Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:5430

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-12-2016
Datum publicatie
22-12-2016
Zaaknummer
23-002155-13 en 23-002273-14
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2014:5075, Overig
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:1055, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Een 38-jarige man is door het hof o.a. veroordeeld terzake van de verkrachtingen van een studente in Amsterdam in 2012 en van een vriendin in Hoofddorp in 2013. Eerder was de man door de rechtbank Amsterdam en de rechtbank Noord-Holland terzake van die feiten vrijgesproken. Het hof acht de verklaringen van de aangeefsters echter betrouwbaar en meent dat die in voldoende mate steun vinden in ander bewijsmateriaal. Oplegging van een gevangenisstraf van 5 jaren en 6 maanden wordt op zijn plaats geacht, maar deze straf is teruggebracht tot 5 jaren vanwege de lange duur van het strafproces. De verdachte moet beide slachtoffers schadevergoeding betalen. In een geval wordt de schadevergoedingsmaatregel voor een hoger bedrag opgelegd dan in hoger beroep aan het slachtoffer als benadeelde partij kan worden toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0093
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummers: 23-002155-13 en 23-002273-14

datum uitspraak: 22 december 2016

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op de hoger beroepen, ingesteld tegen het onder parketnummer 13/651149-12 gewezen vonnis van de rechtbank Amsterdam van 26 april 2013 en het onder de parketnummers 15/740889-13 en 15/710442-13 gewezen vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 3 juni 2014 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1978,

adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 23 februari 2015, 16 november 2016, 14 december 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vorderingen van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Voeging

Het hoger beroep tegen het op 26 april 2013 gewezen vonnis is bij het hof geregistreerd onder parketnummer 23-002155-13 (hierna te noemen: zaak I). Het hoger beroep tegen het op 3 juni 2014 gewezen vonnis is bij het hof geregistreerd onder parketnummer 23-002273-14 (hierna te noemen zaak II). In deze laatste zaak is in eerste aanleg de voeging bevolen van de bij de rechtbank onder de parketnummers 15/740889-13 en 15/710442-13 aangebrachte zaken (hierna afzonderlijk aan te duiden als zaak II-A respectievelijk zaak II-B).

Het hof heeft op de terechtzitting van 16 november 2016 de voeging van zaak I en zaak II bevolen.

Tenlasteleggingen

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Zaak I onder 1
hij op één of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 10 augustus 2012 in de gemeente Amsterdam door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , hebbende verdachte die [slachtoffer 1] gedwongen te dulden dat verdachte meermalen, in ieder geval éénmaal zijn, verdachtes, penis in de vagina en/of de anus van die [slachtoffer 1] duwde/bracht en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte

- die [slachtoffer 1] met kracht in haar zij heeft vastgepakt en/of vastgehouden (waardoor die [slachtoffer 1] niet weg kon lopen) en/of

- die [slachtoffer 1] met kracht bij haar keel/nek heeft (vast)gepakt en/of (vast)gehouden en/of (vervolgens) met kracht op de grond heeft geduwd en/of

- een mes, in ieder geval een dergelijk (scherp) (steek)voorwerp op de keel/nek van die [slachtoffer 1] heeft gezet en/of gehouden en/of

- tegen die [slachtoffer 1] dreigend heeft gezegd dat zij moest stoppen met schreeuwen, in ieder geval woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- tegen die [slachtoffer 1] dreigend heeft gezegd (terwijl die [slachtoffer 1] werd gebeld door een vriendin en de telefoon opnam) 'Je gaat nu zeggen dat ik weg ben en dat alles okee is en dat ik net de deur uit ben.', in ieder geval woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- die [slachtoffer 1] (vervolgens) heeft gedwongen een sms-bericht te versturen aan een vriendin met daarin de tekst dat alles goed was en/of

- tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd 'Ga liggen.', in ieder geval woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of die [slachtoffer 1] met kracht in/tegen haar nek heeft geduwd (waardoor die [slachtoffer 1] voorover op bed viel) en/of

- meermalen, in ieder geval éénmaal, die [slachtoffer 1] met kracht heeft vastgepakt en/of op haar rug heeft gedraaid en/of bovenop haar is gaan zitten en/of zijn, verdachtes, mond op de mond van die [slachtoffer 1] heeft gedrukt en/of heeft getracht zijn tong in de mond van die [slachtoffer 1] te duwen/te steken en/of hierbij dreigend tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd 'Kijk me aan!', in ieder geval woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft vastgepakt en/of vastgehouden en/of

- het shirt van die [slachtoffer 1] ruw en/of met kracht omhoog heeft getrokken en/of met kracht de broek van die [slachtoffer 1] open heeft getrokken en/of (vervolgens) met kracht de broek heeft uitgetrokken en/of de bh van [slachtoffer 1] heeft losgemaakt en/of uitgetrokken en/of

- met kracht de schouders van die [slachtoffer 1] in het matras heeft geduwd en/of

- meermalen, in ieder geval éénmaal (met kracht), zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer 1] heeft geduwd/gebracht en/of - meermalen, in ieder geval éénmaal (met kracht), zijn, verdachtes, penis in de anus van die [slachtoffer 1] heeft geduwd/gebracht en/of

- tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd dat zij meermalen hard tegen hem moest zeggen ' [bijnaam] je bent een klootzak.', in ieder geval woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

- (op enig moment) een stofzuigerstang, in ieder geval een dergelijk voorwerp, onder de deurknop van de kamer van die [slachtoffer 1] heeft gezet, waardoor die [slachtoffer 1] de kamer niet kon verlaten en/of

- tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd dat ze niet naar het toilet op de gang mocht gaan en dat ze maar in de wasbak moest plassen en/of dreigend tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd 'Dat kan je maar beter niet doen.', in ieder geval woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

Zaak I onder 2
hij op of omstreeks 10 augustus 2012 in de gemeente Amsterdam opzettelijk [slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, door

- een stofzuigerstang, in ieder geval een dergelijk voorwerp, onder de deurknop van de deur van de kamer van die [slachtoffer 1] te klemmen/zetten, waardoor die [slachtoffer 1] de kamer niet kon verlaten en/of

- tegen die [slachtoffer 1] te zeggen dat ze niet naar het toilet op de gang mocht gaan en dat ze maar in de wasbak (in de kamer) moest plassen en/of dreigend tegen [slachtoffer 1] te zeggen 'Dat kan je maar beter niet doen.', in ieder geval woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

Zaak II-A onder 1
hij op of omstreeks 10 augustus 2013 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een autosleutel(s) en/of een personenauto, merk Renault Clio ( [kentekennummer] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

Zaak II-A onder 2
hij op of omstreeks 10 augustus 2013 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2] , hebbende verdachte

- een of meermalen zijn penis en/of vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer 2] gebracht en/of geduwd en/of gehouden en/of

- een of meermalen zijn tong en/of zijn vinger(s) in de mond van die [slachtoffer 2] gebracht en/of gehouden en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte

- onverhoeds de slaapkamer van die [slachtoffer 2] is binnengegaan en/of

- (met zijn volle gewicht) (onverhoeds) op die [slachtoffer 2] (die in bed lag) is gaan liggen/gesprongen en/of - haar armen heeft vastgepakt en/of heeft vastgehouden, terwijl die [slachtoffer 2] trachtte los te komen en/of

- tegen die [slachtoffer 2] heeft gezegd dat ze haar kleding moest uitdoen en/of de kleding van die [slachtoffer 2] heeft uitgetrokken en/of

- het lichaam van die [slachtoffer 2] heeft omgedraaid zodat die [slachtoffer 2] op haar buik kwam te liggen en/of

- (vervolgens) haar arm(en) met (een) panty('s) heeft vastgebonden aan het bed en/of

- die [slachtoffer 2] (de woorden) heeft toegevoegd: "Ik ben nu al zover. Ik weet dat het slecht is. Ik had een droom en nu moet ik het waarmaken. Ik ga je neuken." en/of "ik kan nu niet meer terug" en/of "ik wil dat je een paar dingen zegt. Ik wil dat je zegt dat ik het moet filmen. Voor de zekerheid", althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

- die [slachtoffer 2] gefilmd heeft met zijn, verdachtes, mobiele telefoon, waarbij die [slachtoffer 2] door verdachte gedwongen werd te zeggen: "film film me, ik wil dat je me nu neukt" en/of

- die [slachtoffer 2] (meermalen) op haar billen heeft geslagen en/of

- die [slachtoffer 2] aan haar haren heeft vastgepakt en/of heeft vastgehouden, en/of (aldus) voor die [slachtoffer 2] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan dat zij zich niet aan de seksuele handelingen met verdachte kon onttrekken en/of durfde te onttrekken;

Zaak II-B onder 1 primair
hij op of omstreeks 23 mei 2012 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 3] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet (meermalen) (met kracht) met een ijzeren stofzuigerslang tegen de rug en/of de nek te slaan en/of een of meermalen een kopstoot te geven, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Zaak II-B onder 1 subsidiair
hij op of omstreeks 23 mei 2012 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 3] ), (meermalen) (met kracht) met een ijzeren stofzuigerslang tegen de rug en/of de nek heeft geslagen en/of een of meermalen een kopstoot heeft gegeven, waardoor die [slachtoffer 3] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

