Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:5292

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-12-2016
Datum publicatie
16-12-2016
Zaaknummer
200.185.664/01 NOT
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2013:2158
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek tot herziening van een beslissing van het hof. Deze beslissing ziet op het handelen/nalaten van notarissen. Het hof verklaart klaagster niet-ontvankelijk in haar verzoek tot herziening van de beslissing van het hof. Dit verzoek is onredelijk laat (en daarmee in strijd met het belang van de rechtszekerheid).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer : 200.185.664/01 NOT

beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 13 december 2016

inzake

[naam] ,

wonend te [plaats] ( [land] ),

verzoekster,

gemachtigde: [naam] te [plaats] ( [land] ),

tegen

1. mr. [naam] ,

notaris te [plaats] ,

2. mr. [naam] ,

notaris te [plaats] ,

3. mr. [naam] ,

kandidaat-notaris te [plaats] ,

4. mr. [naam] ,

voorheen kandidaat-notaris te [plaats] ,

verweerders,

gemachtigde: mr. P.H. Kramer, advocaat te Amsterdam.

1 Verloop van het geding

1.1.

Bij brief (met bijlagen) van 15 februari 2016, door het hof ontvangen op 16 februari 2016, heeft verzoekster (hierna: klaagster) verzocht om herziening van de beslissing van dit hof van 14 mei 2013 met zaaknummer 200.103.620/01 NOT (ECLI:NL:GHAMS:2013:2158). Deze beslissing ziet op het handelen/nalaten van verweerders (hierna gezamenlijk te noemen: de notarissen), alsmede op het handelen/nalaten van mr. [naam] (hierna: [de oud-notaris] ), tot 1 juli 2002 notaris te [plaats] , in 2014 overleden.

1.2.

Op 17 maart 2016 hebben de notarissen een verweerschrift (met bijlagen) bij het hof ingediend.

1.3.

De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 29 september 2016. Klaagster is verschenen, vergezeld van haar gemachtigde. Verder zijn verschenen de notarissen, vergezeld van hun gemachtigde. Allen, behoudens mrs. [naam] (hierna: [notaris 1] ) en [naam] (hierna: [notaris 3] ), hebben het woord gevoerd; de gemachtigde van klaagster aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota.

2 Stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de hiervoor vermelde stukken.

3 Feiten

Het gaat in deze zaak om het volgende.

3.1.

Bij beschikking van 19 oktober 1960 droeg de kantonrechter te [plaats] wegens vermissing op zee van de vader van klaagster (hierna: de vader) aan de moeder van klaagster (hierna: de moeder) het bestuur van de goederen van de vader op. Op 9 mei 1985 heeft de moeder ten overstaan van [de oud-notaris] de economische eigendom van de voormalige echtelijke woning (hierna: de woning) aan haar zoon [naam] (hierna: [zoon] ) overgedragen. De moeder is op 17 april 1997 overleden en liet als erfgenamen achter haar twee dochters, onder wie klaagster, en haar zoon [zoon] . Laatstgenoemde heeft op 29 november 2006 ten overstaan van mr. [naam] (hierna: [notaris 2] ) een testament gemaakt. Op 2 april 2007 heeft [zoon] ten overstaan van [notaris 2] de woning overgedragen. [zoon] is op 21 april 2010 overleden.

Klacht 1

3.2.

Klaagster heeft op 28 april 2011 een klaagschrift (met bijlagen) ingediend bij de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te ’s-Gravenhage (hierna: de kamer).

Naast een zestal verwijten aan [de oud-notaris] (die in het kader van dit herzieningsverzoek niet langer relevant zijn) heeft klaagster de notarissen het volgende verweten.

7. [notaris 2] heeft het testament van [zoon] gepasseerd met medewerking van [naam] (hierna: [buurman] ), de buurman van [zoon] , zonder daarbij de zwakbegaafde [zoon] in bescherming te nemen. [notaris 2] had in dat geval zijn ministerie moeten weigeren.

