Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:531

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-02-2016
Datum publicatie
26-02-2016
Zaaknummer
200.172.375/01 OK
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

OK; Enquête; onmiddellijke voorzieningen getroffen in de tweede fase; bevel tot rectificatie; verbod om de vennootschap te vertegenwoordigen; art. 2:355 lid 3 jo 349a lid 2 BW.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2 349a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/561
ARO 2016/65
JONDR 2016/652
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

___________________________________________________________________

GERECHTSHOF AMSTERDAM

ONDERNEMINGSKAMER

zaaknummer: 200.172.375/01 OK

beschikking van de Ondernemingskamer van 17 februari 2016

inzake:

[A] ,

wonende te [....] ,

VERZOEKER,

advocaten: voorheen mrs. F.M. Peters en M.D. Hazenberg, kantoorhoudende te Amsterdam, thans mr. J.A. Zee, kantoorhoudende te Amsterdam,

t e g e n

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LEADERLAND TTM B.V.,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LEADERLAND TTM I B.V.,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LEADERLAND TTM II B.V.,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LEADERLAND TTM III B.V.,

allen gevestigd te Hilversum,

VERWEERSTERS,

niet verschenen,

e n t e g e n

1 [B] ,

wonend te [....] ,

BELANGHEBBENDE,

advocaat: mr. C.J. Jager, kantoorhoudende te Amsterdam,


e n t e g e n

2 [C] ,

wonende te [....] ,

BELANGHEBBENDE,

advocaten: mrs. J.A. Meijer en K. ter Hart, kantoorhoudende te Den Haag,

e n t e g e n

3 [D] ,

wonende te [....] ,

BELANGHEBBENDE,

advocaten: (tot 20 november 2015) mrs. I.S. Oosterhoff en R.J.T. Kamstra, kantoorhoudende te Amsterdam.

1 Het verloop van het geding

1.1

Partijen zullen hierna als volgt worden aangeduid:

  • -

    verzoeker als [A] ;

  • -

    verweersters 1 tot en met 4 ieder afzonderlijk als respectievelijk Leaderland TTM, Leaderland I, Leaderland II en Leaderland III en gezamenlijk als Leaderland c.s.;

  • -

    belanghebbende 1 als [B] ;

  • -

    belanghebbende 2 als [C] ;

  • -

    belanghebbende 3 als [D] .

1.2

Voor het eerdere verloop van het geding verwijst de Ondernemingskamer naar haar beschikkingen van 18 maart 2014, 11 juli 2014, 24 juli 2014, 5 december 2014, 15 december 2014, 3 februari 2015, 28 april 2015, 29 mei 2015, 5 juni 2015, 22 juli 2015, 5 oktober 2015 en 26 oktober 2015, alsmede naar de beschikkingen van de voorzitter van de Ondernemingskamer van 29 mei 2015, 15 juni 2015 en 26 oktober 2015, alsmede naar de beschikkingen van de raadsheer-commissaris van 14 januari 2015 en 25 maart 2015 (alle met zaaknummer 200.137.535 OK).

1.3

Bij de beschikking van 18 maart 2014 heeft de Ondernemingskamer onder andere en voor zover hier van belang:

- een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van Leaderland c.s. over de periode vanaf 1 oktober 2012;

- mr. F.D. Stibbe en drs. N. van der Noll benoemd tot onderzoekers;

- bij wijze van onmiddellijke voorziening en vooralsnog voor de duur van het geding [D] geschorst als bestuurder van Leaderland c.s.;

- bij wijze van onmiddellijke voorziening en vooralsnog voor de duur van het geding drs. B. van Haaren (hierna: Van Haaren) benoemd tot bestuurder van Leaderland c.s. en bepaald dat deze bestuurder zelfstandig bevoegd is Leaderland c.s. te vertegenwoordigen;

- bepaald, vooralsnog voor de duur van het geding, dat de aandelen die [B] , [C] en [A] houden in Leaderland c.s. met ingang van 18 maart 2014 ten titel van beheer zijn overgedragen aan mr. E. Hammerstein (hierna: Hammerstein).

1.4

Bij de beschikking van 11 juli 2014 heeft de Ondernemingskamer - voor zover hier van belang - op verzoek van Leaderland c.s. [B] bevolen om binnen een week na betekening van de beschikking de volledige administratie (als bedoeld in art. 2:10 BW) van Leaderland c.s. vanaf 1 januari 2012 te doen toekomen aan Van Haaren op een door Van Haaren te bepalen wijze en plaats op straffe van een dwangsom van € 10.000 per dag met een maximum van € 10.000.000.