Zaak II-B onder 2
hij op of omstreeks 23 mei 2012 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk en wederrechtelijk een televisietoestel en/of een salontafel, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt, immers heeft hij, verdachte, (met kracht) tegen het televisietoestel getrapt (waardoor deze op de grond viel) en/of (vervolgens) tegen de salontafel getrapt (waardoor er tafelpoten afbraken).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof met betrekking tot de bewijsvraag tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van zaak I

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van verkrachting en wederrechtelijke vrijheidsberoving en heeft daartoe aangevoerd dat de verklaringen van de aangeefster [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) betrouwbaar zijn en voldoende steun vinden in andere bewijsmiddelen. De door de verdachte opgevoerde alternatieve lezing dat sprake is geweest van seks met wederzijds goedvinden, acht de advocaat-generaal onaannemelijk.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde verkrachting en wederrechtelijke vrijheidsberoving. Daartoe is – onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 342, tweede lid, Sv – aangevoerd dat de verklaringen van [slachtoffer 1] in onvoldoende mate steun vinden in het overige bewijsmateriaal, terwijl het scenario van de verdachte, inhoudende dat sprake was van vrijwillige seks en dat hij op verzoek van [slachtoffer 1] de deur met de stofzuigerstang heeft gebarricadeerd, door andere bewijsmiddelen wordt ondersteund. Voor het geval dat het hof (a) de conclusie van de arts [deskundige 1] dat de door haar bij [slachtoffer 1] geconstateerde letsels goed passen bij de door laatstgenoemde opgegeven toedracht (p. 87) bij een bewezenverklaring betrekt of (b) het rugletsel dat [slachtoffer 1] stelt te hebben bekomen relevant acht voor de beantwoording van de vraag of zij voor- of achterover van haar fiets is gevallen, heeft de raadsman – voorwaardelijk – verzocht [deskundige 1] als deskundige te doen horen.

Oordeel van het hof

Inleiding

Het hof ziet zich, mede in het licht van de door de raadsman gevoerde bewijsverweren, gesteld voor de vraag of de verklaringen van [slachtoffer 1] betrouwbaar zijn en of deze verklaringen voldoende steun vinden in andere bewijsmiddelen. Deze vragen lenen zich met betrekking tot het in deze zaak onder 1 en 2 ten laste gelegde voor een gezamenlijke bespreking.

Verklaringen [slachtoffer 1]

heeft op 10, 12 en 16 augustus 2012 en 1 november 2012 ten overstaan van de politie en op 17 december 2012 tegenover de rechter-commissaris verklaringen afgelegd. De strekking van deze verklaringen is – samengevat – de volgende.

Op 10 augustus 2012 heeft [slachtoffer 1] , die een avond uit was met haar vriendinnen [naam 1] en [naam 2] , de verdachte even na 03:00 uur ontmoet nabij een bushalte in de omgeving van het Leidseplein. Nadat [naam 1] en [naam 2] met de bus waren vertrokken, liep [slachtoffer 1] naar haar fiets. De verdachte liep met haar mee en vroeg of hij mee kon rijden. Hoewel zij dacht dat haar bagagedrager het mogelijk niet zou houden, stemde zij ermee in de verdachte een lift te geven. Onderweg brak de bagagedrager. Daarbij bezeerde [slachtoffer 1] , die achterop zat, haar rechter hand en haar onderrug. Vervolgens hebben beiden lopend hun weg vervolgd; de verdachte hield de fiets vast. Bij de woning van [slachtoffer 1] – een studentenkamer – vroeg de verdachte of het goed was dat hij mee naar binnen ging om zijn telefoon op te laden. Hij zei ook dat hij binnen gedurende een half uur op de bus wilde wachten. Hij kwam dicht bij haar staan. [slachtoffer 1] voelde zich ongemakkelijk en geïntimideerd, durfde geen ‘nee te zeggen’en wist niet goed hoe zij de verdachte weg moest krijgen. Toen is de verdachte mee naar binnen gelopen. Daar is [slachtoffer 1] in een stoel gaan zitten. De verdachte is naast haar in die stoel gaan zitten. [slachtoffer 1] wilde dat niet en stond op uit de stoel. Toen pakte de verdachte haar vast en probeerde haar terug te trekken. [slachtoffer 1] rukte zich los en zei: “Niet doen”. Toen werd [slachtoffer 1] op haar telefoon gebeld door haar vriendin [naam 1] die vroeg of alles goed was. Nadat [slachtoffer 1] antwoordde dat de verdachte er nog was, greep de verdachte haar in de nek, kneep haar hard en drukte het gesprek weg. [slachtoffer 1] heeft toen geschreeuwd. De verdachte pakte haar daarop bij haar keel, duwde haar op de grond, hield een mes tegen haar keel en maande haar te stoppen met schreeuwen. [slachtoffer 1] zei dat zij geen lucht meer kreeg, waarna de verdachte zei: “Jij gaat nu je kop houden”. Hij drukte hard met het mes tegen haar wangen en kneep in haar wangen. Hij zei: “Als je nu niet doet wat ik zeg, ik zweer het, ik snij je keel door”. [naam 1] belde op dat moment nogmaals. [slachtoffer 1] moest vervolgens van de verdachte zeggen dat alles oké was en dat hij weg was. Hierop heeft zij nog een berichtje naar [naam 1] gestuurd. Zij maakte daarin expres veel typfouten, in de hoop dat [naam 1] daaruit zou opmaken dat er wel degelijk iets aan de hand was. Op instigatie van de verdachte zette [slachtoffer 1] vervolgens haar telefoon uit. De verdachte heeft hierna de deur van de woning op slot gedraaid en de stofzuigerstang tussen de klink en de deur gezet. De verdachte zei [slachtoffer 1] te gaan liggen en duwde haar vervolgens in haar nek voorover op het bed en verkrachtte haar eerst vaginaal en vervolgens anaal. Daarna moest zij plassen, maar omdat zij van de verdachte de kamer niet mocht verlaten, moest zij zich op de wasbak in haar kamer ontlasten. Vervolgens verkrachtte de verdachte haar nogmaals vaginaal. [slachtoffer 1] probeerde hierop haar vagina af te vegen met toiletpapier dat bij de wasbak lag en plaste nog een keer op de wasbak. Daarna moest [slachtoffer 1] weer bij de verdachte in bed komen liggen. De verdachte draaide haar op haar zij, waarbij [slachtoffer 1] zag dat hij een condoom om zijn penis had. Vervolgens verkrachtte de verdachte haar wederom vaginaal. Toen de verdachte even later in slaap was gevallen heeft [slachtoffer 1] haar telefoon gepakt en haar badjas aangetrokken en is zij barrevoets naar buiten gevlucht. Zij verschuilde zich achter een vrachtwagen en belde eerst naar [naam 1] en daarna naar 112.

Het hof stelt vast dat [slachtoffer 1] vanaf het eerste contact met de politie en bij alle latere verklaringen die zij heeft afgelegd, gewag heeft gemaakt van het dreigen door de verdachte, het gebruik van het mes en het tegen haar wil gemeenschap moeten hebben. Zij is op deze en andere essentiële onderdelen gedetailleerd en zeer consistent in haar lezing gebleken.

De geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 1] worden onderstreept door de toestand waarin zij zich bevond nadat zij haar woning had verlaten. In het – om 6.42 uur – gevoerde gesprek met [naam 1] heeft zij huilend en ‘heel erg’ in paniek verteld dat zij bij de keel was gegrepen en dat er een mes op haar gezicht was gezet. In het gesprek dat [slachtoffer 1] om 6:46 uur met de telefonist van de Centrale Meldkamer van de politie heeft gevoerd, heeft zij huilend en hoorbaar in paniek melding gemaakt van de verkrachting. Kort hierop hebben politieambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] [slachtoffer 1] op straat aangetroffen, terwijl zij zeer angstig uit haar ogen keek, over haar hele lichaam trilde, haar gezicht nat was, haar ogen bloeddoorlopen waren van het huilen en haar make-up was uitgelopen. Bovendien was zij slechts gekleed in een badjas en stond zij op blote voeten. Uit deze laatste omstandigheden spreekt dat zij haar eigen woning met de grootst mogelijke spoed heeft willen verlaten.

Op grond van bovenstaande komt de verklaring van [slachtoffer 1] over hetgeen op 10 augustus 2012 in de vroege ochtend is gebeurd authentiek op het hof over.

Bewijsminimum

Het hof stelt voorop dat het bewijs dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, gelet op het tweede lid van artikel 342 Sv, door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Dit zogenoemde bewijsminimum heeft betrekking op de verklaringen van getuigen afgelegd ter zitting, maar is eveneens van toepassing op getuigenverklaringen die zijn opgenomen in een proces-verbaal van een opsporingsambtenaar. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.

Het hof begrijpt het verweer de raadsman aldus dat hij betoogt dat het bewijs dat de verdachte haar tot de seksuele handelingen die met haar zijn verricht heeft gedwongen en het bewijs van de wederrechtelijke vrijheidsberoving enkel zou kunnen worden gestoeld op haar eigen verklaringen.

