Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:5336

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-12-2016
Datum publicatie
21-12-2016
Zaaknummer
14/00829
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem vastgestelde WOZ-waarde niet te hoog is. Aan belanghebbende moet een proceskostenvergoeding worden toegekend, omdat, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, de noodzaak tot het instellen van beroep niet uitsluitend voortvloeide uit de handelwijze van belanghebbende.

Wetsverwijzingen
Wet waardering onroerende zaken 22
Algemene wet bestuursrecht 8:75
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/2876
V-N 2017/11.18.4
FutD 2017-0043
NTFR 2017/123
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 14/00829

9 december 2016

uitspraak van de eerste enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[Belanghebbende] te [woonplaats] , belanghebbende,

gemachtigde: [gemachtigde]

tegen de uitspraak van 8 oktober 2014 in de zaak met kenmerk AWB 14/1102 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Zaanstad, de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking krachtens artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken met dagtekening 28 februari 2013 de waarde van de onroerende zaak [woning] (hierna: de woning) voor het jaar 2013, naar de waardepeildatum 1 januari 2012 (hierna ook: de WOZ-waarde), vastgesteld op € 214.000. In hetzelfde geschrift is ook de aanslag onroerendezaakbelastingen 2013 bekend gemaakt.

1.2.

Belanghebbende heeft op 11 april 2013 bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak gedagtekend 20 februari 2014 het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft op 9 maart 2014 beroep ingesteld. De rechtbank heeft op het beroep van belanghebbende als volgt beslist:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    verlaagt de vastgestelde waarde tot € 198.000 en stelt de aanslag onroerende-zaakbelastingen 2013 vast tot één berekend naar die waarde en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 364 en

  • -

    gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 45 vergoedt.

1.4.

Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 19 november 2014. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2016. De zaak van belanghebbende is gelijktijdig behandeld met de zaken met de kenmerken 14/00824, 14/00825, 14/00828 en 14/00830.Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

Het Hof stelt de feiten als volgt vast.

2.1.

Belanghebbende is eigenaar van de woning. Het betreft een appartement met een berging, met een inhoud van ongeveer 315 m3. Het bouwjaar is 1993.

2.2.

Belanghebbende heeft een taxatierapport, gedagtekend 23 juli 2013, overlegd waarin de waarde van de woning op 1 januari 2012 is bepaald op € 190.000. Naast gegevens van de woning bevat dit taxatierapport de gegevens van drie vergelijkingsobjecten, te weten:

  • -

    [object 1] ;

  • -

    [object 2] en

  • -

    [object 3] .

2.3.

De heffingsambtenaar heeft in de beroepsfase een taxatierapport met dagtekening 8 mei 2014 overlegd waarin de waarde van de op 1 januari 2012 woning is bepaald op € 198.000. Naast gegevens van de woning bevat dit taxatierapport de gegevens van drie vergelijkingsobjecten, te weten:

  • -

    [object 2] ;

  • -

    [object 4] en

  • -

    [object 3] .

2.4.

Tot de in eerste aanleg door belanghebbende ingediende gedingstukken behoort een afschrift van een e-mailbericht van gemachtigde aan de heffingsambtenaar van 6 februari 2014, waarin – voor zover hier relevant – het volgende is vermeld:

“Onderwerp: Bezwaar [inzake de woning]

Bijlagen: (…) instellen bezwaar verzonden aan gemeente.pdf (…)

Geachte heer/mevrouw (…),

“In navolging op uw schrijven bijgaand de reeds ingediende stukken.”

3 Geschil in hoger beroep

In geschil is de waarde van de woning op 1 januari 2012. Voorts is in geschil of belanghebbende recht heeft op vergoeding van proceskosten in beroep.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Het Hof overweegt met betrekking tot de WOZ-waarde van de woning als volgt

4.1.1.

De rechtbank heeft in haar uitspraak (waarin belanghebbende is aangeduid als eiser, de heffingsambtenaar als verweerder) het volgende overwogen:

5. Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ, wordt de waarde van een onroerende zaak bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer. Dat is de prijs die bij aanbieding ten verkoop op de voor die onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn betaald. Op verweerder rust de last aannemelijk te maken dat hij de waarde niet te hoog heeft vastgesteld.

