Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:5414

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-11-2016
Datum publicatie
22-12-2016
Zaaknummer
23-002627-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

uitkeringsfraude, voordeel trekken uit de opbrengst

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-002627-13

datum uitspraak: 22 november 2016

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 4 juni 2013 in de strafzaak onder de parketnummers 14-192204-12 en 96-178575-10 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedag] 1977,

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8 november 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 05 mei 2009 tot en met 30 april 2012 te De Goorn, gemeente Koggenland, in elk geval in Nederland, (telkens) (al dan niet) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van de woning gelegen op/aan de [adres 2] (te De Goorn, gemeente Koggenland) en/of de in die woning aanwezige voorzieningen, te weten gas en/of water en/of elektriciteit en/of een of meer huishoudelijke apparaten, en/of (al dan niet) opzettelijk eet- en/of drinkwaren, althans levensmiddelen, heeft genuttigd/genoten, terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat (de huur/hypotheek van die) woning en/of gas en/of water en/of elektriciteit en/of die/dat appara(a)t(en) en/of eet- en/of drinkwaren, althans levensmiddelen, geheel of gedeeltelijk werd(en) betaald van een uitkering krachtens de Wet Werk en Bijstand, welke door [medeverdachte] – met wie verdachte op bovengenoemd adres samenwoonde – door nalaten gegevens te verstrekken (artikel 227b Wetboek van Strafrecht) en/of door valsheid in geschrifte (artikel 225 Wetboek van Strafrecht), in elk geval door enig misdrijf, was verkregen, hebbende verdachte aldus (telkens) (al dan niet) opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel getrokken (terwijl hij wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 5 mei 2009 tot en met 30 april 2012 te De Goorn, gemeente Koggenland, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van de woning gelegen aan de [adres 2] en de in die woning aanwezige voorzieningen, te weten gas en/of water en/of elektriciteit en/of een of meer huishoudelijke apparaten, en opzettelijk eet- en/of drinkwaren heeft genuttigd, terwijl hij, verdachte, redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de huur van die woning en/of gas en/of water en/of elektriciteit en/of die/dat appara(a)t(en) en/of eet- en/of drinkwaren geheel of gedeeltelijk werden betaald van een uitkering krachtens de Wet Werk en Bijstand, welke door [medeverdachte] – met wie verdachte op bovengenoemd adres samenwoonde – door nalaten gegevens te verstrekken (artikel 227b Wetboek van Strafrecht) en door valsheid in geschrifte (artikel 225 Wetboek van Strafrecht) was verkregen, hebbende verdachte aldus opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel getrokken, terwijl hij redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betrof.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Bespreking van het door de raadsman van de verdachte bij pleidooi aangevoerde

Voor zover de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep heeft willen aanvoeren dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging om de reden dat het verhoor van de verdachte bij de politie heeft plaatsgevonden zonder bijstand van een tolk in de Turkse taal, behoeft dit geen bespreking nu het aangevoerde niet voldoet aan de eisen die aan een dergelijk verweer worden gesteld. De raadsman heeft slechts beperkt verweer gevoerd en heeft nagelaten duidelijk en gemotiveerd aan de hand van de in artikel 359a, tweede lid, Sv omschreven factoren – het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor zou zijn veroorzaakt in de zaak van de verdachte – aan te geven welk rechtsgevolg moet worden verbonden aan het verzuim.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

uit op de opbrengst van enig goed voordeel trekken, terwijl hij redelijkerwijs moet vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betreft.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis.

De raadsman heeft namens de verdachte tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De (ex-)partner van de verdachte, [medeverdachte], heeft het feit dat zij samenwoonde met de verdachte niet opgegeven aan de Sociale Dienst en daardoor over een lange periode een uitkering ontvangen waar zij geen of niet geheel recht op had. De verdachte had redelijkerwijs moeten vermoeden dat zijn partner misbruik maakte van het sociale zekerheidsstelsel en had zich dienen te onthouden van het profiteren van de opbrengst van het misdrijf van zijn partner. Desalniettemin heeft hij gebruik gemaakt van de door [medeverdachte] van haar uitkering betaalde voorzieningen en goederen in de woning.

Het handelen van de verdachte is niet alleen strafbaar, maar tevens uiterst laakbaar nu hij heeft meegewerkt aan het misleiden van een overheidsinstelling op een wijze die de samenleving op kosten heeft gejaagd. Op zichzelf zou een gevangenisstraf voor het bewezenverklaarde dan ook op zijn plaats zijn.

Het hof weegt evenwel mee dat de verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 24 oktober 2016 niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld en dat sinds de tenlastegelegde periode ruim vier jaren zijn verstreken. Bovendien is het netto benadelingsbedrag zoals dat op dit moment is vastgesteld (na verrekening met de uitkering waar de verdachte samen met de medeverdachte recht op bleek te hebben) aanzienlijk lager dan aanvankelijk werd vermoed en laat het zich aanzien dat dat bedrag inmiddels grotendeels is terugbetaald uit de door de verdachte en zijn medeverdachte gezamenlijk ontvangen uitkering. Het opleggen van een onvoorwaardelijke straf acht het hof onder die omstandigheden niet opportuun. Alles afwegende acht het hof een taakstraf zoals door de advocaat-generaal gevorderd, maar in geheel voorwaardelijke vorm, passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 63 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Alkmaar, locatie Hoorn van 22 februari 2012 opgelegde voorwaardelijke geldboete van € 130,-, subsidiair 2 dagen hechtenis. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Op grond van hetgeen tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken is het hof met de advocaat-generaal van oordeel dat tenuitvoerlegging thans niet opportuun is en de vordering dient te worden afgewezen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Noord-Holland van 18 oktober 2012, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Alkmaar, locatie Hoorn van 22 februari 2012, parketnummer 96-178575-10, opgelegde voorwaardelijke geldboete van € 130,-, subsidiair 2 dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.F.E. Geerlings, mr. M.L. Leenaers en mr. N.R.A. Meerbeek, in tegenwoordigheid van mr. S. Ourahma, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 22 november 2016.