Het hof onderschrijft dit standpunt niet. De verklaringen van [slachtoffer 1] vinden in voldoende mate steun in de overige tot het bewijs gebezigde bewijsmiddelen, in het bijzonder:

  1. de verklaringen van [naam 1] , het proces-verbaal van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] voornoemd en de transcriptie van het gesprek dat [slachtoffer 1] heeft gevoerd met de telefonist van de Centrale Meldkamer van de politie, meer specifiek in hetgeen daaruit naar voren komt omtrent de toestand waarin [slachtoffer 1] zich bevond nadat zij haar woning had verlaten;

  2. de weergave van de tussen [slachtoffer 1] en [naam 1] gevoerde WhatsApp-gesprekken, waaruit het hof afleidt dat [slachtoffer 1] niet wilde dat de verdachte met haar meeging naar haar woning, zij diens aanwezigheid in haar woning beangstigend vond en dat zij wilde dat hij weg zou gaan. Uit die weergave blijkt voorts dat [slachtoffer 1] om 04:44:38 uur aan [naam 1] heeft gemeld dat de verdachte weg is en haar om 04:45:08, 04:45:13 en 04:45:18 uur drie met typefouten doorspekte berichten heeft gestuurd waarop door [naam 1] met een vraagteken is gereageerd.

  3. de letselverklaring van [deskundige 1] , waarin is vermeld dat [slachtoffer 1] snijwonden op de wang en in de hals had, alsook verkleuringen in de rechter hals en drukwonden aan de binnenzijde van de wang. Naar het (eigen) oordeel van het hof passen deze verwondingen bij de verklaring van [slachtoffer 1] , inhoudende dat de verdachte haar met kracht bij de keel heeft gegrepen, in haar wang heeft geknepen en een mes tegen haar keel en wang heeft gedrukt;

  4. de verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende dat de verkleuringen van de hals van [slachtoffer 1] zouden kunnen ontstaan, doordat hij haar tijdens de seks bij de keel heeft vastgepakt;

  5. de verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende dat hij de deur van de woning van de [slachtoffer 1] op slot heeft gedraaid en de stofzuigerstang onder de deurklink heeft gezet;

  6. het proces-verbaal waarin is gerelateerd dat in de woning van [slachtoffer 1] een stofzuigerstang is aangetroffen, waaraan wel een zuigmond, maar geen slang was bevestigd;

  7. de brieven van respectievelijk [deskundige 2] , cognitief gedragstherapeutisch werker en seksuoloog, en [deskundige 3] , Gz-psycholoog, waaruit naar voren komt dat [slachtoffer 1] van september 2012 tot en met november 2014 is behandeld voor een Post Traumatische Stress Stoornis (PTSS).

Het verweer wordt verworpen.

Het door de verdachte geschetste scenario

Door de verdachte is tegenover de politie en op de terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep een alternatief scenario geschetst. Dat houdt het volgende in.

[slachtoffer 1] heeft de verdachte, na de ontmoeting bij het Leidseplein en de gang naar haar huis, in haar woning uitgenodigd. Daar werden de sfeer en de gesprekken intiemer en [slachtoffer 1] maakte gewag van een boek dat ging over buttpluggen en anale en vrij harde seks. [slachtoffer 1] maakte een ‘gewillige indruk’ en een innige zoenpartij volgde. Daarna kreeg de verdachte van [slachtoffer 1] een condoom, deed deze zelf om en kwam het op beider initiatief tot seksuele handelingen, waaronder tot vaginale en anale penetratie. Daarbij hebben zij ook ‘ruwe seks’ gehad (‘hard stoten’, ‘beetje haren trekken’, ‘met mijn handen om haar nek’). Nadat hij was klaar gekomen, bleek het condoom te zijn geknapt. Daar werd [slachtoffer 1] boos en zelfs woest over. Daarna is [slachtoffer 1] zich gaan opfrissen, werd er gepraat over kinderen, is er nog geknuffeld en zijn zij samen in slaap gevallen. [slachtoffer 1] heeft de verdachte bij dit alles gevraagd de deur te barricaderen om te voorkomen dat haar huisgenoten binnen zouden komen. De snijwonden die op haar wangen en haar hals is geconstateerd kunnen zijn veroorzaakt door haar val van de fiets eerder die avond, zo denkt de verdachte.

Het hof acht de door de verdachte voorgespiegelde lezing niet aannemelijk geworden. Daartoe is in het bijzonder het volgende redengevend:

▪ De (toenmalige) vriend van [slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij nooit anale seks hebben gehad, omdat laatstgenoemde dat niet wilde (p. 214-215). Het ligt naar het oordeel van het hof dan ook niet voor de hand dat [slachtoffer 1] dat met een haar onbekende man wel zou willen hebben.

▪ De verdachte heeft wisselend verklaard over de herkomst van het condoom (vgl. p. 142 en proces-verbaal van verhoor door de rechter-commissaris van 13 augustus 2012), het moment waarop hij het condoom heeft omgedaan (vgl. p. 142, p. 185 van het dossier en p. 4 van het proces-verbaal van de zitting van 12 april 2013), terwijl het scenario waarin de verdachte zijn broek al had uitgedaan toen hij van [slachtoffer 1] een condoom kreeg aangereikt, niet te rijmen is met de omstandigheid dat er een lege condoomverpakking in zijn broekzak is aangetroffen (p. 195).

▪ Het scenario van de verdachte biedt geen verklaring voor de bij [slachtoffer 1] in de hals en het gezicht aangetroffen letsels, meer specifiek de druk- en snijwonden. Uitgaande van de lezing van de verdachte biedt ook de eerdere val van de fiets zo’n verklaring niet. Immers, de verdachte heeft verklaard dat hem na de val van de fiets geen verwondingen bij [slachtoffer 1] zijn opgevallen (p. 148 en p. 177) en dat hij [slachtoffer 1] niet met haar gezicht op de grond heeft zien vallen (ter terechtzitting in hoger beroep van 16 november 2016).

▪ Het scenario van de verdachte biedt geen verklaring voor de toestand waarin [slachtoffer 1] zich bevond nadat zij haar woning had verlaten. Weliswaar stelt de verdachte dat zij woest was, omdat het condoom was geknapt, maar deze emotie was in die lezing al weer snel weggeëbd, omdat er kort daarop weer werd geknuffeld en werd gepraat over kinderen. Voor de juistheid van de suggestie van de verdachte (en – in het verlengde daarvan – diens raadsman) dat [slachtoffer 1] in paniek, blootsvoets en gekleed in een badjas naar buiten is gegaan, omdat zij was vreemdgegaan en haar vriendje mogelijk in aantocht was, is van geen enkel tastbaar aanknopingspunt gebleken.

▪ Het scenario van de verdachte biedt geen logische verklaring voor de PTTS waarmee [slachtoffer 1] is gediagnostiseerd en waarvoor zij langdurig is behandeld;

▪ Het is hoogst onaannemelijk dat [slachtoffer 1] zich vrijwillig heeft ontlast in de wasbak van haar studentenkamer in de aanwezigheid van een haar onbekende man (p. 155), terwijl er zich op de gang een (gemeenschappelijk gedeelde) WC bevond (p. 17).

▪ In het licht van de geweldshandelingen en de bedreigingen die – zo staat voor het hof vast – jegens [slachtoffer 1] zijn begaan, moet het zeer onaannemelijk worden geacht dat zij de verdachte heeft verzocht haar kamerdeur op slot te doen of te barricaderen.

Slotoverwegingen

Het hof ziet geen aanleiding om aan de geloofwaardigheid of betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 1] te twijfelen; zij zijn mitsdien bruikbaar voor het bewijs. De kanttekeningen die de raadsman bij die verklaringen heeft geplaatst, zijn niet van een dusdanig kaliber dat dat deze tot een ander oordeel dwingen. Daarbij wordt nog in het bijzonder overwogen dat het hof het met de raadsman opvallend vindt dat in de diep anale bemonstering van [slachtoffer 1] geen materiaal is aangetroffen, waarvan het DNA-profiel matcht met dat van de verdachte, terwijl [slachtoffer 1] heeft verklaard dat de verdachte in haar anus is klaargekomen en dat zij daarna diens sperma daaruit voelde lekken (blad 8 van het proces-verbaal verhoor d.d. 17 augustus 2012). In het licht van hetgeen verder omtrent het incident buiten redelijke twijfel is komen vast te staan, wordt deze enkele omstandigheid echter van onvoldoende gewicht geacht om de door de raadsman getrokken conclusie – dat het scenario van [slachtoffer 1] onjuist is – te rechtvaardigen.

Nu voorts het wettig bewijs voorhanden is, de door de verdachte gepresenteerde lezing niet aannemelijk geworden is en hetgeen de raadsman verder te berde heeft gebracht de verdachte ook niet kan baten, acht het hof op grond van de inhoud van de bezigde bewijsmiddelen, in onderling verband bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich aan de onder 1 en 2 ten laste gelegde verkrachting en wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer 1] heeft schuldig gemaakt.

Voorwaardelijk verzoek

Er bestaat geen aanleiding voor inwilliging van het voorwaardelijk verzoek [deskundige 1] te doen horen, omdat de daaraan verbonden voorwaarden niet zijn vervuld. Overigens ziet het hof ook geen noodzaak om tot toewijzing van het verzoek te komen.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van zaak II-A

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde diefstal en verkrachting. Ten aanzien van het tweede feit heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat de verklaringen van de aangeefster [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) betrouwbaar zijn en dat aan het wettelijk bewijsminimum is voldaan. De door de verdachte gepresenteerde alternatieve lezing dat sprake is geweest van seks met wederzijdse instemming, acht de advocaat-generaal onaannemelijk.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de onder 1 ten laste gelegde diefstal en de onder 2 ten laste gelegde verkrachting. Met betrekking tot dit laatste feit is aangevoerd dat de verklaringen van [slachtoffer 2] onbetrouwbaar zijn en niet worden ondersteund door een bewijsmiddel uit andere bron, terwijl de lezing van de verdachte dat sprake was vrijwillige seks, niet door een ander bewijsmiddel wordt gefalsificeerd. Hij heeft het hof – voorwaardelijk – verzocht [getuige 1] en [getuige 2] als getuigen te doen horen ingeval de verklaringen van deze personen relevant voor het bewijs worden geacht. Ten aanzien van de ten laste gelegde diefstal heeft de raadsman gewezen op de verklaring van de verdachte dat hij de auto van [slachtoffer 2] heeft geleend en gesteld dat daarom van wederrechtelijke toe-eigening daarvan geen sprake is.

