Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:533

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-02-2016
Datum publicatie
25-02-2016
Zaaknummer
23-000100-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

tweemaal bezit vervalst reisdocument; redelijkerwijs moeten vermoeden en verwerping avas

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-000100-14

datum uitspraak: 16 februari 2016

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 8 januari 2014 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13/101664-12 en 13/214479-12 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Irak) op [geboortedag 1] 1974,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 2 februari 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlasteleggingen

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zaak met parketnummer 13/101664-12
zij op of omstreeks 6 januari 2011 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in het bezit was van een reisdocument, te weten een Iraaks Paspoort, waarvan zij en/of haar mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat het reisdocument vals of vervalst was, bestaande de valsheid of vervalsing hieruit dat substraat van de houderpagina afwijkt en/of de ondergrondbedrukking is geprint in plaats van gedrukt en/of de controle van checksom in de machineleesbare strook een foutief controlegetal oplevert.

zaak met parketnummer 13/214479-12

hij op of omstreeks 11 oktober 2012 te Amsterdam in het bezit was van een reisdocument, te weten een paspoort (van de republiek Irak en/of voorzien van het documentnummer [nummer] en/of ten name gesteld van [naam], geboren op [geboortedag 2] 2010, te Zweden), waarvan hij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het reisdocument vals of vervalst was, bestaande de valsheid of vervalsing hieruit dat dat paspoort onder aanstraling met UV licht een afwijkende en/of onjuiste reactie veroonde en/of dat dat paspoort was gemaakt/samegesteld met afwijkende druk/reproductie technieken en/of dat de machine leesbare strook van dat paspoort was voorzien afwijkende type cijfers.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat de inhoud van de bewijsmiddelen niet in het proces-verbaal van de politierechter is weergegeven.

Bewijsoverwegingen en bewezenverklaring

De raadsman heeft betoogd dat de Iraakse ambassade de verdachte heeft geadviseerd iemand in Irak een volmacht te geven om aldaar een paspoort voor zijn dochter aan te vragen, nu dit aanmerkelijk sneller zou gaan dan via de ambassade. De verdachte heeft enkel deze raad opgevolgd en heeft niet hoeven te vermoeden dat hem door de door hem ingeschakelde kennis tot tweemaal toe een vervalst paspoort werd toegestuurd. Dat is niet anders doordat de verdachte in dit verband een aanzienlijk bedrag aan die kennis heeft betaald; het aanvragen van een paspoort in Irak is duur, een deel van bedoeld bedrag bestaat uit (reis)kosten van die kennis en vanwege de corruptheid van het systeem in Irak moet voor het binnen een redelijke termijn verkrijgen van een paspoort een bedrag ‘onder de tafel’ worden gegeven.

Voor zover de raadsman met dit verweer heeft willen betogen dat de verdachte niet redelijkerwijs moest vermoeden dat hij de beschikking had over een vervalst paspoort verwerpt het hof het verweer. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Allereerst merkt het hof op dat de stelling van de verdachte dat hem door de Iraakse ambassade is geadviseerd genoemde weg te bewandelen, geen steun vindt in het dossier. Voorts heeft als uitgangspunt te gelden dat een paspoort door de (ouders van) de toekomstige houder zelf bij de bevoegde autoriteiten dient te worden aangevraagd en afgehaald. Door desalniettemin daarvoor een kennis in te schakelen, zonder later expliciet bij bijvoorbeeld de Iraakse ambassade het paspoort op echtheid te laten controleren, heeft de verdachte minst genomen redelijkerwijs moeten vermoeden dat het paspoort was vervalst. Dit geldt in nog sterkere mate ten aanzien van het tweede door de verdachte aangevraagde paspoort: hoewel hem op 6 januari 2011 te kennen was gegeven dat hij over een vervalst paspoort van zijn dochter beschikte, heeft hij daarna op dezelfde, hiervoor beschreven, wijze nogmaals een paspoort voor zijn dochter aangevraagd.

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer

13/101664-12 en in de zaak met parketnummer 13/214479-12 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zaak met parketnummer 13/101664-12
hij op 6 januari 2011 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander in het bezit was van een reisdocument, te weten een Iraaks paspoort, waarvan hij en zijn mededader redelijkerwijs moesten vermoeden dat het reisdocument vervalst was, bestaande de vervalsing hieruit dat het substraat van de houderpagina afwijkt en de ondergrondbedrukking is geprint in plaats van gedrukt en de controle van de checksom in de machineleesbare strook een foutief controlegetal oplevert.

zaak met parketnummer 13/214479-12

hij op 11 oktober 2012 te Amsterdam in het bezit was van een reisdocument, te weten een paspoort van de republiek Irak en voorzien van het documentnummer [nummer] en ten name gesteld van [naam], geboren op [geboortedag 2] 2010, te Zweden, waarvan hij redelijkerwijs moest vermoeden dat het reisdocument vervalst was, bestaande de vervalsing hieruit dat dat paspoort onder aanstraling met UV licht een afwijkende en onjuiste reactie vertoonde en dat dat paspoort was gemaakt met afwijkende druk/reproductie technieken en dat de machineleesbare strook van dat paspoort was voorzien van afwijkende type cijfers.

Hetgeen in de zaak met parketnummer 13/101664-12 en in de zaak met parketnummer 13/214479-12 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het in de zaak met parketnummer 13/101664-12 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van in het bezit zijn van een reisdocument waarvan hij redelijkerwijs moet vermoeden, dat het vervalst is.

Het in de zaak met parketnummer 13/214479-12 bewezen verklaarde levert op:

in het bezit zijn van een reisdocument waarvan hij redelijkerwijs moet vermoeden, dat het vervalst is.

Strafbaarheid van de verdachte

Voor zover de raadsman met het onder ‘Bewijsoverwegingen en bewezenverklaring’ besproken verweer voorts heeft willen betogen dat de verdachte geen verwijt kan worden gemaakt, verwerpt het hof ook dit verweer en overweegt daartoe dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte heeft gedaan wat van hem in redelijkheid verwacht had mogen worden om via de officiële procedures aan een geldig paspoort voor zijn dochter te komen.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg in de zaken met parketnummer 13/101664-12 en 13/214479-12 bewezen verklaarde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken met een proeftijd van twee jaar.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis en een gevangenisstraf voor de duur van twee weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte is tweemaal in het bezit geweest van een vervalst paspoort op naam van zijn dochter waarmee hij zich bij officiële instanties heeft gemeld om dit kind in te schrijven. Met zijn handelen heeft de verdachte het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer in de juistheid van officiële documenten moet kunnen worden gesteld, ernstig geschonden. Het hof rekent het de verdachte in het bijzonder aan dat hij, na in 2011 te hebben vernomen dat het door hem via een kennis in Irak aangevraagde paspoort vervalst was, in 2012 wederom op dezelfde wijze via diezelfde kennis in Irak een paspoort heeft aangevraagd. In dit laatste vindt het hof tevens aanleiding geen toepassing te geven aan het zogenoemde rechterlijk pardon als geregeld in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

Anderzijds heeft het hof rekening gehouden met de omstandigheid dat de verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 22 januari 2016 niet eerder strafrechtelijk onherroepelijk is veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 57 en 231 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer

13/101664-12 en in de zaak met parketnummer 13/214479-12 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.F.J.M. de Werd, mr. H.M.J. Quaedvlieg en mr. L.C. Winkel, in tegenwoordigheid van

J.K. Krijnen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

16 februari 2016.

mr. H.M.J. Quaedvlieg is buiten staat dit arrest te ondertekenen

[.......]

.