bij dagvaarding van 18 juli 2014 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 30 april 2014, gewezen tussen [geïntimeerden] als eisers en Nh 1816 als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven;

- memorie van antwoord;

Vervolgens is arrest gevraagd.

Nh 1816 heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en

alsnog de vorderingen van [geïntimeerden] zal afwijzen, met

- uitvoerbaar bij voorraad - beslissing over de proceskosten.

[geïntimeerden] hebben geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met

- uitvoerbaar bij voorraad - beslissing over de proceskosten, met rente en nakosten.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2. Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.8 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. De feiten komen neer op het volgende.

2.1.

[geïntimeerde sub 1] heeft met ingang van 1 oktober 1996 onder polisnummer [nummer] een Aansprakelijkheidsverzekering Particulieren (hierna: de AVP) gesloten bij Nh 1816.

2.2.

Op de AVP zijn van toepassing de algemene voorwaarden vermeld in polismantel 3612. Daarin is in artikel 3 lid 6 onder andere bepaald dat dekking wordt verleend voor aansprakelijkheid die verzekerden, zijnde [geïntimeerden] , dragen als bezitter van een door hen bewoond pand. Voormelde bepaling bevat ook een uitsluitingsclausule, luidende: “Overige gevallen van aansprakelijkheid voor schade door onroerende zaken, waaronder aansprakelijkheid voor schade door onroerende zaken in aanbouw (…), zijn niet gedekt.” (hierna: de uitsluitingsclausule).

2.3.

[geïntimeerden] zijn sinds 17 april 2007 eigenaar van het perceel [adres] (hierna: het perceel). Het perceel grenst aan de zuidoostzijde aan het perceel van de heer [V.] en mevrouw [R.] (hierna: [V.] c.s.). Dit perceel, [adres] , is sinds 31 januari 1992 eigendom van [V.] c.s.

2.4.

Na de eigendomsverkrijging hebben [geïntimeerden] een woning met garage laten bouwen op het perceel, waarbij ook grondwerkzaamheden zijn uitgevoerd.

2.5.

[V.] c.s. hebben twee gerechtelijke procedures gevoerd jegens [geïntimeerden] inzake, kort gezegd, schade als gevolg van wateroverlast respectievelijk trillingen en opstuwing van de grond. [geïntimeerden] hebben zich in beide procedures verweerd.

3 Beoordeling

3.1.

[geïntimeerden] vorderen dat voor recht zal worden verklaard dat Nh 1816 dekking verleent voor de “wateroverlast” en “belendingenschade” kwesties en Nh 1816 zal worden veroordeeld tot betaling van de verweerkosten ad € 103.218,80 + p.m., met rente en schadevergoeding, op te maken bij staat.

De rechtbank heeft geoordeeld dat nu twijfel bestaat over de betekenis van de uitsluitingsclausule, uitgaande van de door [geïntimeerden] voorgestane en voor hen meest gunstige interpretatie, dient te worden geconcludeerd dat de schade die [V.] c.s. stellen te hebben geleden door het dempen van een sloot en door de bouwactiviteiten niet valt onder de uitsluitingsclausule. De schade is niet gelijk te stellen aan schade, waarvan de oorzaak is gelegen in de onroerende zaken (in aanbouw) zelf. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat Nh 1816 zich ten onrechte bij conclusie van antwoord het recht voorbehouden heeft nader verweer te voeren tegen de omvang en wijze van berekening (verdeling) van de kosten van verweer, nu bij dagvaarding en akte vermeerdering van eis alle declaraties van de advocaten van [geïntimeerden] , voorzien van specificaties, zijn overgelegd. De vordering tot verklaring voor recht is geheel en die tot betaling van de verweerkosten is deels toegewezen door de rechtbank.

Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt Nh 1816 met haar grieven op.

3.2.

Nh 1816 betoogt in de grieven I tot en met V, kort samengevat, het volgende. De rechtbank heeft een te beperkte uitleg gegeven aan de uitsluitingsclausule. Ten onrechte maakt zij onderscheid tussen schade door een onroerende zaak in aanbouw en door werkzaamheden, zoals grondverzet. De rechtbank lijkt zich bij haar uitleg te hebben laten leiden door het woordje “door” en die uitleg uitsluitend te betrekken op stoffelijke eigenschappen van de onroerende zaak zelf. Het zijn de bouwactiviteiten als geheel (en als zodanig) die de afwijking van de normale dekking voor opstalaan-sprakelijkheid bepalen. De AVP is iets anders dan een verzekering tegen bouwrisico’s, aldus Nh 1816.