Oordeel van het hof

Inleiding

Het hof ziet zich, mede in het licht van de door de raadsman gevoerde bewijsverweren, gesteld voor de vraag of de verklaringen van [slachtoffer 2] betrouwbaar zijn en of deze verklaringen voldoende steun vinden in andere bewijsmiddelen. Deze vragen lenen zich met betrekking tot het in deze zaak onder 1 en 2 ten laste gelegde voor een gezamenlijke bespreking.

Verklaringen [slachtoffer 2]

heeft op 10, 11 en 13 augustus 2013 en op 4 oktober 2013 ten overstaan van de politie en op 22 april 2014 tegenover de rechter-commissaris verklaringen afgelegd. De strekking van deze verklaringen is – samengevat – de volgende.

In de nacht van 9 op 10 augustus 2013 is [slachtoffer 2] met de verdachte naar een feest geweest. Na het feest keerde zij huiswaarts samen met de verdachte en ‘ [naam 3] ’ [het hof begrijpt: [naam 3] ]. Afgesproken was dat de verdachte bij haar op de bank in de woonkamer zou overnachten; zij had op de bank een dekentje achtergelaten. Op enig moment is [slachtoffer 2] zich gereed gaan maken om naar bed te gaan. Nadat [naam 3] was vertrokken en zij de verdachte, die nog op de bank zat, welterusten had gezegd, is zij op bed gaan liggen. Hoewel [slachtoffer 2] normaliter naakt slaapt, had zij deze nacht een joggingbroek en een T-shirt aangetrokken, omdat de verdachte in haar woning was en zij hem niet naakt in de hal wilde tegenkomen. Na ongeveer twintig minuten kwam de verdachte bij haar in bed liggen. [slachtoffer 2] vroeg waarom de verdachte bij haar in bed kwam liggen, maar de verdachte reageerde niet. Daarna zei [slachtoffer 2] tegen de verdachte dat hij zwaar ademde. De verdachte kwam dichterbij en raakte [slachtoffer 2] aan bij haar heup. Nog voordat [slachtoffer 2] het besefte sprong de verdachte met zijn volle gewicht op haar en hield haar armen vast. [slachtoffer 2] vreesde voor haar leven en besefte dat zij niet meer kon tegenstribbelen. Hij trok het shirt van [slachtoffer 2] uit en haar broek naar beneden, ook trok hij zijn eigen kleding uit. Hij draaide haar op haar buik, rommelde in een laadje van een kastje naast haar bed en vond panty’s. Daarmee bond hij haar armen vast aan spijlen van het bed. [slachtoffer 2] voelde pijn aan haar polsen. De verdachte duwde vervolgens twee vingers in haar vagina. De verdachte penetreerde haar vagina met zijn penis en sloeg een paar keer op de linker bil en het been. Ook pakte hij het haar van [slachtoffer 2] vast en trok het naar achteren. Zij moest met de verdachte zoenen; hij stopte zijn tong in haar mond. Op enig moment pakte de verdachte zijn telefoon. Hij wilde de seks filmen en hij maande [slachtoffer 2] ‘voor de zekerheid’ te zeggen “Film me” en “Neuk me”, ook moest zij een beetje kreunen. Even later sprong hij uit bed en heeft hij de telefoon van [slachtoffer 2] verstopt. Ook heeft hij één van de armen nog even losgemaakt, maar stopte wel zijn penis weer in haar vagina. Vrij snel daarna bond hij haar arm weer vast, waarna [slachtoffer 2] opnieuw werd gepenetreerd. Uiteindelijk is de verdachte in haar vagina klaargekomen. Daarna heeft hij tegen haar gezegd dat zij hem naar Amsterdam moest brengen. [slachtoffer 2] heeft toen een jumpsuit aangetrokken dat naast haar bed lag. De verdachte was zijn telefoon kwijt en zocht deze. [slachtoffer 2] moest bij hem blijven. Op een onbewaakt moment is zij naar het raam van haar woning gerend en daaruit gesprongen en heeft bij een nabijgelegen boekhandel om hulp gevraagd. Tijdens het incident heeft [slachtoffer 2] ‘verschrikkelijk’ gehuild en – tevergeefs – op het gevoel van de verdachte ingepraat. Zij heeft de verdachte haar autosleutel niet gegeven; deze lag op een tafel in het zicht. Zij had hem evenmin toestemming gegeven de auto mee te nemen.

Het hof stelt vast dat [slachtoffer 2] vanaf het eerste contact met de medewerkers van de boekhandel en in de latere verklaringen die zij heeft afgelegd, er gewag van gemaakt dat zij was verkracht, dat er daarbij was gefilmd en dat zij (uit het raam) was gevlucht. Zij is op deze en andere essentiële onderdelen gedetailleerd en consistent in haar lezing gebleken.

Aan de geloofwaardigheid en de betrouwbaarheid van [slachtoffer 2] ’s verklaringen draagt bij dat zij zelfs na het incident diverse positieve eigenschappen van de verdachte blijft noemen en het moeilijk vindt iets negatiefs over hem te zeggen; zij kan eigenlijk geen ‘slechte dingen’ over hem bedenken (p. 196 en p. 199); zij maakt de verdachte met andere woorden niet onnodig zwart. Daaraan draagt verder bij de toestand waarin [slachtoffer 2] zich bevond nadat zij haar woning had verlaten. [getuige 3] (hierna: [getuige 3] ), die op 10 augustus 2013 bij de boekhandel achter de kassa stond, heeft verklaard dat hij [slachtoffer 2] met tranen in haar ogen zag binnenkomen en gelijk vertelde dat ze was verkracht en gevlucht. [getuige 4] (hierna: [getuige 4] ), die toen ook in de boekwinkel werkte, heeft gezien dat de mascara van [slachtoffer 2] was uitgelopen, dat zij geen schoenen aan had en huilde. [slachtoffer 2] vertelde dat zij uit angst had meegewerkt, dat ‘hij’ had gefilmd toen ‘hij’ haar verkrachtte en dat zij uit het raam was geklommen. Zodra bij [slachtoffer 2] details naar boven kwamen, brak haar stem en werd zij emotioneel. [slachtoffer 2] gaf verder te kennen haar moeder te willen bellen. Omdat zij tijdens het bellen met haar moeder geen woord kon uitbrengen, heeft [getuige 4] het gesprek overgenomen en de moeder gevraagd naar de winkel te komen. De moeder van [slachtoffer 2] , [naam 4] (hierna: [naam 4] ), zag toen zij aankwam dat haar dochter over haar toeren en vreselijk aan het huilen was. [slachtoffer 2] vertelde haar moeder toen dat zij was verkracht. [naam 4] zag ook dat haar dochter op blote voeten liep en dat haar make-up was doorgelopen, terwijl haar dochter nooit de deur uitgaat zonder dat haar make-up ‘tip top’ is. Uit deze laatste omstandigheid en het feit dat [slachtoffer 2] op blote voeten was spreekt dat zij haar eigen woning met de grootst mogelijke spoed heeft willen verlaten.

Op grond van bovenstaande komt de verklaring van [slachtoffer 2] over hetgeen in de vroege ochtend van 10 augustus 2013 is gebeurd authentiek op het hof over.

Bewijsminimum

Anders dan de raadsman is het hof, onder dezelfde vooropstelling als hiervoor, van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer 2] in voldoende mate steun vinden in de overige tot het bewijs gebezigde bewijsmiddelen, in het bijzonder:

  1. de verklaringen van [getuige 3] , [getuige 4] en [naam 4] , meer specifiek in hetgeen daaruit naar voren komt omtrent de toestand waarin [slachtoffer 2] zich bevond nadat zij haar woning had verlaten;

  2. het geschrift van [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , waaruit volgt dat aan de hoofdzijde van het bed van [slachtoffer 2] twee panty’s waren geknoopt;

  3. het proces-verbaal van [verbalisant 5] , waaruit blijkt dat bij [slachtoffer 2] aan beide polsen lichte rode uitwendige verkleuringen van de huid zijn geconstateerd en dat zij op haar linker bil en haar beide benen onderhuidse verkleuringen had;

  4. de verklaring van de verdachte, voor zover daaruit volgt dat hij de woning van [slachtoffer 2] ongeschoeid en met achterlating van zijn telefoon en een tas met kleding heeft verlaten;

  5. de verklaringen van de omwonende [getuige 5] , die heeft gezien dat de verdachte met een verwilderde blik de woning verliet, terwijl hij nog doende was de gulp van zijn broek te sluiten, dat hij de woning opnieuw in- en uitrende, met autosleutels in de hand naar een auto rende en met piepende banden wegreed.

  6. het proces-verbaal van [verbalisant 6] en [verbalisant 7] , waaruit naar voren komt dat de auto van [slachtoffer 2] op 11 augustus 2013 te omstreeks 19.30 uur in Nieuw-Vennep is aangetroffen.