1.5

Bij de beschikking van 15 december 2014 heeft de Ondernemingskamer Van Haaren op eigen verzoek ontheven uit de functie van bestuurder en Hammerstein aangewezen als bestuurder van Leaderland c.s.

1.6

Bij de beschikking van 3 februari 2015 heeft de Ondernemingskamer Hammerstein op eigen verzoek ontheven uit zijn functie van bestuurder en mr. W.G. van Hassel (hierna: Van Hassel) aangewezen als bestuurder van Leaderland c.s. In deze beschikking heeft de Ondernemingskamer voorts bepaald dat de aanwijzing van de bestuurder van kracht wordt vanaf het tijdstip dat naar het oordeel van Van Hassel voldoende financiële zekerheid voor zijn salaris en kosten is gesteld, het een en ander zoals overwogen in rechtsoverweging 2.2 van die beschikking. Bij e-mailbericht van 11 februari 2015 heeft Van Hassel bericht dat een bedrag van € 36.300 op zijn bankrekening is bijgeschreven en dat zijn benoeming tot bestuurder op 11 februari 2015 is ingegaan.

1.7

Het verslag van het door de onderzoekers verrichte onderzoek met bijlagen (hierna: het onderzoeksverslag) is op 28 april 2015 ter griffie van de Ondernemingskamer neergelegd. Bij de op die dag gegeven beschikking heeft de Ondernemingskamer onder andere bepaald dat het onderzoeksverslag ter griffie van de Ondernemingskamer ter inzage ligt voor belanghebbenden.

1.8

Bij de beschikking van 5 juni 2015 heeft de Ondernemingskamer Van Hassel op eigen verzoek - nu naar zijn mening het werk als bestuurder hem onmogelijk werd gemaakt - uit de functie van bestuurder van Leaderland c.s. ontheven.

1.9

Bij de beschikking van 22 juli 2015 heeft de Ondernemingskamer mr. J.C. Jaakke (hierna: Jaakke) aangewezen als bestuurder van Leaderland c.s. en - mede gelet op hetgeen is overwogen in de beschikking van 5 juni 2015 - partijen verboden om ongevraagd met de tijdelijke bestuurder contact op te nemen, tenzij door tussenkomst van hun advocaat, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000 per overtreding met een maximum van € 1.000.000.

1.10

Bij verzoekschrift (met producties), ingekomen ter griffie van de Ondernemingskamer op 26 juni 2015, heeft [A] de Ondernemingskamer verzocht om bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te verstaan dat is gebleken van wanbeleid bij Leaderland c.s., dat [B] , [C] en [D] daarvoor verantwoordelijk zijn, en in dat verzoekschrift nader weergegeven voorzieningen te treffen.

1.11

[C] , [B] en [D] hebben daarop verweerschriften ingediend en de Ondernemingskamer daarin tevens verzocht tot het instellen van nader onderzoek.

1.12

De verzoeken zijn behandeld ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 19 november 2015. Bij die gelegenheid hebben de (toenmalige) advocaten de standpunten van partijen toegelicht. Van de onder 1.1 genoemde natuurlijke personen is alleen [A] in persoon ter terechtzitting aanwezig geweest.

1.13

Ter gelegenheid van die terechtzitting heeft mr. Peters namens [A] zijn verzoek aangevuld aldus dat hij de Ondernemingskamer voorts heeft verzocht om [B] en [C] bij wijze van onmiddellijke voorziening voor de duur van het geding:

  1. te verbieden Leaderland c.s. op enigerlei wijze in rechte te (doen) vertegenwoordigen en te pretenderen dat Jaakke of enig opvolgend door de Ondernemingskamer aan te wijzen bestuurder niet exclusief bevoegd zou zijn namens Leaderland c.s. op te treden;

  2. te bevelen om “de Russische rechtbanken in eerste aanleg en in alle appelinstanties” te berichten als nader omschreven in de pleitnotities van mr. Peters;

  3. een en ander onder verbeurte van een hoofdelijke dwangsom van € 500.000 ineens en € 25.000 voor elke dag of dagdeel dat aan de veroordeling niet of niet volledig uitvoering wordt gegeven.