8. [notaris 2] , bijgestaan door mr. [naam] (hierna: [notaris 4] ), heeft meegeholpen de woning per 2 april 2007 via [buurman] aan een andere buurman te verkopen tegen een prijs van € 180.000,-, terwijl een soortgelijke woning op dat moment te koop stond voor € 289.500,-. Daarmee heeft [notaris 2] niet voldoende getracht de financiële belangen van [zoon] veilig te stellen.

9. Na het overlijden van [zoon] ontdekte klaagster dat [notaris 2] ervoor zou hebben gezorgd dat [buurman] als mentor en bewindvoerder aan [zoon] werd toegewezen, terwijl dit niet nodig was gelet op het schrijven van psychiater [naam] . Hiermee werkte [notaris 2] eraan mee dat de familie van [zoon] op afstand werd gehouden.

10. [notaris 1] en [notaris 2] hebben structureel geweigerd om verder met klaagster te onderhandelen of haar vragen te beantwoorden en hebben een advocaat in de arm genomen omdat klaagster hen aansprakelijk heeft gesteld voor de door haar geleden schade.

11. [notaris 3] heeft bij e-mail van 4 mei 2010 aan klaagster beloofd nader onderzoek te doen over de depotgelden die nog aanwezig zouden moeten zijn na het overlijden van de moeder. Daarop is [notaris 3] nog steeds niet teruggekomen.

12. [notaris 2] heeft verzuimd klaagster op de hoogte te brengen van het verzoek van [zoon] tot benoeming van een mentor en de onderbewindstelling van [zoon] .

13. [notaris 2] weigert klaagster de door haar gevraagde inlichtingen te geven over onder meer de financiële afwikkeling van de nalatenschap van de moeder.

3.3.

Bij beslissing van 15 februari 2012 (klachtnummer 11-13) heeft de kamer klaagster in haar klachtonderdelen 1 tot en met 8 niet-ontvankelijk verklaard en de klachtonderdelen 9 tot en met 13 ongegrond verklaard.

3.4.

Klaagster heeft op 13 maart 2012 een beroepschrift bij het hof ingediend tegen voormelde beslissing van 15 februari 2012. Het hoger beroep is door de tuchtkamer van het hof behandeld ter openbare terechtzitting van 6 december 2012. Bij beslissing van 14 mei 2013 heeft het hof de beslissing van de kamer vernietigd doch uitsluitend voor zover klaagster niet-ontvankelijk is verklaard in haar klachtonderdeel 7 en, in zoverre opnieuw rechtdoende en voor zover hier van belang, klachtonderdeel 7 ongegrond verklaard en de beslissing van de kamer voor het overige bevestigd.

Klacht 2

3.5.

Op 6 februari 2014 heeft klaagster een klaagschrift ingediend bij de kamer voor het notariaat in het ressort Den Haag (hierna: de kamer te Den Haag). Deze klacht ziet op de verklaring van [notaris 2] tijdens de zitting in hoger beroep op 6 december 2012, inhoudende:

“(..) Toen ik in de communicatie met [zoon] een helder en consistent beeld kreeg (wij hebben daarbij ook gebruik gemaakt van zijn apparaatje) in de rust van het moment zelf, kon ik daarmee uit de voeten en heb ik verder onderzoek niet noodzakelijk geacht. (..)”.

3.6.

Bij beslissing van 10 december 2014 (ECLI:NL:TNORDHA:2014:41, klachtnummer 14-06) heeft de kamer te Den Haag klaagster niet-ontvankelijk verklaard in bovenvermelde klacht voor zover die klacht is gericht tegen verweerders [de oud-notaris] , [notaris 1] , [notaris 3] en [notaris 4] en de klacht, voor zover die gericht is tegen [notaris 2] , ongegrond verklaard.

3.7.

Klaagster heeft op 24 december 2014 hoger beroep ingesteld tegen voormelde beslissing van 10 december 2014.