Uit de onder 4) en 5) opgenomen verklaringen leidt het hof af dat de verdachte zich, nadat [slachtoffer 2] haar woning had verlaten, genoodzaakt heeft gezien zich hals over kop uit de voeten te maken.

Het verweer wordt verworpen.

Het door de verdachte geschetste scenario

Door de verdachte is tegenover de politie en op de terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep een alternatief scenario geschetst. Dat houdt het volgende in.

Het is van meet af aan de bedoeling geweest dat de verdachte bij [slachtoffer 2] in bed zou slapen. Toen hij naast haar in slaap was gevallen, tikte [slachtoffer 2] hem aan en vroeg of hij haar wilde neuken. Vervolgens heeft hij haar gevingerd en haar vagina in diverse standjes met zijn penis gepenetreerd. Toen de verdachte op een gegeven moment zijn telefoon pakte, vroeg [slachtoffer 2] : “Ga je filmen”, waarop de verdachte “Okay” dacht. Omdat zij er ‘niet warm of koud’ van werden en hij panty’s zag liggen, heeft de verdachte met [slachtoffer 2] ’s instemming haar handen aan de ‘tralies’ van het bed vastgebonden. [slachtoffer 2] had de verdachte verteld dat zij wel van vastbinden en speeltjes hield en dat zij dit ook met haar ex deed. Daarna hadden zij opnieuw in verschillende standjes seks. Toen [slachtoffer 2] zei dat haar polsen pijn deden, heeft de verdachte haar los gemaakt, waarna zij wederom seks hadden en de verdachte klaarkwam. Nadat [slachtoffer 2] en de verdachte zich hadden aangekleed, kon hij zijn telefoon niet vinden. Kort hierop bemerkte hij dat [slachtoffer 2] er niet meer was. Hij liep naar buiten, maar toen viel de voordeur dicht. Hiervan ‘flipte de verdachte’ en ook was hij ‘pissed’ over [slachtoffer 2] ’s plotselinge verdwijning. De verdachte had de sleutel van de auto van [slachtoffer 2] in zijn broekzak – die had zij hem al gegeven voordat zij ging slapen. Daarna is hij met de auto van [slachtoffer 2] naar zijn zus in Nieuw-Vennep gereden.

Het hof acht de door de verdachte voorgespiegelde lezing niet aannemelijk geworden. Daartoe is in het bijzonder het volgende redengevend:

▪ Buiten [slachtoffer 2] was ook [naam 3] ervan op de hoogte dat de verdachte op de bank zou blijven slapen; dit had hij van [slachtoffer 2] gehoord. Daarbij komt dat het hof op de terechtzitting in hoger beroep heeft waargenomen dat op een foto (p. 105) is te zien dat op de bank in de woonkamer van [slachtoffer 2] een dekbed en een kussen liggen.

▪ [slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij met ‘haar ex’ tijdens de seks nooit aan vastbinden heeft gedaan (p. 332). Haar ex-partner [naam 5] heeft verklaard dat zij samen eigenlijk niet aan stevige seks hebben gedaan, dat er nooit is gesproken over vastbinden tijdens de seks en dat dat ook nooit is gebeurd en dat de seks niet werd opgenomen (p. 347-348). Ook haar toenmalige partner [naam 6] heeft verklaard dat [slachtoffer 2] absoluut niet hield van vastbinden of slaan en dat zij er niet gecharmeerd van was dat seks werd opgenomen, omdat in haar optiek de liefde dan verdween (p. 308).

▪ De stelling van de verdachte dat de voordeur was dichtgevallen en dat hij de sleutel van de auto van [slachtoffer 2] al in zijn zak had is niet te rijmen met de opgemelde waarnemingen van [getuige 5] en de verklaring van [naam 4] , inhoudende dat de voordeur van de woning van [slachtoffer 2] bij haar aankomst wagenwijd open stond (verklaring tegenover de rechter-commissaris van 22 april 2014).

▪ Het scenario van de verdachte biedt geen verklaring voor de toestand waarin [slachtoffer 2] zich bevond nadat zij haar woning had verlaten. Er is geen concrete reden om aan te nemen dat, zoals de raadsman heeft geopperd, die toestand geworteld is geweest in de paniekaanvallen waarmee [slachtoffer 2] van tijd tot tijd te kampen heeft. [slachtoffer 2] heeft immers uiteengezet dat deze aanvallen vooral verband houden met een gebrek aan zelfvertrouwen (p. 121) en een minderwaardigheidscomplex, waarbij zij bang is dat mensen ‘slecht over haar denken’ en hiervan vooral last heeft in de drukte (p. 193-194). Haar moeder heeft het geformuleerd als ‘moeite om tussen [het hof lees: onder] de mensen te komen’ (verklaring tegenover de rechter-commissaris van 22 april 2014). Gelet hierop acht het hof het niet waarschijnlijk dat bij [slachtoffer 2] in een scenario als door de verdachte geschetst een paniekaanval ontstaat.

▪ In het scenario van de verdachte zou het zeer voor de hand gelegen hebben dat hij het er na zijn rit naar zijn zus op korte termijn toe zou leiden dat [slachtoffer 2] weer over haar voertuig kon beschikken, zeker in het licht van zijn verklaring dat hij had afgesproken dat hij de auto later die dag zou terugbrengen (p. 59). Dit heeft hij echter niet gedaan; hij kwam er twee dagen nadien pas achter dat de auto niet meer op de plek stond waar hij deze had achter gelaten (p. 43). Dat hij, zoals hij op de terechtzitting in eerste aanleg heeft verklaard, vanwege het verdwijnen van de auto, gewoon ‘geen zin had in een confrontatie’ en dat hij dacht nog wel eens in Hoofddorp te komen, maar dat het er niet van is gekomen, komt het hof tegenstrijdig en weinig overtuigend voor.

Slotoverwegingen

Het hof ziet geen aanleiding om aan de geloofwaardigheid of betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 2] te twijfelen; zij zijn mitsdien bruikbaar voor het bewijs. De kanttekeningen die de raadsman bij die verklaringen heeft geplaatst, zijn niet van een dusdanig kaliber dat dat deze tot een ander oordeel dwingen.

Aangezien voorts het wettig bewijs voorhanden is, de door de verdachte gepresenteerde lezing niet aannemelijk geworden is en hetgeen de raadsman verder te berde heeft gebracht de verdachte ook niet kan baten, acht het hof op grond van de inhoud van de bezigde bewijsmiddelen, in onderling verband bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich aan de onder 2 ten laste gelegde verkrachting van [slachtoffer 2] heeft schuldig gemaakt, alsook aan de onder 1 ten laste gelegde diefstal van haar auto. Ten aanzien van dit laatste wordt nog overwogen dat uit de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen van de verdachte voor, tijdens en na het meenemen van haar auto, in de wetenschap dat [slachtoffer 2] hem geen toestemming voor het gebruik van haar auto had gegeven, wordt afgeleid dat de verdachte zich het voertuig wederrechtelijk heeft toegeëigend. Het verweer dat zijn pijlen hierop richtte, wordt dan ook verworpen.

Voorwaardelijk verzoek

Er bestaat geen aanleiding voor inwilliging van het voorwaardelijk verzoek [getuige 1] en [getuige 2] te doen horen, omdat de daaraan verbonden voorwaarde niet is vervuld. Overigens ziet het hof ook geen noodzaak om tot toewijzing van het verzoek te komen.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van zaak II-B

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van de onder 1 subsidiair ten laste gelegde mishandeling en de onder 2 ten laste gelegde vernieling op grond van de overwegingen zoals weergegeven in het vonnis van 3 juni 2014.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde op het standpunt gesteld dat de verdachte weliswaar erkent de aangever [slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3] ) met een stofzuigerslang te hebben geslagen en hem een kopstoot te hebben gegeven, maar dat niet bewezen kan worden dat er een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel aanwezig is geweest; over de intensiteit van het slaan is niets bekend. Daarom dient de verdachte van dit feit te worden vrijgesproken. Dit geldt ook voor het onder 2 ten laste gelegde. [slachtoffer 3] is immers bij de schermutseling met de verdachte gevallen. Daarbij heeft hij de televisie omver getrokken en is hij op of tegen de tafel gevallen. In elk geval heeft het bij de verdachte aan opzet op de vernieling van de goederen ontbroken. Ingeval het hof zou overwegen de verklaringen van [slachtoffer 3] en zijn vriendin [slachtoffer 4] (hierna: [slachtoffer 4] ) tot het bewijs te bezigen, heeft de raadsman – voorwaardelijk – verzocht omtrent die verklaringen drie politieambtenaren (te weten [verbalisant 8] , [verbalisant 9] en [verbalisant 10] ) als getuigen te doen horen.