1.14

Ter terechtzitting heeft Jaakke namens Leaderland c.s. het verzoek van [A] ondersteund en verzocht [B] te verbieden gebruik te maken van volmachten en overeenkomsten op grond waarvan [B] Leaderland c.s. zou mogen vertegenwoordigen.

1.15

De advocaten van de overige partijen hebben ter terechtzitting verweer gevoerd tegen deze aanvullende verzoeken.

1.16

Bij brief van 19 november 2015 hebben mrs. Oosterhoff en Kamstra zich onttrokken als advocaten van [D] .

1.17

Op verzoek van partijen is een beslissing in deze zaak voor twee weken aangehouden. Bij e-mail van 2 december 2015 heeft Jaakke verzocht om deze zaak nogmaals twee weken aan te houden. Bij e-mail van 2 december 2015 heeft mr. Peters namens [A] verzocht om spoedig uitspraak te doen.

1.18

Bij brief van 17 december 2015 heeft mr. Peters laten weten niet langer op te treden voor [A] . Bij brief van 21 december 2015 heeft mr. Zee zich gesteld voor [A] en meegedeeld dat hij mrs. Peters en Hazenberg in deze zaak is opgevolgd als advocaat van [A] . Voorts heeft mr. Zee bij die brief meegedeeld dat tussen partijen op initiatief van Jaakke gesprekken plaatsvinden, en de Ondernemingskamer verzocht zo spoedig mogelijk uitspraak te doen om de reden dat “ vreest dat door [B] c.s. misbruik zal worden gemaakt van het tijdsverloop”.

1.19

De Ondernemingskamer zal thans uitsluitend beslissen op de in 1.13 en 1.14 weergegeven verzoeken.

2 De feiten

2.1

Voor zover hier van belang gaat de Ondernemingskamer uit van de volgende, deels in eerdere beschikkingen opgesomde, feiten.

2.2

[D] was tot zijn schorsing door de Ondernemingskamer bij de beschikking van 18 maart 2014 enig bestuurder van Leaderland c.s.

2.3

Op of omstreeks 31 mei 2013 heeft Leaderland TTM haar belang in OOO Soyuz Corporation (hierna: Soyuz Corporation) voor ongeveer een bedrag van € 268.000 overgedragen aan SC Investment Group BVBA. De aandelen in deze vennootschap worden voor 75% gehouden door [B] en voor 25% door [C] .

2.4

Bij overeenkomst van 31 juli 2013 heeft Leaderland TTM de aandelen in OOO Soyuz TTM (hierna: Soyuz TTM) overgedragen aan Soyuz Corporation voor een bedrag van ongeveer
RUB 299 miljoen (omgerekend circa € 6.800.000).

2.5

Tussen [A] enerzijds en Soyuz Corporation en Leaderland c.s. anderzijds is in Rusland een gerechtelijke procedure aanhangig over de hiervoor vermelde verkoop van de aandelen in Soyuz TTM.

2.6

Bij uitspraak van 10 augustus 2015 heeft de “dertiende arbitragerechtbank van beroep” te Sint Petersburg in de met nummer A21-9225/2013 aangeduide zaak (hierna: de appelprocedure) de verkoop van aandelen in Soyuz TTM door Leaderland c.s. aan Soyuz Corporation ongeldig verklaard en teruglevering van de aandelen in Soyuz TTM bevolen.

2.7

[E] (hierna: [E] ) heeft op 14 augustus 2015 in naam van Leaderland I, Leaderland II en Leaderland III bij het “Arbitragehof van het Noordwest arrondissement” te Sint Petersburg cassatieberoep ingesteld tegen de uitspraak van 10 augustus 2015.

2.8

[B] heeft op 7 oktober 2015 in naam van Leaderland TTM bij het “Arbitragehof van het Noordwest arrondissement” te Sint Petersburg cassatieberoep ingesteld tegen de uitspraak van 10 augustus 2015 (hierna tezamen met de onder 2.7 genoemde procedure: de cassatieprocedure).

2.9

In een e-mail van 15 oktober 2015 heeft Jaakke aan de advocaten van partijen onder meer het volgende meegedeeld:

Mij is gebleken dat de heer [B] in Rusland namens Leaderland hoger beroep heeft aangetekend tegen het vonnis van 10 augustus jl. De heer [B] heeft daarbij gebruik gemaakt van een bedrieglijke volmacht in die zin dat hij zich heeft voorgedaan als voorzitter van een aandeelhoudersvergadering van Leaderland die op 3 juli jl is gehouden. Vervolgens is mij gebleken dat de heer [B] vorige week wederom namens Leaderland beroep in dezelfde zaak heeft ingesteld maar nu op basis van een vermeende (overeenkomst) gedateerd 1 februari 2013 tussen Leaderland en hem.