6. Met het taxatierapport heeft verweerder aan de op hem rustende bewijslast voldaan. De rechtbank overweegt daartoe dat de vergelijkingsobjecten kort vóór of na de waardepeildatum zijn verkocht en wat type (appartement), ligging (hetzelfde appartementencomplex) en inhoud (identiek) betreft zeer goed vergelijkbaar met de woning zijn. De verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten kunnen dan ook dienen ter onderbouwing van de waarde van de woning. Rekening houdend met de verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten, zoals voorzieningen/luxe, geven die verkooprijzen naar het oordeel van de rechtbank in beginsel voldoende steun aan de door verweerder in beroep verdedigde waarde van € 198.000 (…)..

7. Het door eiser ingebrachte taxatierapport kan aan voorgaand oordeel niet afdoen. Het in dit rapport gebruikte vergelijkingsobject [object 1] acht de rechtbank, gelet op de verschillen met de woning wat betreft ligging (ander appartementencomplex), inhoud (370 m³) en bouwjaar (1982) minder bruikbaar ter onderbouwing van de waarde van de woning dan de door verweerder gebruikte vergelijkingsobjecten. De overige vergelijkingsobjecten van eiser, te weten [object 2] en [object 3] , zijn ook door verweerder bij zijn taxatie gebruikt en onderbouwen – zoals reeds hiervoor is overwogen – de door verweerder verdedigde waarde.

4.1.2.

Het Hof maakt deze overwegingen van de rechtbank tot de zijne en is evenals de rechtbank van oordeel dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem in beroep verdedigde WOZ-waarde van € 198.000 niet te hoog is. Hetgeen belanghebbende in hoger beroep heeft aangevoerd, werpt op dit punt geen nieuw of ander licht op de zaak

4.2.

Het Hof overweegt met betrekking tot het geschilpunt inzake de door belanghebbende verzochte proceskostenvergoeding voor de beroepsfase als volgt.

4.2.1.

De rechtbank heeft hieromtrent in haar uitspraak het volgende overwogen:

10. Verweerder stelt zich wat betreft de proceskosten voor het beroep op het standpunt dat voor een veroordeling dienaangaande geen reden bestaat omdat eiser dan wel de gemachtigde de beroepsprocedure had kunnen voorkomen. Verweerder voert in dat verband aan dat:

- hij op 13 september 2013 van de gemachtigde een email (met als bijlage een taxatierapport) heeft ontvangen waarin wordt verwezen naar een eerder ingediend bezwaarschrift;

- hij de gemachtigde naar aanleiding daarvan bij email van 6 december 2013 en vervolgens bij brieven van 13 en 23 december 2013 en 4 februari 2014 onder meer heeft verzocht om een kopie van dat ingediende bezwaarschrift en verzendbevestiging, aan de hand waarvan de eerdere tijdige indiening blijkt;

- hij de gemachtigde bij de brief van 4 februari 2014 nog een termijn van vijf dagen heeft verleend om de verzochte gegevens te overleggen en hij daarbij de gemachtigde heeft gewezen op de eventuele sanctie: niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar;

- hij met de gemachtigde over deze kwestie meerdere malen telefonisch contact heeft gehad;

- hij de verzochte gegevens niet voor afloop van de laatst gestelde termijn heeft ontvangen;

- hij vervolgens bij de uitspraak op bezwaar van 20 februari 2014 het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard;

- hij pas eerst (nadat tegen die uitspraak beroep was ingesteld) op 16 mei 2014 als bijlage behorende bij het door de rechtbank doorgestuurde beroepschrift van eiser de kopie van het gefaxte bezwaarschrift, de ontvangstbevestiging en een verzendspecificatie heeft ontvangen, waaruit hem is gebleken dat het bezwaar tijdig is ingediend.

11. De rechtbank is in de gegeven omstandigheden van oordeel dat de noodzaak tot het instellen van beroep uitsluitend voortvloeit uit de handelwijze van eiser, dan wel de gemachtigde (vergelijk Hoge Raad 12 mei 2006, nr. 42449, ECLI:NL:HR:2006:AX0985). Immers, had de gemachtigde de verzochte gegevens (specifiek het bezwaarschrift en de verzendbevestiging van de fax) binnen de laatst gestelde termijn overgelegd dan was de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar achterwege gebleven. De stelling dat de verzochte gegevens als bijlage waren bijgevoegd bij de aan verweerder op 6 februari 2014 verzonden email, heeft de gemachtigde, tegenover de betwisting van verweerder, niet aannemelijk gemaakt. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen reden verweerder te veroordelen in de proceskosten voor het beroep.