Oordeel van het hof

Het hof ziet geen aanleiding om aan de juistheid van de inhoud van de verklaring die [slachtoffer 3] op 23 mei 2012 onmiddellijk na het gewelddadige treffen en dus ‘vers van de lever’ heeft afgelegd. Daarbij komt dat deze wordt ondersteund door de verklaring die [slachtoffer 4] heeft afgelegd op 23 mei 2012 – een moment dat het gebeuren haar nog goed voor de geest moet hebben gestaan – én door hetgeen het hof op de terechtzitting in hoger beroep heeft waargenomen. Het enkele feit dat [slachtoffer 4] tegenover de raadsheer-commissaris haar lezing bijna vier jaar later om haar moverende redenen lijkt te hebben aangedikt, maakt niet dat haar verklaring van 23 mei 2012 als ongeloofwaardig moet worden bestempeld. Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat niet kan worden gezegd dat [slachtoffer 3] ‘zeer wisselend’ heeft verklaard. Dat, zoals is aangevoerd, [slachtoffer 3] in de drie door hem afgelegde verklaringen niet telkens hetzelfde aantal kopstoten heeft genoemd, wordt niet van doorslaggevende betekenis geacht. De andere kanttekeningen die de raadsman verder bij de verklaringen van 23 mei 2012 (en van 18 oktober 2013) heeft geplaatst nopen niet tot andere uitkomsten, mede omdat die verklaringen zijn opgenomen in processen-verbaal die ambtsedig zijn opgemaakt.

De verdachte heeft in deze zaak een lezing gepresenteerd die inhoudt dat [slachtoffer 3] hem na het ontstaan van ruzie met een mes heeft bedreigd en tegen hem schreeuwde. Vervolgens heeft de verdachte hem een kopstoot gegeven. Daarbij raakte het mes het voorhoofd van de verdachte, ten gevolge waarvan hij een verwonding heeft opgelopen. Hierop heeft de verdachte een stofzuigerslang gepakt en [slachtoffer 3] daarmee geslagen. [slachtoffer 3] wilde het mes echter niet loslaten. De verdachte heeft [slachtoffer 3] net zo lang geslagen totdat hij het mes wel losliet. Bij dit alles heeft de verdachte [slachtoffer 3] nog een duw gegeven, waardoor deze achterover tegen de tafel viel en de TV in diens val omver werd getrokken. De verdachte heeft het mes opgeraapt en buiten weggegooid bij een speelveldje.

Deze lezing van de verdachte wordt niet aannemelijk bevonden, allereerst omdat deze strijdig is met de geloofwaardig geachte verklaringen van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] . Daarnaast is het mes waarover de verdachte rept niet aangetroffen op de plaats die hij de politie heeft aangegeven (p. 10). Bovendien heeft de verdachte tegenover de politie verklaard dat hij de duw heeft gegeven toen [slachtoffer 3] nog een mes in handen had (p. 14), terwijl hij op de terechtzitting in eerste aanleg van 20 mei 2014 heeft verklaard dat [slachtoffer 3] pas na die duw met een mes voor hem stond. Ook overigens is de volgordelijkheid van de gebeurtenissen in de beide verklaringen en de op de terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring niet congruent. Illustratief is overigens nog dat de lezing van de verdachte geen weerklank vindt in de op 20 april 2016 op zijn verzoek door de raadsheer-commissaris gehoorde getuige [getuige 6] .

Het hof gaat gelet op het voorgaande uit van de gang van zaken, zoals die door [slachtoffer 3] in diens verklaringen van 23 mei 2012 en 18 oktober 2013 is beschreven.

Ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde wordt nog het volgende overwogen.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier zwaar lichamelijk letsel – is aanwezig indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden. Het zal moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen leidt het hof af dat de verdachte [slachtoffer 3] vijftien maal hard met een metalen stofzuigerstang op de bovenzijde van diens rug en in diens de nek heeft geslagen. Verder is vastgesteld dat de bewuste stofzuigerstang – kennelijk – daarbij ernstig beschadigd en verbogen is geraakt.

Naar het oordeel van het hof wordt door vijftien maal met een metalen stofzuigerstang slaan op de bovenzijde van de rug en – vooral – de nek van een persoon met dusdanig veel kracht dat die stang daarvan ernstig beschadigd en verbogen raakt, de naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten kans in het leven geroepen dat die persoon daarvan zwaar lichamelijk letsel bekomt. Van die kans zal een ieder – dus ook de verdachte – zich bewust zijn. Door desondanks te handelen als de verdachte heeft gedaan, heeft hij die kans aanvaard. Daarom kan het onder 1 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend worden bewezen als na te melden.

De tot vrijspraak strekkende verweren worden verworpen.

Voorwaardelijk verzoek

Het hof wijst het voorwaardelijke verzoek tot het horen van de drie evenbedoelde politieambtenaren af, omdat van de noodzaak daartoe niet is gebleken. Daarbij merkt het hof nog op dat genoegzaam vast staat wanneer de verhoren van [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] hebben plaatsgevonden en wat bij die gelegenheden is verklaard.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak I onder 1 en 2, in zaak II-A onder 1 en 2 en in zaak II-B onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Zaak I onder 1
hij op 10 augustus 2012 in de gemeente Amsterdam door geweld of andere feitelijkheden en bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] ,

hebbende verdachte die [slachtoffer 1] gedwongen te dulden dat verdachte zijn penis in de vagina en de anus van die [slachtoffer 1] duwde/bracht

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkheden en die bedreiging met geweld hierin dat verdachte

- die [slachtoffer 1] met kracht bij haar nek heeft vastgepakt en vervolgens op de grond heeft geduwd en

- een mes op de keel van die [slachtoffer 1] heeft gezet en gehouden en

- tegen die [slachtoffer 1] dreigend heeft gezegd dat zij moest stoppen met schreeuwen en

- tegen die [slachtoffer 1] dreigend heeft gezegd, terwijl die [slachtoffer 1] werd gebeld door een vriendin en de telefoon opnam, 'Je gaat nu zeggen dat ik weg ben en dat alles oké is en dat ik net de deur uit ben' en

- die [slachtoffer 1] vervolgens heeft gedwongen een sms-bericht te versturen aan een vriendin met daarin de tekst dat alles goed was en

- tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd 'Ga liggen' en die [slachtoffer 1] met kracht in haar nek heeft geduwd waardoor die [slachtoffer 1] voorover op bed viel en

- die [slachtoffer 1] op haar rug heeft gedraaid en bovenop haar is gaan zitten en zijn mond op de mond van die [slachtoffer 1] heeft gedrukt en heeft getracht zijn tong in de mond van die [slachtoffer 1] te steken en hierbij dreigend tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd 'Kijk me aan!' en

- het shirt van die [slachtoffer 1] ruw omhoog heeft getrokken en de broek van die [slachtoffer 1] open heeft getrokken en met kracht de broek heeft uitgetrokken en de bh van [slachtoffer 1] heeft losgemaakt en uitgetrokken en

- de schouders van die [slachtoffer 1] in het matras heeft geduwd en

- meermalen zijn penis in de vagina van die [slachtoffer 1] heeft geduwd en in ieder geval éénmaal zijn penis in de anus van die [slachtoffer 1] heeft geduwd en

- tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd dat zij tegen hem moest zeggen ' [bijnaam] , je bent een klootzak' en

- een stofzuigerstang onder de deurknop van de kamer van die [slachtoffer 1] heeft gezet en

- tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd dat ze niet naar het toilet op de gang mocht gaan en dat ze maar in de wasbak moest plassen en dreigend tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd 'Dat kan je maar beter niet doen';

Zaak I onder 2
hij op 10 augustus 2012 in de gemeente Amsterdam opzettelijk [slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door

- een stofzuigerstang onder de deurknop van de deur van de kamer van die [slachtoffer 1] te klemmen/zetten en

- tegen die [slachtoffer 1] te zeggen dat ze niet naar het toilet op de gang mocht gaan en dat ze maar in de wasbak (in de kamer) moest plassen en dreigend tegen [slachtoffer 1] te zeggen 'Dat kan je maar beter niet doen';

Zaak II-A onder 1
hij op 10 augustus 2013 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een autosleutel en een personenauto, merk Renault Clio ( [kentekennummer] ), toebehorende aan [slachtoffer 2] ;

Zaak II-A onder 2

hij op 10 augustus 2013 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, door geweld of andere feitelijkheden [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2] ,

hebbende verdachte

- meermalen zijn penis en/of vingers in de vagina van die [slachtoffer 2] gebracht en/of geduwd en/of gehouden en

- zijn tong en/of zijn vinger(s) in de mond van die [slachtoffer 2] gebracht en/of gehouden

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkheden hierin dat verdachte

- onverhoeds de slaapkamer van die [slachtoffer 2] is binnengegaan en

- met zijn volle gewicht onverhoeds op die [slachtoffer 2] , die in bed lag, is gaan liggen/gesprongen en

- haar armen heeft vastgepakt en heeft vastgehouden, terwijl die [slachtoffer 2] trachtte los te komen en

- tegen die [slachtoffer 2] heeft gezegd dat ze haar kleding moest uitdoen en/of de kleding van die [slachtoffer 2] heeft uitgetrokken en

- het lichaam van die [slachtoffer 2] heeft omgedraaid zodat die [slachtoffer 2] op haar buik kwam te liggen en

- vervolgens haar armen met panty's heeft vastgebonden aan het bed en

- die [slachtoffer 2] de woorden heeft toegevoegd: "Ik ben nu al zover. Ik weet dat het slecht is. Ik had een droom en nu moet ik het waarmaken. Ik ga je neuken" en "Ik kan nu niet meer terug" en "Ik wil dat je een paar dingen zegt. Ik wil dat je zegt dat ik het moet filmen. Voor de zekerheid", althans woorden van gelijke aard en/of strekking en

- die [slachtoffer 2] gefilmd heeft met zijn, verdachtes, mobiele telefoon, waarbij die [slachtoffer 2] door verdachte gedwongen werd te zeggen: "film film me, ik wil dat je me nu neukt" en

- die [slachtoffer 2] op haar billen heeft geslagen en

- die [slachtoffer 2] aan haar haren heeft vastgepakt en heeft vastgehouden,

en aldus voor die [slachtoffer 2] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan dat zij zich niet aan de seksuele handelingen met verdachte kon onttrekken en/of durfde te onttrekken;

Zaak II-B onder 1 primair
hij op 23 mei 2012 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 3] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen met kracht met een ijzeren stofzuigerslang tegen de rug en de nek te slaan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Zaak II-B onder 2
hij op 23 mei 2012 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk en wederrechtelijk een televisietoestel en een salontafel, toebehorende aan [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 3] , heeft vernield, immers heeft hij, verdachte, met kracht tegen het televisietoestel getrapt waardoor deze op de grond viel en vervolgens tegen de salontafel getrapt waardoor er tafelpoten afbraken.