Gelet hierop en het feit dat betrokken raadslieden niet of onvoldoende afstand nemen van dit soort praktijken zal ik op dit moment geen energie meer steken in een regeling in der minne.

Om u aan te geven van welke andere praktijken sommigen in deze zaak zich bedienen gaat hierbij een deel van de email die ik onlangs van onze advocaten in Rusland heb ontvangen:

‘Please note that on 30 September 2015 my colleague ( ) was approached by a certain person, named Mr. Vorontcov, who said to be an agent from Federal Security Service (“FSB” in Russian) and asked him for cooperation in relation to (Jaakke). Mr. Vorontcov asked Sergei Karpushkin [zijnde één van bedoelde advocaten, toev. OK] to send you (Jaakke) the following letter, which Mr. Vorontcov typed on the paper in advance and gave to him:

“Currently I have clarified that the Russian Investigative Committee conducts pre-investigation check in respect Leaderland companies. On the basis of this pre-investigation check the Russian Investigative Committee will initiate a criminal proceeding related to a grave offence, since a large amount of falsified and fabricated documents has been found. Taking the above into consideration I must confess that I have negative attitude towards any kind of fraud and I hereby refuse to continue representation of (Leaderland c.s.)”.’

Vriendelijke groet, (Jaakke)

2.10

De - Engelse vertaling - van (een van) de volmacht(en) die wordt vermeld in de hiervoor weergegeven e-mail van Jaakke luidt als volgt:

POWER OF ATTORNEY

The Third of July the year Two Thousand and Fifteen

The city of Hilversum, The Netherlands

Leaderland TTM III B.V. (…) represented by Chairman of the General Shareholders Assembly (…) [B] (…), approved by the decision of the General Shareholders Meeting recorded in the minutes d/d the 3rd of July, 2015, hereby authorizes:

[F] (…),

( [E] ) (…),

jointly or each separately represent the Company’s interests and act on behalf of Leaderland TTM III B.V. in the Arbitration Court of Kaliningrad Region, as well as in the Thirteenth Arbitration Court of Appeal, the Federal Court of Arbitration of the Northwest District, the Supreme Court of the Russian Federation, with all the rights granted by law (…) including the rights (…) to make an appeal to higher courts (…).

This Power of Attorney is valid for a term of 1 (one) year (…)

2.11

De Nederlandse vertaling van de overeenkomst van 1 september 2013 tussen Leaderland TTM en [B] , die wordt bedoeld in de hiervoor weergegeven e-mail van Jaakke (waarin kennelijk bij vergissing 1 februari 2013 als datum van de overeenkomst is vermeld), luidt onder meer als volgt:

‘SOYUZ CORPORATION’

OFFICIËLE LEVERANCIER VAN HET KREMLIN VAN MOSKOU

OVEREENKOMST

over commerciële en juridische vertegenwoordiging en tot de verlening van juridische hulp

(…)

(Leaderland), zijnde een deelnemer van de Vereniging van commerciële organisaties Soyuz Corporation (…), verder ‘Vertegenwoordigde’ genoemd, vertegenwoordigd door ( [D] ) (…), en (…) ( [B] ), zijnde President van (…) Soyuz Corporation (…), verder ‘Vertegenwoordiger’ genoemd, (…) sloten deze overeenkomst (…) omtrent het volgende af:

(…)

2.4

Vertegenwoordigde verleent aan Vertegenwoordiger ten doel van het verlenen aan haar van juridische hulp op het grondgebied van de Russische Federatie bevoegdheid om haar belangen te beschermen in alle kwesties waarbij de belangen van Vertegenwoordigde zijn betrokken, (…). Er zijn geen speciale aanwijzingen van Vertegenwoordigde nodig om haar juridische hulp te verlenen. Vertegenwoordiger zal, terwijl hij bij het verlenen van juridische hulp redelijk en voorzichtig voor bescherming van belangen van Vertegenwoordigde zowel voor belangen van alle leden van de Corporatie handelt, zelfstandig handelen en naar zijn discretie het nodige volume van juridische hulp, kwesties en gevallen te bepalen waarin zulke juridische hulp nodig zal zijn. (…)