3.8.

Bij deelbeslissing van 21 april 2015 (ECLI:NL:GHAMS:2015:1480) heeft het hof voormelde beslissing van 10 december 2014 bevestigd voor zover deze betrekking heeft op de klacht tegen de (eind 2014 overleden) [de oud-notaris] en elke verdere beslissing aangehouden voor zover het betreft de notarissen.

3.9.

Bij beslissing van 26 januari 2016 (ECLI:NL:GHAMS:2016:247) heeft het hof ten aanzien van de klacht, zoals hierboven onder 3.5. vermeld, het volgende overwogen:

“6.4. De klacht betreft de vraag of waar is wat [notaris 2] op de zitting van 6 december 2012 heeft verklaard over de gang van zaken bij het opmaken en passeren van het testament en dus in wezen op die gang van zaken zelf. Die gang van zaken is echter al aan de orde geweest bij de beoordeling van de klacht die heeft geleid tot de beslissing van het hof van 14 mei 2013. De klacht in de onderhavige zaak hangt daarmee zozeer samen met de klacht in die eerdere zaak, dat geen sprake is van een nieuwe klacht, maar van een herhaalde klacht. Het hof zal klaagster daarom alsnog niet-ontvankelijk verklaren in de onderhavige klacht.”

3.10.

Het hof heeft in voormelde beslissing verder nog overwogen:

"6.5. In hoger beroep heeft klaagster als productie 7 overgelegd een gedeelte van de memorie van antwoord van [buurman] van 6 mei 2014 (in het hoger beroep in een civiele zaak tussen [buurman] en klaagster en haar gemachtigde). Hieruit blijkt volgens klaagster dat de notarissen tijdens de zitting van 6 december 2012 (ook) niet de waarheid hebben gesproken over het aantal gesprekken dat met de broer van klaagster zou zijn gevoerd, alsmede over de aanwezigheid van derden bij die gesprekken.

Op grond van het bepaalde in artikel 107 lid 4 van de Wet op het notarisambt dient het hof een aan hem voorgelegde zaak opnieuw in volle omvang te behandelen. In die procedure is voor de behandeling van een in hoger beroep nieuw geformuleerde klacht geen plaats. Klaagster zal daarom in haar nieuwe klacht niet-ontvankelijk worden verklaard.”

Klacht 3

3.11.

Op 16 juni 2015 heeft klaagster een klaagschrift ingediend bij de kamer te Den Haag en daarbij gesteld over bewijsmateriaal te beschikken waaruit blijkt dat de notarissen niet de waarheid hebben gesproken. Zij heeft derhalve onder meer verzocht de beslissingen in de klachten 11-13 en 14-06 te herzien. Bij beslissing van 29 juli 2015 heeft de voorzitter van de kamer te Den Haag de klacht afgewezen als kennelijk niet-ontvankelijk.

4 Herzieningsverzoek

4.1.

Klaagster heeft verzocht om herziening van de beslissing van de tuchtkamer van het hof van 14 mei 2013 (meer in het bijzonder herziening van de beoordeling van alle klachtonderdelen), omdat zij over nieuw bewijsmateriaal beschikt dat tot herziening van deze beslissing zou moeten leiden. In de kern heeft klaagster aan haar herzieningsverzoek het volgende ten grondslag gelegd.

4.2.