Hetgeen in de zaken I, II-A en II-B meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

De raadsman heeft ten aanzien van het in zaak II-B onder 1 subsidiair ten laste gelegde aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer. Indien en voor zover de raadsman heeft willen betogen dat de verdachte ook bij een bewezenverklaring voor het in zaak II-B onder 1 primair ten laste gelegde een geslaagd beroep op die rechtvaardigingsgrond kan doen, wordt het verweer verworpen. De feiten die daaraan ten grondslag zijn gelegd, worden – zoals hiervoor bij de bewijsoverwegingen al bleek – immers niet aannemelijk geacht.

Er is (ook overigens) geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in de zaken I, II-A en II-B bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het in zaak I onder 1 en het in zaak II-A onder 2 bewezen verklaarde levert telkens op:

verkrachting.

Het in zaak I onder 2 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven.

Het in zaak II-A onder 1 bewezen verklaarde levert op:

diefstal.

Het in zaak II-B onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

poging tot zware mishandeling.

Het in zaak II-B onder 2 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het in de zaken I, II-A en II-B bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte ten aanzien van het in zaak I ten laste gelegde integraal vrijgesproken. De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte van het in zaak II-A onder 1 en 2 en in zaak II-B onder 1 primair tenlastegelegde vrijgesproken en hem voor het in zaak II-B onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een geldboete van € 1.250,00, subsidiair 25 dagen hechtenis.

Tegen deze vonnissen is door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het in zaak I onder 1 en 2, in zaak II-A onder 1 en 2 en in zaak II-B onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft in 2012 een 20-jarige studente verkracht en van haar vrijheid beroofd. Hij is na een avond stappen meegegaan naar haar studentenkamer en heeft zich daar aan haar opgedrongen. Vervolgens heeft hij haar onder bedreiging van een mes op gewelddadige wijze verkracht, anaal en meermalen vaginaal. Daarbij heeft hij haar kamerdeur op slot gedaan en met een stofzuigerstang gebarricadeerd. Het slachtoffer, dat bang was dat hij haar zou vermoorden, mocht van hem de kamer niet verlaten om naar de WC te gaan en was gedwongen in zijn bijzijn haar behoefte op de wasbak in haar kamer te doen. Dit moet zij als zeer beangstigend en vernederend hebben ervaren. Toen de verdachte na de gedwongen seks op enig moment in slaap was gevallen, is het slachtoffer haar kamer ontvlucht en is zij op blote voeten, gekleed in en badjas en in emotionele toestand de straat op gerend. Dit zijn zeer ernstige feiten waarmee de verdachte een zeer grove inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van het slachtoffer. Het slachtoffer, dat net ‘op kamers’ was gegaan en die nacht juist voor het eerst in haar studentenkamer zou overnachten, heeft van een onbezorgde studententijd niet meer kunnen genieten. Zij zag zich genoodzaakt haar studentenkamer op te geven en is weer bij haar ouders gaan wonen. Niet in de laatste plaats is zij fors getraumatiseerd en lijdt zij, niettegenstaande langdurige behandelingen door gedragsdeskundigen, nog altijd onder de psychische gevolgen van het incident.

Precies een jaar later heeft de verdachte een vriendin, bij wie hij na een feest mocht logeren en wier vertrouwen hij genoot, in haar woning verkracht. Hij is tegen haar wil bij haar in bed komen liggen, heeft haar met panty’s aan haar armen vastgebonden aan het bed en heeft haar vervolgens herhaaldelijk met zijn vingers en zijn penis vaginaal gepenetreerd. Daarbij heeft het slachtoffer, dat dacht dat haar laatste seconden waren aangebroken en zich zeer machteloos moet hebben gevoeld, gefilmd en haar gedwongen het te doen lijken alsof de seks vrijwillig was. Het slachtoffer is haar woning op een onbewaakt ogenblik ontvlucht door uit het raam te springen, is zonder schoenen de straat opgerend en heeft bij een nabijgelegen boekhandel om hulp gevraagd. Hierop heeft de verdachte het hazenpad gekozen met behulp van de auto van het slachtoffer, voor het gebruik waarvan hij geen toestemming had. Opnieuw heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van dit slachtoffer. Zij heeft zich enige tijd onder behandeling van een psycholoog moeten stellen en heeft met tal van problemen te kampen gehad. Ook dit slachtoffer heeft zich gedwongen gevoeld te verhuizen; zij is weer bij haar moeder gaan wonen. Daarbij komt dat uit de omstandigheid dat de verdachte door middel van het filmen heeft getracht zichzelf straffeloosheid te verzekeren, een grote mate van berekendheid en geraffineerdheid spreekt.

Tot slot heeft de verdachte een oud-huisgenoot in het huis van diens vriendin fors mishandeld door hem diverse malen met een stofzuigerstang tegen de rug en in de nek te slaan. Daarmee heeft hij het risico in het leven geroepen dat dit slachtoffer zwaar letsel zou oplopen. Ook heeft hij een televisie en een salontafel in dat huis vernield. Dit getuigt van onbeheerst gedrag en een gebrek aan respect voor de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en andermans eigendommen.

Op grond van het bovenstaande is oplegging van een langdurige vrijheidsbenemende straf gerechtvaardigd.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 3 november 2016 is hij op 17 april 2008 onherroepelijk veroordeeld ter zake van vernieling. Dit weegt in zijn nadeel. Sinds de andere vergrijpen waarvoor de verdachte in het verleden is veroordeeld, is dermate veel tijd verstreken, dat het hof de verdachte die niet langer zal tegenwerpen.

Omtrent de persoon van de verdachte zijn in zaak I rapporten opgemaakt door Gz-psycholoog [deskundige 4] d.d. 2 oktober 2012 en 25 maart 2013. Daarin wordt geconcludeerd dat de verdachte antisociale persoonlijkheidstrekken heeft. Hij heeft sterke behoefte aan aandacht. Als bevrediging van die behoefte uitblijft, kan hij zich geïrriteerd of gespannen voelen. Onder andere door claimend gedrag kan hij die spanning reduceren. Hij is in sociaal opzicht zo geraffineerd, sensitief en handig dat hij goed in staat is de omgeving naar zijn hand te zetten. Daarbij neigt hij ernaar impulsief en soms onbegrensd te handelen. De antisociale trekken zijn echter in onvoldoende mate in de persoonlijkheid van de verdachte aanwezig om van een persoonlijkheidsstoornis te kunnen spreken. De verdachte kampte ten tijde van de rapportages dus niet met een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens en geadviseerd wordt dan ook de verdachte voor het in zaak I ten laste gelegde volledig toerekeningsvatbaar te achten.

Nu de conclusies van de gedragsdeskundige worden gedragen door haar bevindingen, kan het hof zich hiermee verenigen. Aan de verdachte worden de in zaak I bewezen geachte gedragingen dus volledig toegerekend. Het hof ziet geen aanleiding om in zaak II tot een ander oordeel te komen.

Er zijn geen bijzondere persoonlijke omstandigheden van de verdachte naar voren gekomen die tot matiging van de op te leggen straf aanleiding geven. De COPD-klachten waarvan de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep gewag heeft gemaakt, leggen zonder nadere en actuele onderbouwing onvoldoende gewicht in de schaal.

Het hof heeft gelet op de straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd, in het bijzonder de straffen die ter zake van verkrachting worden uitgesproken. In het licht van het voorgaande acht het hof, alles afwegende, in beginsel oplegging van een gevangenisstraf van vijf jaar en zes maanden passend en geboden. In het nadeel van de verdachte is daarin verdisconteerd dat hij ten tijde van de verkrachting die hij in 2013 beging, nog geen vier maanden was ontslagen uit de voorlopige hechtenis die was bevolen in de zaak waarin hij werd verdacht van de verkrachting die hij – zo staat voor het hof nu vast – in 2012 pleegde. Uit de aanhouding, vrijheidsbeneming en de daarop volgende rechtsgang in de eerste zaak heeft de verdachte kennelijk niet de les getrokken dat hij zich verre moet houden van het plegen van (zeden)delicten. In die straf komt verder tot uitdrukking dat de verkrachtingen grote gevolgen voor de twee slachtoffers hebben gehad.

Het hof stelt vast dat in hoger beroep de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden. Immers, het hoger beroep in zaak I is ingesteld op 29 april 2013 en in zaak II op 3 juni 2014, terwijl het hof eerst thans – meer dan drieënhalf respectievelijk tweeënhalf jaar later – arrest wijst. Hierin wordt aanleiding gezien de verdachte in plaats van een gevangenisstraf van vijf jaren en zes maanden een vrijheidsstraf met een duur van vijf jaren op te leggen.