2.12

Op grond van voormelde overeenkomst van 1 september 2013 heeft [B] namens Soyuz Corporation in een brief van 9 november 2015 aan “Borenius Attorneys” (hierna: Borenius) te Sint Petersburg getiteld “NOTIFICATION ON REVOCATION OF POWERS OF ATTORNEY” de eerder door Jaakke aan advocaten van Borenius verstrekte volmacht van procesvertegenwoordiging voor Leaderland c.s. herroepen. De brief sluit af met:

Considering the above, you have no legal grounds to represent interests of (…) (Leaderland c.s.).

At the same time we inform you that because of fact of illegal occupation of property owned by Soyuz Corporation and submission fabricated documents to the court proceedings #A21-9225/2013 criminal proceedings was initiated under art. 159 part 4 of the Criminal Code of the Russian Federation.

Demand you not to assist those who intend to occupy assets of Soyuz Corporation LLC.

2.13

In de in 2.8 hiervoor genoemde cassatieprocedure heeft op 11 november 2015 een zitting plaatsgevonden. De door [B] en [E] ingediende cassatieberoepschriften zijn door het Arbitragehof aanvaard. Er is reeds uitspraak gedaan, waarvan voor partijen ten tijde van de mondelinge behandeling van het onderhavige verzoek slechts het dictum kenbaar is.

3 De gronden van de beslissing

3.1

[A] heeft aan het in 1.13 weergegeven verzoek het volgende ten grondslag gelegd. [B] was, gelet op de eerder door de Ondernemingskamer getroffen onmiddellijke voorzieningen, niet bevoegd een aandeelhoudersvergadering van Leaderland c.s. te beleggen. De aandeelhoudersbesluiten zijn ongeldig en [E] en [F] (hierna: [F] ) konden Leaderland c.s. dan ook niet vertegenwoordigen bij het instellen van het cassatieberoep en verdere proceshandelingen in de gerechtelijke procedure in Rusland. [A] heeft bij het openbaar ministerie in Nederland aangifte gedaan van deze gang van zaken.

3.2

Jaakke heeft het volgende gesteld. Na kennisneming van de door [B] aan [F] en [E] verstrekte volmachten - kort voor 15 oktober 2015, zie 2.9 hiervoor - heeft Jaakke bij de raadslieden van [B] om opheldering gevraagd. Zij hebben Jaakke bericht deze volmacht niet te kennen. [B] heeft hen daarover, naar hun zeggen, niet geïnformeerd, maar vervolgens hebben zij aan Jaakke bericht dat er een overeenkomst bestaat tussen Leaderland en Soyuz van 1 september 2013. Op grond van deze overeenkomst betwist Soyuz (lees: [B] ) het recht van Leaderland om in Rusland te procederen, aldus Jaakke. Jaakke meent dat [B] zich heeft bediend van valse volmachten en van een valselijk opgemaakte overeenkomst gedateerd 1 september 2013.

3.3

Tegen de verzoeken is ter terechtzitting als volgt verweer gevoerd. Mr. Jager heeft meegedeeld dat hij onbekend is met de gestelde gebeurtenissen in Rusland, dat hij [B] wel om opheldering heeft gevraagd met betrekking tot de volmachten en het instellen van cassatie, maar dat [B] zich onthoudt van enig commentaar onder verwijzing naar het lopende strafrechtelijk onderzoek. Mr. Jager heeft voorts meegedeeld dat de gevraagde onmiddellijke voorzieningen hem overvallen en heeft namens [B] verzocht deze af te wijzen. Namens [D] heeft mr. Oosterhoff betoogd dat deze verzoeken in strijd zijn met een goede procesorde en verzocht om deze verzoeken op een nader te bepalen terechtzitting te behandelen. Mr. Meijer heeft namens [C] opgemerkt dat partijen zich te houden hebben aan rechterlijke uitspraken. De hier aan de orde zijnde verzoeken zijn gebaseerd op verwijten aan [B] , niet aan [C] . Desgevraagd heeft mr. Meijer nog geantwoord dat van de zijde van [C] niet bij [B] om opheldering is gevraagd na kennisneming van de volmachten. Tot slot heeft mr. Meijer zich aangesloten bij het verweer van mr. Oosterhoff dat deze verzoeken in strijd zijn met een goede procesorde.