4.2.2.

Belanghebbende stelt dat het te wijten is aan de handelwijze van de heffingsambtenaar dat de noodzaak bestond om beroep in te stellen. Het bewaarschrift is tijdig per fax ingediend, via het algemene faxnummer van de gemeente, dat daarvoor destijds gebruikt kon worden. Het dient volgens belanghebbende voor rekening van de heffingsambtenaar te komen dat het bezwaarschrift vervolgens blijkbaar bij de gemeente is zoekgeraakt. Bovendien heeft gemachtigde op de herhaalde verzoeken van de heffingsambtenaar om een kopie van het ingediende bezwaarschrift eerst telefonisch en vervolgens per e-mail gereageerd. Gemachtigde heeft ter zitting in hoger beroep verklaard een PDF-bestand van het bezwaarschrift, de verzendbevestiging en een machtiging als bijlage bij het onder 2.4 vermelde e-mailbericht van 6 februari 2014, dus voordat uitspraak op bezwaar is gedaan, aan de heffingsambtenaar te hebben verzonden, zodat volgens gemachtigde ook om die reden de noodzaak tot het instellen van beroep is te wijten aan de handelwijze van de heffingsambtenaar.

4.2.3.

De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat de rechtbank terecht heeft beslist dat voor een veroordeling in de proceskosten in beroep geen aanleiding bestaat, omdat belanghebbende dan wel gemachtigde de beroepsprocedure had kunnen voorkomen. Ondanks verzoeken aan gemachtigde om het bezwaarschrift te overleggen, hebben de betreffende stukken de heffingsambtenaar pas in de beroepsfase bereikt. Hierdoor was eerder niet gebleken dat het bezwaarschrift tijdig was ingediend en werd het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Als gemachtigde in de bezwaarfase het bewijs had geleverd van de tijdige indiening van het bezwaar, had hij reeds in de bezwaarfase de grieven van belanghebbende tegen de vastgestelde WOZ-waarde inhoudelijk beoordeeld en was hij reeds bij de uitspraak op bezwaar overgegaan tot vermindering van de vastgestelde WOZ-waarde tot € 198.000, zo stelt de heffingsambtenaar.

4.2.4.

De heffingsambtenaar heeft ter zitting bevestigd dat het bezwaarschrift door gemachtigde tijdig per fax is verstuurd naar het algemene faxnummer van de gemeente Zaanstad, dat dit algemene nummer destijds voor het indienen van dergelijke bezwaarschriften gebruikt kon worden, en dat het bezwaarschrift tijdig is ontvangen. Dit is als zodanig niet meer in geschil. Voorts heeft de heffingsambtenaar verklaard dat het gebruikelijk is dat faxberichten die via het algemene faxnummer binnenkomen, doorgestuurd worden naar de afdeling waaraan het bericht is gericht. De heffingsambtenaar stelt dat het betreffende faxbericht hem echter nooit heeft bereikt en dat hij niet heeft onderzocht of het faxbericht intern is doorgestuurd naar de juiste afdeling. Daarnaast heeft de heffingsambtenaar verklaard niet op de hoogte te zijn van de inhoud van de bijlagen van de onder 2.4 vermelde e-mail van gemachtigde van 6 februari 2014.

4.2.5.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 12 mei 2006, nr. 42.449, ECLI:NL: HR:2006:AX0985, BNB 2006/270, in rechtsoverweging 3.2 het volgende overwogen:

“Vooropgesteld moet worden dat wanneer een belanghebbende geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, als regel de door hem in beroep gemaakte kosten voor vergoeding op de voet van artikel 8:75 Awb in aanmerking komen. Van deze regel mag worden afgeweken indien de noodzaak tot het instellen van beroep uitsluitend voortvloeide uit de handelwijze van de belanghebbende. De enkele omstandigheid dat de noodzaak tot het instellen van beroep mede voortvloeide uit de handelwijze van de belanghebbende, is derhalve niet voldoende.”

4.2.6.

