Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:5415

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-11-2016
Datum publicatie
22-12-2016
Zaaknummer
23-003015-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ontucht met minderjarige stiefdochter

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-003015-15

datum uitspraak: 25 november 2016

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 9 juli 2015 in de strafzaak onder parketnummer 15-810354-14 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1972,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 11 november 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

primair:
hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 29 juni 2003 tot en met 28 juni 2007 te Haarlem en/of elders in Nederland, (telkens) ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, [slachtoffer], geboren op [geboortedatum], bestaande die ontucht (telkens) hierin dat hij, verdachte een en/of meermalen:
- (over de kleding heen) de vagina heeft betast van die [slachtoffer] en/of
- de (blote) vagina van die [slachtoffer] heeft betast en/of haar heeft gevingerd en/of
- die [slachtoffer] hem, verdachte, heeft laten aftrekken en/of
- met zijn, verdachtes, mond en/of tong de vagina van die [slachtoffer] heeft gelikt en/of betast en/of die [slachtoffer] heeft gebeft en/of
- zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer] heeft gestopt, dan wel heeft laten stoppen en/of gemeenschap heeft gehad met die [slachtoffer];

subsidiair:
hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 29 juni 2003 tot en met 28 juni 2005 te Haarlem en/of elders in Nederland, (telkens) met [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum]), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande (telkens) uit het:
- (over de kleding heen) betasten van de vagina van die [slachtoffer] en/of
- betasten van de (blote) vagina van die [slachtoffer] en/of vingeren van die [slachtoffer] en/of
- die [slachtoffer] hem, verdachte, laten aftrekken en/of
- met zijn, verdachtes, mond en/of tong de vagina van die [slachtoffer] likken en/of betasten en/of die [slachtoffer] beffen en/of
- zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer] stoppen, dan wel laten stoppen en/of gemeenschap hebben met die [slachtoffer].

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Bewijsoverwegingen

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het aan hem ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verklaringen van de aangeefster onbetrouwbaar zijn en bovendien onvoldoende steun vinden in het overige bewijsmateriaal, terwijl het eenmalige seksuele contact dat de verdachte en de aangeefster hebben gehad, heeft plaatsgevonden na de 18e verjaardag van de aangeefster en derhalve na de ten laste gelegde periode.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De aangeefster heeft gedurende een lange periode, sinds zij vanaf 2007 eerst aan [getuige 1] en [getuige 2] vertelde over ontucht door haar stiefvader en jaren later ook haar familie hierover vertelde, waarna zij tenslotte in 2014 aangifte heeft gedaan, consistent, eenduidig en gedetailleerd verklaard over de door de verdachte met haar gepleegde ontuchtige handelingen. Opvallend is hierbij dat de aangeefster in deze periode de beschuldigingen richting de verdachte niet ernstiger heeft gemaakt. Zij heeft niet gaandeweg ernstiger vormen van ontucht toegevoegd en zij heeft zelfs uitdrukkelijk ontkend dat specifieke seksuele handelingen, zoals pijpen, ooit zijn voorgekomen. Tevens valt op dat zij niet alleen haar negatieve ervaringen met haar stiefvader beschrijft, maar ook haar goede band met hem, de positieve punten van haar jeugd en haar worsteling met de vraag of zij wel of niet aangifte moest doen. Naar het oordeel van het hof zijn de verklaringen van de aangeefster over de aan de verdachte verweten ontuchtige handelingen dan ook authentiek en geloofwaardig.

Deze verklaringen vinden bovendien voldoende steun in andere bewijsmiddelen, die deels afkomstig zijn uit andere bronnen. Het hof merkt ook de brieven die door de verdachte zelf zijn geschreven als zodanig steunbewijs aan. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zijn in die brieven vervatte spijtbetuigingen slechts zien op de ene keer dat hij gemeenschap heeft gehad met de aangeefster. Het hof acht deze uitleg onaannemelijk en ongeloofwaardig. Deze uitleg strookt volstrekt niet met de inhoud van deze brieven en de context waarbinnen zij tot stand zijn gekomen. Mede gezien de aard en reikwijdte van verdachtes spijtbetuigingen kan het hof bedoelde brieven niet anders duiden dan ziende op het geheel van het door aangeefster verklaarde. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat uitgaande van de lezing van de verdachte het eenmalige seksuele contact tussen hem en de aangeefster als het ware uit de lucht is komen vallen, terwijl het naar het oordeel van het hof veel aannemelijker is dat dit contact deel heeft uitgemaakt van een reeks seksuele gedragingen die langzaam in intensiteit zijn toegenomen.

Rest de vraag of de door de verdachte erkende seksuele gedraging met de aangeefster heeft plaatsgevonden binnen de ten laste gelegde periode. De verdachte heeft ten overstaan van de rechter-commissaris hierover verklaard dat de geslachtsgemeenschap heeft plaatsgevonden toen de aangeefster 17,5 jaar oud was. Deze verklaring vindt steun in de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2]. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte anders verklaard, namelijk dat hij niet zeker weet of de aangeefster 17,5 jaar oud was, dat het ook kan zijn dat zij 18,5 jaar oud was, maar dat het in ieder geval rond kerstmis is gebeurd. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij pas gemeenschap met de aangeefster heeft gehad in december 2007, toen zij 18,5 jaar oud was. Hij weet dit omdat de aangeefster in november 2006 een schaamlipcorrectie heeft ondergaan en het volgens de verdachte dan niet zo kan zijn dat zij al in december 2006 seksuele gemeenschap heeft gehad.