Vordering tot gevangenneming van de verdachte

De advocaat-generaal heeft de gevangenneming van de verdachte gevorderd met ingang van de dag van de uitspraak van dit arrest.

Het hof zal deze vordering afwijzen, omdat thans geen gronden (meer) worden gezien die een dergelijk bevel tot voorlopige hechtenis kunnen dragen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft zich in zaak I in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 5.808,21, waarvan € 2.308,21 voor materiële schade en € 3.500,00 voor immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De gemachtigde van de benadeelde partij heeft zich op de terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het in eerste aanleg ter compensatie van immateriële schade gevorderde bedrag onvoldoende recht doet aan de gevolgen die de benadeelde partij van het in zaak I ten laste gelegde heeft ondervonden. Zij heeft daarom verzocht om aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht (Sr) op te leggen tot een bedrag van € 10.000,00 ter vergoeding van immateriële schade én, zo begrijpt het hof tegen de achtergrond van de inhoud van het in eerste aanleg overgelegde schade-onderbouwingformulier, tot een bedrag van € 2.308,21 ter compensatie van materiële schade.

Zijdens de verdachte is de aansprakelijkheid voor de schadeveroorzakende gebeurtenissen betwist. Nu de verdachte strafrechtelijk verantwoordelijk wordt gehouden voor het in zaak I onder 1 en 2 ten laste gelegde, is daarmee diens civielrechtelijke aansprakelijkheid gegeven.

Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak I bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade met een omvang van € 2.308,21 heeft geleden, gelet op de gemotiveerde stellingen van de benadeelde partij, die zijdens de verdachte verder niet zijn betwist (in het bijzonder niet voor wat betreft het optreden van schade, het causale verband met de schadeveroorzakende gebeurtenis en de omvang van de schade). Dit deel van de vordering ligt dan ook voor toewijzing gereed.

Ook is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak I bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden, eveneens gelet op de gemotiveerde stellingen van de benadeelde partij die zijdens de verdachte verder niet (voldoende) zijn betwist (in het bijzonder niet voor wat betreft het optreden van schade en het causale verband met de schadeveroorzakende gebeurtenis).

De begroting van de omvang van immateriële schade is voorbehouden aan de rechter, die daarbij niet is gebonden aan de gewone regels omtrent stelplicht en bewijslast (HR 17 november 2000, NJ 2001/215). Het hof schat de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar maatstaven van billijkheid – met de advocaat-generaal – op € 7.500,00, waarbij in het bijzonder is gelet op de omstandigheden dat ten gevolge van het bewezen geachte de benadeelde partij

- zich gedwongen heeft gevoeld om vanuit haar zelfstandige studentenkamer weer bij haar ouders te gaan wonen;

- ( zoals al bleek) PTSS heeft bekomen en daarvoor langdurig onder behandeling heeft gestaan van verschillende behandelaars;

- geruime tijd is geteisterd door nachtmerries en andere slaapproblemen, is overvallen door herbelevingen en heeft gekampt met een verstoord leeftijdsadequaat seks- en dagelijks leven;

- nog altijd leeft met gevoelens van boosheid, verdriet, wanhoop en machteloosheid en nog geen ‘licht aan het eind van de tunnel’ ziet;

- zich recentelijk opnieuw tot de huisarts heeft gewend teneinde door verwezen te worden naar een psycholoog.

Verder heeft het hof gelet op de schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen door rechters is toegekend. Voor het overige gaat het ter vergoeding van immateriële schade gevorderde de grenzen van de billijkheid te buiten.

Ingevolge artikel 421, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan de benadeelde partij zich in hoger beroep binnen de grenzen van haar eerste vordering voegen. De vordering als bedoeld in artikel 51f Sv kan, zover het strekt tot compensatie van immateriële schade, slechts tot een bedrag van € 3.500,00 worden toegewezen.

De vraag die vervolgens voorligt is of aan de verdachte de schadevergoedingsmaategel van artikel 36f Sr kan worden opgelegd, ook voor zover de geleden immateriële schade het bedrag van € 3.500,00 overstijgt. Anders dan de raadsman, is het hof van oordeel dat wettelijk systeem zich hiertegen niet verzet, in het bijzonder ook niet het bepaalde artikel 421, derde lid, Sv. Immers, dat artikellid ziet louter op vorderingen als bedoeld in artikel 51f Sv, terwijl artikel 36f Sr bovendien mede tot doel heeft gehad om de mogelijkheden van de rechter om schademaatregelen te treffen uit te breiden (Kamerstukken I, 1990-1991, 21345, nr. 36, p. 3). Het hof merkt ten overvloede op dat het zich gesteund ziet in dat oordeel door het (ongepubliceerde) arrest van de Hoge Raad van 30 september 2003 (nr. 2167/02).

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht dan ook opleggen ten belope van € 9.808,21.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft zich in zaak II-A in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 7.883,28, waarvan € 383,28 als vergoeding voor materiële schade en € 7.500,00 ter compensatie van immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Zijdens de verdachte is de aansprakelijkheid voor de schadeveroorzakende gebeurtenissen betwist. Nu de verdachte strafrechtelijk verantwoordelijk wordt gehouden voor het in zaak II-A onder 2 ten laste gelegde, is daarmee diens civielrechtelijke aansprakelijkheid gegeven.

Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak II-A onder 2 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade met een omvang van € 383,28 heeft geleden, gelet op de gemotiveerde stellingen van de benadeelde partij, die zijdens de verdachte verder niet zijn betwist (in het bijzonder niet voor wat betreft het optreden van schade, het causale verband met de schadeveroorzakende gebeurtenis en de omvang van de schade). Dit deel van de vordering ligt dan ook voor toewijzing gereed.

Ook is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak II-A onder 2 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden, eveneens gelet op de gemotiveerde stellingen van de benadeelde partij die zijdens de verdachte verder niet (voldoende) zijn betwist (in het bijzonder niet voor wat betreft het optreden van schade en het causale verband met de schadeveroorzakende gebeurtenis).

De omvang van immateriële schade wordt op dezelfde voet begroot als voormeld. Het hof zal de omvang van de immateriële schade schatten op € 6.250,00, waarbij in het bijzonder is gelet op de omstandigheden dat de benadeelde partij ten gevolge van het onder II-A onder 2 bewezen verklaarde

- enige tijd heeft gekampt met nachtmerries en herbelevingen en in angst heeft geleefd;

- zich genoodzaakt heeft gezien haar zelfstandige woonruimte op te geven en weer bij haar moeder is gaan wonen;

- nadien hard heeft moeten werken om de ervaring te kunnen verwerken en met alle angsten en negatieve emoties om te leren gaan;

- zich in dat verband enkele maanden onder behandeling heeft gesteld van [deskundige 5] , klinisch psycholoog/psychotherapeut;

- enige tijd heeft geleefd met de angst/zorg dat zij besmet zou zijn met een SOA of met HIV.

Verder heeft het hof gelet op de schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen door rechters is toegekend. Voor het overige gaat het ter vergoeding van immateriële schade gevorderde de grenzen van de billijkheid te buiten; de vordering zal voor dat deel worden afgewezen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 57, 63, 242, 282, 302, 310 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in zaak I onder 1 en 2 en in zaak II-A onder 1 en 2 en in zaak II-B onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in zaak I onder 1 en 2 en in zaak II-A onder 1 en 2 en in zaak II-B onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst af de vordering tot gevangenneming van de verdachte.

Gelast in zaak II-A de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- één agenda (goednummer 425821);

- één computer, Dell D630 notebook (goednummer 425823);

- één (computer)muis, kleur grijs (goednummer 425824);

- één stuk papier (goednummer 425826).

Gelast in zaak II-A de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- één condoom, Durex (goednummer 425829);

- één sleutelbos met twee sleutels met een afstandsbediening (goednummer 425830).

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het in zaak I onder 1 en 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 5.808,21 (vijfduizend achthonderdacht euro en eenentwintig cent), bestaande uit € 2.308,21 (tweeduizend driehonderdacht euro en eenentwintig cent) materiële schade en € 3.500,00 (drieduizend vijfhonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële en immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 10 augustus 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het in zaak I onder 1 en 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 9.808,21 (negenduizend achthonderdacht euro en eenentwintig cent), bestaande uit € 2.308,21 (tweeduizend driehonderdacht euro en eenentwintig cent) materiële schade en € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 84 (vierentachtig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële en immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 10 augustus 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het in zaak II-A onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 6.633,28 (zesduizend zeshonderddrieëndertig euro en achtentwintig cent), bestaande uit € 383,28 (driehonderddrieëntachtig euro en achtentwintig cent) materiële schade en € 6.250,00 (zesduizend tweehonderdvijftig euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële en immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 10 augustus 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het in zaak II-A onder 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 6.633,28 (zesduizend zeshonderddrieëndertig euro en achtentwintig cent), bestaande uit € 383,28 (driehonderddrieëntachtig euro en achtentwintig cent) materiële schade en € 6.250,00 (zesduizend tweehonderdvijftig euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 68 (achtenzestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële en immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 10 augustus 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.J.I. de Jong, mr. N.A. Schimmel en mr. A.E. Kleene-Krom, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Metgod, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 22 december 2016.

mr. A.E. Kleene-Krom is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.