Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:5284

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-11-2016
Datum publicatie
13-12-2016
Zaaknummer
23-002810-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Openlijke geweldpleging tegen personen en belediging ambtenaar in functie. Geheel voorwaardelijke straf

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 23-002810-14

Datum uitspraak: 29 november 2016

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 30 juni 2014 in de strafzaak onder parketnummer 15/710670-12 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
15 november 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:
hij op of omstreeks 22 september 2012 te Zandvoort met een ander of anderen, op een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten de Kosterstraat, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] (agent van politie Kennemerland) en/of [slachtoffer 2] (hoofdagent van politie Kennemerland) en/of [slachtoffer 3] (agent van politie Kennemerland) en/of [slachtoffer 4] (aspirant van politie Kennemerland) en/of [slachtoffer 5] (hoofdagent van politie Kennemerland) en/of [slachtoffer 6] (agent van politie van Kennemerland), welk geweld bestond uit:

- het gooien van een dranghek en/of een reclame zuil, althans een of meer (zware) voorwerpen, naar of in de richting van een of meer die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 4] en/of die [slachtoffer 5] en/of die [slachtoffer 6], en/of

- het een of meer malen slaan en/of stompen en/of schoppen en/of trappen van/tegen die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3], en/of - het, met kracht, knijpen in het kruis van die [slachtoffer 2];

2:
hij op of omstreeks 22 september 2012 te Zandvoort opzettelijk beledigend (een) ambtena(a)r(en), te weten R.[slachtoffer 2] (hoofdagent politie Kennemerland) [slachtoffer 1] en/of (agent politie Kennemerland) en/of [slachtoffer 3] (agent poltie Kennemerland), gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] in diens/dier tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden ""vuile kankerhond" en/of "kanker-NSB'er" en/of "kankeragent" en/of "kankerlijer", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Bewijsoverweging.

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte van het aan hem onder 1 en 2 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd:

a. a) aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de verbalisanten kan worden getwijfeld, want zij hebben zich aanvankelijk gevoegd als benadeelde partijen,

b) de rol van de verdachte kan niet worden vastgesteld, waardoor er onvoldoende bewijs is dat hij geweld heeft toegepast of een wezenlijke bijdrage daaraan heeft geleverd ,

c) het onder 2 tenlastegelegde kan niet bewezen worden verklaard, omdat de desbetreffende verbalisanten niet in een rechtmatige uitoefening van hun bediening waren.

Het hof verwerpt de verweren en overweegt als volgt.

Ad a.

De zich in het dossier bevindende verschillende verklaringen van de verbalisanten, voor zover deze in de bewijsbeslissing zullen worden betrokken, zijn in grote lijnen gelijkluidend, consistent en gedetailleerd. Hetgeen is aangevoerd biedt geen aanknopingspunt om deze niet betrouwbaar te achten en ook overigens is er geen reden tot twijfel aan de betrouwbaarheid. Het enkele feit dat een aantal van de verbalisanten zich aanvankelijk als benadeelde partij in de onderhavige procedure heeft gevoegd, maakt dat niet anders.

Ad b.

Aan de verdachte is onder 1 de openlijke geweldpleging zoals bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht tenlastegelegd. In een dergelijk geval, waarin het medeplegen in de vorm van ‘in vereniging’ een bestanddeel vormt van de delictsomschrijving, dient het hof de vraag te beantwoorden of sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van het openlijke geweld tegen personen of goederen en of de bijdrage van de verdachte daaraan van voldoende gewicht is.

Bij de beantwoording van die vraag is van belang dat het openlijk geweld kan bestaan uit een meer diffuus samenstel van uiteenlopende, tegen personen of goederen gerichte geweldshandelingen en dat plaatsvindt binnen een ongestructureerd, mogelijk spontaan samenwerkingsverband met een eigen - soms moeilijk doorzichtige - dynamiek. Door dat karakter kan de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking juist bij openlijke geweldpleging verschillende verschijningsvormen hebben, waarbij de bijdrage van voldoende gewicht onder omstandigheden zelfs geheel of ten dele kan bestaan uit het verrichten van op zichzelf niet-gewelddadige handelingen.

In de onderhavige zaak hebben meerdere verbalisanten verklaard dat de verdachte en diens medeverdachte [medeverdachte] geweld hebben gebruikt. Zo heeft de verbalisant [slachtoffer 3] verklaard dat de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] op hem afrenden en hem tegelijk met kracht schopten, heeft de verbalisant [slachtoffer 5] verklaard dat de verdachte en [medeverdachte] de verbalisant [slachtoffer 3] schopten en heeft de verbalisant [slachtoffer 2] verklaard dat de verdachte en [medeverdachte] met kennelijke kracht en veelvuldig met geschoeide voet de verbalisanten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] raakten.