Ook de aangeefster zelf heeft verklaard dat de penetratie plaatsvond in december 2007 of januari 2008. Het hof is echter van oordeel dat deze verklaring op een vergissing berust, nu uit de overige bewijsmiddelen volgt dat deze seksuele gedragingen eerder hebben plaatsgevonden, toen de aangeefster nog geen 18 jaar was. In dit verband zijn van belang de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2], zowel gelet op de momenten waarop de aangeefster hen over de ontucht heeft verteld, als gelet op de inhoud van haar verklaringen met betrekking tot het moment waarop de verdachte gemeenschap met haar had gehad.

Gezien de verklaring van [getuige 1], inhoudende dat de aangeefster hem in november 2007 vertelde over de ontucht en de penetratie, is het onmogelijk dat de verdachte deze specifieke ontuchtige handeling pas rond kerst 2007 met de aangeefster heeft gepleegd. Naar het oordeel van het hof is deze verklaring van [getuige 1], die precies weet te vertellen waar en wanneer de aangeefster hem hierover vertelde (een busreis van Parijs naar Nederland), dermate specifiek en nauwkeurig dat hiervan moet worden uitgegaan. Dit geldt temeer nu de aangeefster ook zelf heeft verklaard dat zij [getuige 1] een en ander heeft verteld in 2007 tijdens een busreis naar Parijs.

Gelet op alle genoemde verklaringen, in onderling verband en samenhang beschouwd, acht het hof bewezen dat de verdachte binnen de ten laste gelegde periode gemeenschap met de aangeefster heeft gehad, voordat zij de leeftijd van 18 jaren bereikte.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op tijdstippen in de periode van 29 juni 2003 tot en met 28 juni 2007 te Haarlem telkens ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige, [slachtoffer], geboren op [geboortedatum], bestaande die ontucht hierin dat hij een of meermalen:
- over de kleding heen de vagina heeft betast van die [slachtoffer] en
- de blote vagina van die [slachtoffer] heeft betast en haar heeft gevingerd en
- die [slachtoffer] hem heeft laten aftrekken en
- met zijn mond en tong de vagina van die [slachtoffer] heeft gelikt en betast en die [slachtoffer] heeft gebeft en
- zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] heeft gestopt en gemeenschap heeft gehad met die [slachtoffer].

Hetgeen primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het primair bewezen verklaarde levert op:

ontucht plegen met een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg primair bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar, met aftrek van voorarrest.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich gedurende ongeveer vier jaar schuldig gemaakt aan het plegen van ontucht met zijn stiefdochter, die destijds tussen de 14 en 18 jaar oud was. De verdachte heeft haar betast en gevingerd. Ook heeft hij zich door haar laten aftrekken en uiteindelijk zelfs zijn penis in haar vagina gebracht. Handelingen zoals de verdachte die heeft gepleegd, vormen een ernstige inbreuk op de lichamelijke en geestelijke integriteit van aangeefster. Hierdoor heeft de verdachte een normale en gezonde seksuele ontwikkeling, waar ieder kind recht op heeft, doorkruist. De verdachte heeft misbruik gemaakt van zijn rol als stiefvader, van de hunkering van aangeefster naar de geborgenheid van het gezin en haar kwetsbaarheid. De verdachte heeft op geen enkele wijze rekening gehouden met de gevoelens van aangeefster. Dat rekent het hof hem zwaar aan.

Slachtoffers van dergelijke feiten kunnen daarvan nog lange tijd nadelige psychische gevolgen ondervinden. Uit de ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep voorgelezen slachtofferverklaring blijkt hoeveel impact de handelingen van de verdachte op aangeefster hebben gehad en nog altijd hebben. Haar seksuele ontwikkeling is verstoord geraakt en zij heeft zich hiervoor twee keer onder behandeling van een psycholoog gesteld.

Daarbij komt dat als gevolg van het misbruik en de deels ontkennende houding van de verdachte de familie van aangeefster verscheurd is geraakt en aangeefster tot haar verdriet geen contact meer heeft met haar moeder, haar halfzusje en -broertje.

Het hof is, gelet op de aard en ernst van het bewezen verklaarde en hoewel de verdachte niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld, van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 14.495,99. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 12.339,99. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige (beredderings- en studiekosten) is onvoldoende gebleken dat de gestelde schade door het bewezen verklaarde handelen van de verdachte is veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom voor het overige in haar vordering niet worden ontvangen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 57 en 249 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) jaar.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 12.339,99 (twaalfduizend driehonderdnegenendertig euro en negenennegentig cent) bestaande uit € 339,99 (driehonderdnegenendertig euro en negenennegentig cent) materiële schade en € 12.000,- (twaalfduizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 12 mei 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 28 juni 2007 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], ter zake van het primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 12.339,99 (twaalfduizend driehonderdnegenendertig euro en negenennegentig cent) bestaande uit € 339,99 (driehonderdnegenendertig euro en negenennegentig cent) materiële schade en € 12.000,- (twaalfduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 96 (zesennegentig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 12 mei 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 28 juni 2007 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.M.J. Quaedvlieg, mr. A.E. Kleene-Krom en mr. S. Bek, in tegenwoordigheid van mr. S. Ourahma, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 25 november 2016.