3.4

De Ondernemingskamer overweegt als volgt.

3.5

Reeds bij gebrek aan een begin van een (inhoudelijk) verweer - [B] onthoudt zich van enig commentaar - moet de gedocumenteerde beschrijving door Jaakke van de gang van zaken ten aanzien van de verlening en het gebruik van volmachten en van de gestelde overeenkomst van 1 september 2013, het instellen van cassatieberoep en de verdere proceshandelingen rondom de desbetreffende gerechtelijke procedure in Rusland vooralsnog voor juist worden gehouden. Wat Jaakke daaromtrent heeft aangevoerd, vindt grotendeels ook bevestiging in overgelegde producties. Aangenomen moet dus worden dat [B] zich, in strijd met de eerder door de Ondernemingskamer getroffen onmiddellijke voorzieningen, gedurende de periode waarin zijn aandelen reeds ten titel van beheer aan Hammerstein waren overgedragen, jegens aan hem gelieerde personen ( [F] en [E] ) en jegens gerechtelijke instanties in Rusland heeft gepresenteerd als vertegenwoordiger van Leaderland c.s.

3.6

De Ondernemingskamer neemt daarom tot uitgangspunt dat de volmachtverlening door [B] niet rechtsgeldig is. [B] - hij is geen bestuurder en sinds de overdracht ten titel van beheer aan Hammerstein evenmin aandeelhouder van Leaderland c.s. - was niet bevoegd aandeelhoudersvergaderingen van Leaderland c.s. bijeen te roepen. [B] heeft Hammerstein niet verzocht tot het houden van enige aandeelhoudersvergadering, noch hem geïnformeerd over een aandeelhoudersvergadering, de aldaar genomen besluiten en de daaropvolgende verlening van volmachten. Ook de gevolmachtigden, [F] (echtgenote van [B] ) en [E] , moeten geacht worden van dat gebrek op de hoogte te zijn geweest. Zo zijn de eerdere beschikkingen van de Ondernemingskamer in deze zaak ten kantore van het handelsregister betreffende Leaderland c.s. neergelegd, en heeft [E] - zo heeft [A] onweersproken gesteld - ook al in de appelprocedure in Rusland (zie 2.6 hiervoor) - weliswaar, door tijdig ingrijpen van Hammerstein, vruchteloos - getracht namens Leaderland c.s. proceshandelingen te verrichten.

3.7

Voorts heeft de Ondernemingskamer er vanuit te gaan dat - overeenkomstig de ter zitting niet weersproken stelling van Jaakke - de overeenkomst van 1 september 2013 valselijk opgemaakt is. Hierbij heeft de Ondernemingskamer de volgende - mede door Jaakke aangevoerde - omstandigheden in aanmerking genomen:

  1. In het kader van deze enquêteprocedure is [B] bij de beschikking van 11 juli 2014 bevolen de volledige administratie (als bedoeld in art. 2:10 BW) van Leaderland c.s. vanaf 1 januari 2012 te doen toekomen aan Van Haaren. In het daaropvolgende partijdebat over het al of niet door [B] verbeurd zijn van dwangsommen heeft [B] gesteld dat hij “alle administratie” aan Leaderland c.s. heeft overgedragen (zie 3.10 van de beschikking van 5 december 2014). De overeenkomst van 1 september 2013 zou onderdeel moeten uitmaken van de administratie van Leaderland c.s. (als bedoeld in art. 2:10 BW) nu Leaderland TTM daarbij partij is, maar [B] heeft niet weersproken dat deze overeenkomst niet behoort tot de door [B] overgelegde documenten.

  2. In een e-mail van 29 september 2014 heeft [B] aan Van Haaren meegedeeld dat hij niet betrokken is bij de gerechtelijke procedure in Rusland, dat hij geen toegang heeft tot de documentatie daarover en dat die bij de door [D] benoemde advocaat ligt. De overeenkomst van 1 september 2013 voorziet echter juist in de betrokkenheid van [B] bij gerechtelijke procedures in Rusland waarbij Leaderland TTM als procespartij betrokken is of wordt.