3.3.

Het hof overweegt als volgt. Het staat tussen partijen vast dat over de algemene voorwaarden die van toepassing zijn op de AVP en dus over de uitsluitingsclausule niet tussen partijen is onderhandeld. Dit brengt met zich dat de uitleg daarvan met name afhankelijk is van objectieve factoren zoals de bewoordingen, gelezen in het licht van de polisvoorwaarden als geheel. Voorts dient tot uitgangspunt dat het een verzekeraar vrijstaat in de polisvoorwaarden de grenzen te omschrijven waarbinnen hij bereid is dekking te verlenen. Dat brengt ook de vrijheid mee om daarbij - op een wijze die voor de verzekeringnemer op grond van voormelde objectieve factoren voldoende duidelijk kenbaar is - binnen een samenhangend feitencomplex slechts aan bepaalde feiten en omstandigheden (rechts)gevolgen te verbinden en aan andere niet (HR 16 mei 2008, NJ 2008, 284 en HR 9 juni 2006, NJ 2006, 326).

Het standpunt van Nh 1816 komt er op neer dat zij, naast schade door een onroerende zaak in aanbouw, ook de desbetreffende bouwactiviteiten van dekking heeft uitgesloten. Zij ziet een en ander als een samenhangend feitencomplex en het gehele feitencomplex is uitgesloten van dekking. Een dergelijke keuze staat haar vrij, maar daartoe is wel vereist dat die voor [geïntimeerden] op grond van objectieve factoren voldoende duidelijk kenbaar moet zijn geweest. Het is voorts vaste jurisprudentie dat uitsluitingsclausules, gelet op hun aard, in beginsel beperkt worden uitgelegd. De bewoordingen van de uitsluitingsclausule (“schade door onroerende zaken in aanbouw”) duiden, gelet op de aan die bewoordingen toe te kennen gebruikelijke betekenis niet op bouwactiviteiten. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat deze formulering inhoudt dat de onroerende zaak in aanbouw zelf de schade moet hebben veroorzaakt. Dat het hier om een aansprakelijkheidsverzekering gaat en niet om een verzekering tegen bouwrisico’s maakt dat niet anders. Met de aard van een aansprakelijkheidsverzekering is immers niet in strijd dat de aansprakelijkheid jegens derden, die voortvloeit uit de in opdracht van [geïntimeerden] als verzekeringnemer/verzekerde verrichte bouwactiviteiten onder de dekking valt (en dus niet van dekking is uitgesloten). Andere objectieve factoren, die het standpunt van Nh 1816 zouden kunnen onderbouwen, heeft zij niet aangevoerd en zijn evenmin gebleken.

Dit betekent dat de grieven I tot en met V falen.

3.4.

Nh 1816 stelt in grief VI dat zij door de rechtbank ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld haar verweren tegen de omvang van de declaraties van de advocaten van [geïntimeerden] in relatie tot de gestelde werkzaamheden nader uiteen te zetten.

Deze grief slaagt. Het is een redelijke wijze van procederen van Nh 1816 om eerst het geschilpunt inzake de uitleg van de uitsluitingsclausule uit te procederen, mede gelet op de aanzienlijke kosten die waarschijnlijk gemoeid zijn met het uitwerken van het verweer inzake de kosten van verweer gezien de omvangrijke procesdossiers van [geïntimeerden] In dit appel dient Nh1816 daarom alsnog in de gelegenheid te worden gesteld haar verweer op dat punt nader uit te werken. De zaak zal worden verwezen naar de rol zodat [geïntimeerden] hun (geordende) procesdossiers voor zover betreffende wateroverlast en belendingenschade, met per dossier de bijhorende gespecificeerde declaratie(s), kunnen overleggen waarna Nh 1816 een akte inhoudende haar verweer inzake de advocatendeclaraties van [geïntimeerden] kan nemen, gevolgd door een antwoordakte van [geïntimeerden]

Het hof geeft partijen in overweging, gezien de tijd en kosten die gemoeid zullen zijn met de behandeling van dit geschilpunt, om in onderling overleg tot een minnelijke regeling te komen.

3.5.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4 Beslissing

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 31 januari 2017 voor overlegging door [geïntimeerden] van hun (geordende) procesdossiers betreffende de wateroverlast en belendingenschade, met per dossier de bijhorende gespecificeerde declaratie(s);

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, W.A.H. Melissen en J.W.M. Tromp en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 20 december 2016.