Het door klaagster aan haar verzoek ten grondslag gelegde ‘novum’ bestaat volgens klaagster uit hetgeen volgens haar blijkt uit de als productie 2 door haar overgelegde Memorie van Antwoord van [buurman] in de civiele procedure tussen [buurman] en klaagster c.s. bij het gerechtshof [plaats] . Tijdens de zitting bij het hof Amsterdam op 6 december 2012 heeft [notaris 2] te kennen gegeven dat hij in het kader van het op te maken testament vier keer met [zoon] heeft gesproken (twee keer alleen, een keer met [notaris 4] en de laatste keer ter gelegenheid van het passeren van het testament van [zoon] ) en dat daarbij geen derden aanwezig zijn geweest. De andere notarissen hebben [notaris 2] niet tegengesproken op dit punt. Uit de thans als ‘novum’ overgelegde memorie van antwoord (met bijlagen) van [buurman] van 6 mei 2014 blijkt echter dat er (naast het passeren van het testament) slechts één gesprek is geweest met [zoon] en dat [buurman] daarbij aanwezig was. Hiermee is derhalve aangetoond, aldus klaagster, dat de notarissen niet de waarheid hebben gesproken.

5 Standpunt van de notarissen

De notarissen hebben verweer gevoerd. Het standpunt van de notarissen wordt, voor zover relevant, hieronder besproken.

6 Beoordeling

6.1.

Het hof stelt voorop dat de Wet op het notarisambt geen bepalingen bevat over de herziening van tuchtrechtelijke beslissingen. De mogelijkheid van herziening heeft het hof aanvaard in zijn beslissingen van 21 februari 2012 (ECLI:NL:GHAMS:2012:BV6394) en 25 september 2012 (ECLI:NL:GHAMS:2012:CA2559). De invoering van de huidige wet per 1 januari 2013 heeft daarin geen verandering gebracht. Herziening is een buitengewoon en niet wettelijk geregeld rechtsmiddel dat kan leiden tot aantasting van onherroepelijke uitspraken van de notariële tuchtrechter. Met het oog op de rechtszekerheid moeten aan dit rechtsmiddel zware eisen worden gesteld. Het hof ziet hierin thans aanleiding de gronden voor herziening aan te scherpen als volgt.

6.2.

Op verzoek van een partij kan een onherroepelijk geworden beslissing worden herzien op grond van nauwkeurig omschreven feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;

b. bij verzoek(st)er vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn;

c. ingeval zij bij de tuchtrechter vóór de uitspraak bekend zouden zijn geweest, het ernstige vermoeden rechtvaardigen dat de tuchtrechter tot een andere beslissing zou zijn gekomen.

6.3.

Daarnaast geldt dat de beslissing in kracht van gewijsde moet zijn gegaan en voorts dat het verzoek tot herziening dient te worden gedaan binnen een redelijke termijn na het bekend worden bij verzoek(st)er van de (nieuwe) feiten of omstandigheden, terwijl het verzoek eveneens zal moeten voldoen aan het bepaalde in artikel 107 lid 2 van de Wet op het notarisambt.

6.4.

Het hof overweegt als volgt. Ter zitting in hoger beroep heeft klaagster op vragen van het hof laten weten dat zij op of omstreeks 6 mei 2014 bekend is geworden met de feiten en omstandigheden zoals hierboven onder 4.2. genoemd. Wat er ook zij van deze feiten en omstandigheden, vaststaat dat klaagster ruim anderhalf jaar later, te weten op 16 februari 2016, haar herzieningsverzoek bij het hof heeft ingediend. Naar het oordeel van het hof is dit verzoek tot herziening onredelijk laat (en daarmee in strijd met het belang van de rechtszekerheid). Het hof is niet gebleken van omstandigheden waaruit valt op te maken dat klaagster niet eerder dan 16 februari 2016 in staat was om een herzieningsverzoek in te dienen. Het feit dat klaagster eerst een andere procedurele weg heeft gevolgd, komt voor haar rekening en risico.

6.5.

Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan buiten beschouwing blijven omdat het niet van belang is voor de te nemen beslissing.

6.6.

Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.

7 Beslissing

Het hof verklaart klaagster niet-ontvankelijk in haar verzoek tot herziening van de beslissing van dit hof van 14 mei 2013.

Deze beslissing is gegeven door mrs. J.H. Lieber, H.T. van der Meer en B.J.M. Gehlen en in het openbaar uitgesproken op 13 december 2016 door de rolraadsheer.