Gelet op hetgeen onder 4.2.4 is overwogen, is het Hof van oordeel dat de noodzaak tot het instellen van beroep niet uitsluitend voortvloeide uit de handelwijze van belanghebbende. Vaststaat immers dat het bezwaar tijdig is ingediend, via een faxnummer dat daarvoor gebruikt kon worden. De omstandigheid dat het bezwaarschrift vervolgens kennelijk bij de gemeente intern in het ongerede is geraakt, dient in dit verband aan de heffingsambtenaar te worden toegerekend; reeds hierdoor dient de conclusie te luiden dat de noodzaak tot het instellen van beroep niet uitsluitend voortvloeide uit de handelwijze van belanghebbende. Dit nog daargelaten hetgeen partijen over en weer hebben verklaard omtrent (de bijlagen bij) het e-mailbericht van 6 februari 2014. Bovendien is belanghebbende in beroep op inhoudelijke gronden gedeeltelijk in het gelijk gesteld. Het Hof is daarom van oordeel dat de rechtbank de heffingsambtenaar ten onrechte niet heeft veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende in beroep.

4.3.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd, doch uitsluitend voor zover het de beslissing betreft tot het niet veroordelen van de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende in beroep.

5 Kosten

5.1.

Gelet op het hiervoor overwogene acht het Hof termen aanwezig voor een veroordeling van de heffingsambtenaar in de proceskosten in beroep en hoger beroep van belanghebbende op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn opgenomen in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit).

5.2.

Voor het onderhavige geval zijn dat de in onderdeel a vermelde kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit stelt het Hof het bedrag van deze kosten overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief op: 4 (proceshandelingen: opstellen beroepschrift in eerste aanleg en hoger beroep, verschijnen ter zitting in eerste aanleg en hoger beroep) x € 496 x 1 (wegingsfactor) x 1,5 (vermenigvuldigingsfactor voor 4 samenhangende zaken) = € 2.976.

5.3.

De onderhavige zaak wordt door het Hof aangemerkt als samenhangende zaak in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Besluit met de zaken die zijn geregistreerd onder kenmerknummers 14/00824, 14/00828 en 14/00830. De desbetreffende zaken zijn in beroep en hoger beroep gelijktijdig behandeld, terwijl de beroepsmatige rechtsbijstand is verleend door dezelfde gemachtigde en de werkzaamheden van deze gemachtigde – ook wat betreft het materiële geschilpunt of de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld – in elk van deze zaken nagenoeg identiek konden zijn. Hierbij neemt het Hof in aanmerking dat deze zaken betrekking hebben op de vastgestelde WOZ-waarde, naar dezelfde waardepeildatum, van vier appartementen welke alle zijn gelegen in hetzelfde appartementencomplex en waarvan de onderlinge verschillen verwaarloosbaar zijn, en dat zowel de gemachtigde als de heffingsambtenaar zich bij de onderbouwing van hun standpunten in elk van deze zaken hebben beroepen op dezelfde gegevens (van drie vergelijkingsobjecten).

5.4.

Naar het oordeel van het Hof dienen de hiervoor genoemde zaken eveneens te worden aangemerkt als samenhangende zaken indien zij worden beoordeeld naar de tekst van artikel 3, tweede lid, van het Besluit zoals deze tot 1 januari 2015 heeft gegolden, aangezien sprake is van nagenoeg identieke besluiten waartegen (nagenoeg) gelijktijdig en op vergelijkbare gronden beroep is ingesteld, terwijl (zoals hiervoor onder 5.3 is overwogen) de werkzaamheden van de gemachtigde nagenoeg identiek konden zijn. Er bestaat dan ook geen aanleiding om – voor de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase – het overgangsrecht van artikel II (tweede volzin) van het Besluit van 27 oktober 2014, Stb. 411, op grond van het rechtszekerheidsbeginsel buiten toepassing te laten (vgl. HR 18 maart 2016, nr.15/03065, ECLI:NL:HR:2016:420, BNB 2016/122, r.o. 3.5.1.).

5.5.

Gelet op de hiervoor genoemde samenhang zal in elk van de genoemde zaken een bedrag van 1/4 x € 2.976 = € 744 als proceskostenvergoeding worden toegewezen.

6 Beslissing

Het Hof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de rechtbank, doch uitsluitend wat betreft de beslissing tot het niet toekennen van een vergoeding van proceskosten in beroep;

  • -

    veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende in beroep en hoger beroep tot een bedrag van € 744;

  • -

    gelast de heffingsambtenaar aan belanghebbende het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 122 te vergoeden.

De uitspraak is gedaan door mr. H.E. Kostense, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Soree als griffier. De beslissing is op 9 december 2016 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.