  3. In het kader van het verzoek van [B] aan de Ondernemingskamer om Van Haaren als bestuurder te vervangen door een andere persoon (zie 3.1 van de beschikking van 5 december 2014) heeft [B] geageerd tegen de door Van Haaren geïnitieerde vervanging van de Russische advocaten die voor Leaderland c.s. in rechte optraden door Borenius in de gerechtelijke procedure in Rusland. Had de overeenkomst van 1 september 2013 op dat moment daadwerkelijk bestaan dan had het zeer voor de hand gelegen dat [B] zich toen reeds in het licht van die discussie had beroepen op de overeenkomst van 1 september 2013 die juist ziet op (de bevoegdheid voor [B] om te beslissen over) vertegenwoordiging in juridische procedures in Rusland. Sommatie van [B] aan Borenius om “de pen neer te leggen” is gestoeld op de overeenkomst van 1 september 2013, terwijl die sommatie pas op 9 november 2015 is verstuurd (zie 2.12 hiervoor) en Borenius al in 2014 door Van Haaren was ingeschakeld.

In het licht van de hiervoor weergegeven correspondentie en proceshouding van [B] is het geenszins aannemelijk dat de overeenkomst daadwerkelijk is opgemaakt en ondertekend op 1 september 2013. Dat het bestaan van een dergelijke - aan [B] verstrekkende bevoegdheden verlenende - overeenkomst enige periode gedurende de gerechtelijke procedure in Rusland over de overdracht van de aandelen in Soyuz TTM aan de aandacht van [B] zou zijn ontsnapt, acht de Ondernemingskamer niet waarschijnlijk. Hierbij is voorts van belang dat zowel Leaderland als [B] partij zijn bij de gestelde overeenkomst en die mede is ondertekend door [B] .

3.8

Tot slot overweegt de Ondernemingskamer in dit verband nog dat ook indien wel van de geldigheid van de overeenkomst van 1 september 2013 zou moeten worden uitgegaan, het gebruik daarvan door [B] zonder medeweten van de door de Ondernemingskamer aangewezen bestuurder en beheerder van aandelen, zich niet verdraagt met de eerder door de Ondernemingskamer getroffen onmiddellijke voorzieningen en met de door [B] in acht te nemen redelijkheid en billijkheid als bedoeld in art. 2:8 BW.

3.9

Aldus heeft [B] door te handelen als hij heeft gedaan, met voorbijgaan aan in het belang van Leaderland c.s. getroffen onmiddellijke voorzieningen, het belang van Leaderland c.s. geschaad, althans gepoogd dat te doen. Ten nadele van Leaderland c.s. heeft hij opzettelijk ten onrechte in naam van Leaderland c.s. louter ten gunste van de belangen van Soyuz Corporation en daarmee indirect van hemzelf gehandeld. De uitspraak in hoger beroep (zie 2.6) luidt voor Leaderland c.s. positief: het houdt de ongeldigheid in van de overdracht van de aandelen in Soyuz TTM aan Soyuz Corporation en het verplicht Soyuz Corporation tot teruglevering van die aandelen aan Leaderland c.s. Enig belang van Leaderland c.s. bij het instellen van cassatie tegen die uitspraak valt niet te onderkennen. Integendeel, door de uitspraak in cassatie is de uitkomst van deze procedure minst genomen op losse schroeven komen te staan. Alleen al de onduidelijkheid daarover is niet in het belang van Leaderland c.s.

3.10

De Ondernemingskamer acht het gelet op al het voorgaande in verband met de toestand van Leaderland c.s. noodzakelijk om bij wijze van onmiddellijke voorziening [B] te bevelen een ‘rectificatie’ te sturen aan alle bij de procedure betrokken gerechtelijke instanties in Rusland en - hoewel in de eerdere getroffen onmiddellijke voorzieningen reeds ligt besloten dat uitsluitend de door de Ondernemingskamer aangewezen bestuurder vertegenwoordigingsbevoegd is - [B] uitdrukkelijk te verbieden op enigerlei wijze Leaderland c.s. te vertegenwoordigen. Tegen de achtergrond van al het voorgaande ziet de Ondernemingskamer voorts aanleiding om dit verbod en bevel te versterken met een dwangsom.