Gelet op deze feiten en omstandigheden, bezien in samenhang met de overige bewijsmiddelen en gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het hof van oordeel dat er sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking van de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] ten aanzien van het openlijke geweld bestaande uit het slaan en schoppen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] en dat de bijdrage van de verdachte daaraan van voldoende gewicht is geweest.

Ad c.

Het verweer is toegelicht met de stelling dat het optreden van de verbalisant [slachtoffer 2] (en dat van de andere verbalisanten) disproportioneel en niet subsidiair is geweest. Die stelling ontbeert feitelijke grondslag. Voorafgaande aan de aanhouding van de verdachte sprake was van een hectische situatie waarin hulpverlening en doortastend handelen geboden was. Het optreden van de verbalisant [slachtoffer 2] (en zijn collega’s) moet in die context worden geplaatst.

Bezien in samenhang met de overige bewijsmiddelen kan het onder 2 tenlastegelegde derhalve wettig en overtuigend bewezen worden geacht.

Camerabeelden

De raadsman heeft ter terechtzitting gepersisteerd bij zijn verzoek om naspeuringen te verrichten naar de camerabeelden, teneinde deze te kunnen uitkijken en aan het dossier toe te voegen.

Dit verzoek wordt afgewezen, nu, gelet op het proces-verbaal van bevindingen van 5 juni 2016 van de raadsheer-commissaris, ervan moet worden uitgegaan dat deze beelden niet meer beschikbaar, dan wel binnen aanvaardbare termijn beschikbaar kunnen komen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij op 22 september 2012 te Zandvoort met een ander, op een voor het publiek toegankelijke plaats, te weten de Kosterstraat, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] (agent van politie Kennemerland) en [slachtoffer 3] (agent van politie Kennemerland), welk geweld bestond uit:

- het meermalen slaan en trappen van die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 3].

2:
hij op of omstreeks 22 september 2012 te Zandvoort opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten [slachtoffer 2] (hoofdagent politie Kennemerland), gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, die [slachtoffer 2] in diens tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden "kankerhond" en "kanker-NSB'er" en "kankeragent" en "kankerlijer", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uur, subsidiair 40 dagen hechtenis.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 50 uur, subsidiair 25 dagen hechtenis, waarvan 30 uur, subsidiair 15 dagen hechtenis, voorwaardelijk, met een proeftijd van een jaar.

De raadsman heeft verzocht een geheel voorwaardelijke straf op te leggen of toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Dit omdat de verdachte sinds het incident niet meer in aanraking is gekomen met politie of justitie, momenteel een opleiding volgt en gelet op het tijdsverloop.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging jegens politieambtenaren die bezig waren met hun werk. Door zo te handelen heeft hij bijgedragen aan een sfeer van agressie op de openbare weg en bijgedragen aan een voor deze ambtenaren en omstanders intimiderende situatie, dit terwijl de betreffende verbalisanten daar juist ter plaatse waren om bijstand te bieden bij een incident.

De verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan belediging van een ambtenaar in functie. Door zijn handelen heeft de verdachte zich respectloos gedragen jegens deze met een publieke taak belaste ambtenaar en diens gezag ondermijnd.

Hoewel het bewezenverklaarde handelen van de verdachte onacceptabel is, zal het hof in dit uitzonderlijke geval een geheel voorwaardelijke (taak)straf met een kortere proeftijd dan gebruikelijk, te weten een proeftijd van een jaar opleggen. Het hof heeft hiertoe besloten gelet op het lange tijdsverloop sinds het plaatsvinden van het incident, waarin de verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 3 november 2016 niet met justitie in aanraking is gekomen. Tevens houdt het hof er, hoewel dit zijn handelen niet aanvaardbaar maakt, rekening mee dat sprake was van een voor de verdachte emotionele situatie, waarbij een kennis van hem gewond op straat lag en waarin de verdachte de strekking van zijn handelen mogelijk onvoldoende overzag.

Gelet op de ernst van het feit is er geen reden om – zoals verzocht door de raadsman van de verdachte - toepassing te geven aan artikel 9a Sr.

Het hof acht, alles afwegende, een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 40 uur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 141, 266 en 267 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 1 (één) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.M.D. Aardema, mr. P.C. Römer en mr. S. Bek, in tegenwoordigheid van mr. C.J.J. Kwint, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 29 november 2016.

=========================================================================

[.]