3.11

De Ondernemingskamer verwerpt het verweer dat de hier aan de orde zijnde verzoeken in strijd zijn met de eisen van een goede procesorde. Mede gelet op de e-mail van 15 oktober 2015 van Jaakke aan de advocaten van partijen kan niet worden volgehouden dat [B] door de daaropvolgende verzoeken aan de Ondernemingskamer is overvallen. Gesteld noch gebleken is dat [B] als gevolg van een absolute verhindering niet ter terechtzitting is verschenen. Dat zijn advocaat niet inhoudelijk op de kwestie is ingegaan, dient voor rekening van [B] te blijven. [B] heeft niet concreet gesteld dat hij, indien het onderhavige verzoek op een later tijdstip zou worden behandeld, alsnog bereid en in staat is om inhoudelijk verweer te voeren.

3.12

Nu aan de verzoeken slechts het handelen van [B] ten grondslag is gelegd, en ook overigens onvoldoende is gesteld of gebleken dat [C] in dit verband een verwijt kan worden gemaakt, zullen de verzoeken voor zover die zijn gericht tegen [C] worden afgewezen.

3.13

[B] zal worden veroordeeld in de proceskosten van de zijde van [A] . Verder ziet de Ondernemingskamer aanleiding de kosten tussen de overige partijen te compenseren als hierna te vermelden.

4 De beslissing

De Ondernemingskamer:

beveelt [B] , bij wijze van onmiddellijke voorziening, uitvoerbaar bij voorraad, om binnen tien (10) werkdagen na heden de onder 2.6, 2.7 en 2.8 hiervoor genoemde en alle overige gerechtelijke instanties in Rusland die zijn of worden betrokken bij het tussen [A] , Leaderland c.s. en Soyuz Corporation aanhangige geschil als bedoeld onder 2.5 hiervoor, te berichten als volgt (in het Russisch, vertaald door een beëdigd vertaler):

Edelachtbare rechters,

Op bevel van de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam, Koninkrijk der Nederlanden, gegeven bij de beschikking van 17 februari 2016, bericht ik u dat alleen de door de Ondernemingskamer aangewezen tijdelijk bestuurder bevoegd is Leaderland TTM B.V., Leaderland TTM I B.V., Leaderland TTM II B.V. en Leaderland TTM III B.V. in en buiten rechte te vertegenwoordigen en te bepalen welke advocaten bevoegd zijn in rechte voor een van bovengenoemde vennootschappen op te treden. Thans is de door de Ondernemingskamer aangewezen bestuurder mr. J.C. Jaakke en door hem zijn als advocaat aangesteld een of meer medewerkers van het kantoor Borenius. In strijd met het bovenstaande heb ik eerder bericht dat [F] , [E] en ik bevoegd zijn namens een of meer van de genoemde vennootschappen in rechte het woord te voeren en proceshandelingen te verrichten. Mijn eerdere bericht is dan ook onjuist en neem ik hierbij terug.

Hoogachtend, [B]”,

met gelijktijdige bezorging van een kopie van deze brief aan de advocaten van de overige partijen bij deze enquêteprocedure;

bepaalt dat [B] deze brief via DHL dient te verzenden, met bewijs van aflevering, en beveelt [B] binnen een werkdag na verzending respectievelijk binnen een werkdag na ontvangst van de afleveringsbevestiging een (elektronische) kopie van het bewijs van verzending respectievelijk een (elektronische) kopie van het bewijs van aflevering aan de advocaten van de overige partijen bij deze enquêteprocedure te verstrekken;

verbiedt [B] , bij wijze van onmiddellijke voorziening voor de duur van het geding, uitvoerbaar bij voorraad,

a. Leaderland c.s. op enigerlei wijze, in of buiten rechte te (doen) vertegenwoordigen,

b. jegens wie of welke instantie dan ook een dergelijke bevoegdheid te pretenderen en

c. jegens wie of welke instantie dan ook de zelfstandige vertegenwoordigingsbevoegdheid van de door de Ondernemingskamer aangewezen bestuurder in twijfel te trekken;

een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250.000 ineens, te vermeerderen met € 50.000 voor elke dag of dagdeel dat aan voormeld bevel of verbod niet of niet volledig uitvoering wordt gegeven, een en ander met een maximum van
€ 10.000.000;

veroordeelt [B] in de kosten van het geding tot op heden aan de zijde van [A] begroot op € 2.099, en compenseert de overige kosten van het geding aldus dat ieder zijn eigen kosten draagt;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. G.C. Makkink, voorzitter,
mr. M.M.M. Tillema en mr. A.J. Wolfs, raadsheren, en G.A. Cremers en dr. P.M. Verboom, raden, in tegenwoordigheid van mr. R. Verheggen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 17 februari 2016.