Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:5224

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-12-2016
Datum publicatie
10-02-2017
Zaaknummer
200.167.850/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huur woonruimte. Bewijs van bestaan duurzame gemeenschappelijke huishouding geleverd. (vervolg van ECLI:NL:GHAMS:2016:1297)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.167.850/01

zaak/rolnummer rechtbank Noord-Holland : 3496926 \ CV EXPL 14-7103

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 6 december 2016

inzake

1 [appellant sub 1] ,

2. [appellant sub 2],

beiden wonend te [woonplaats] ,

appellanten,

advocaat: mr. A.R. van Dolder te Heerhugowaard,

tegen

STICHTING WOONWAARD NOORD-KENNEMERLAND,

gevestigd te Alkmaar,

geïntimeerde,

advocaat: mr. M.J. Dekker te Alkmaar.

1 Het verdere verloop van het geding

Partijen worden hierna wederom [appellanten] (afzonderlijk [appellant sub 1] en [appellant sub 2] ) en Woonwaard genoemd.

In deze zaak heeft het hof op 5 april 2016 een tussenarrest uitgesproken. Voor het verloop van het geding tot die datum wordt verwezen naar dat arrest.

Ingevolge het tussenarrest hebben [appellanten] bij akte van 19 april 2016 een productie in het geding gebracht en op 22 juli 2016 vijf getuigen doen horen. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal is bij de gedingstukken gevoegd.

Woonwaard heeft bij akte laten weten geen gebruik te maken van de mogelijkheid getuigen in contra-enquête te doen horen.

Beide partijen hebben een memorie na enquête genomen. Woonwaard heeft daarbij nog een productie in het geding gebracht.

Vervolgens hebben partijen wederom arrest gevraagd.

2 Verdere beoordeling

2.1

Bij het tussenarrest zijn [appellanten] toegelaten tot het bewijs van hun stelling dat zij in het gehuurde een duurzame gemeenschappelijke huishouding hebben.

2.2

De getuigen hebben, zakelijk weergegeven, als volgt verklaard.

[appellant sub 2] , partijgetuige,

Ik ben in 1969 naar Nederland gekomen. Mijn broer, [appellant sub 1] , kwam iets later. We woonden samen op een kamer in een pension in Alkmaar en betaalden ieder de helft van de huur. In 1979 zorgde onze gemeenschappelijke werkgever ervoor dat we samen een woning kregen. [appellant sub 1] werd huurder. Ik heb er verder niet over nagedacht dat ik geen huurder werd. Ik vertrouwde mijn broer. We kregen een ruim huis. Op dat moment hadden we nog geen vaste plannen om onze echtgenoten en kinderen naar Nederland te laten komen. We droomden er wel over.

Mijn broer betaalde de huur en alle andere vaste lasten, zoals gas, licht, water, onroerend goed belasting. Ik betaalde de rest: de boodschappen en alles wat je in huis nodig hebt. Toen we in de woning kwamen wonen, hebben we de inrichting daarvan samen gekocht en betaald, zoals meubels, koelkast en wasmachine. Als er daarna iets stuk ging, betaalde ik voor reparatie of vervanging. Als er iets moest worden opgeknapt deed ik dat en zo nodig hielp [appellant sub 1] mij daarbij. Ik zorgde voor het onderhoud van de woning en als er bijvoorbeeld moest worden geverfd, betaalde ik dat.

We hadden een pan en maakten daarin voor ons tweeën het eten klaar, we hadden een keuken en een tafel en we aten samen.

[appellant sub 1] en ik hebben hetzelfde netwerk. We hebben veel kennissen en familie.

Als ik vakantie had, ging ik naar Marokko. Soms samen met mijn broer. Soms gingen we na elkaar. Mijn vrouw en de vrouw van [appellant sub 1] woonden met de kinderen in het ouderlijk huis van mij en [appellant sub 1] . Dat is traditie. Het is een groot huis met zes kamers. Dat huis hebben we nog steeds en daar gaan we nog steeds naartoe als we naar Marokko gaan. [appellant sub 1] en ik hebben nog twee zusters en twee andere broers. Eén van onze broers woont met zijn gezin in het ouderlijk huis.

Toen mijn vrouw naar Nederland kwam, kwam ze met onze zes kinderen, die allemaal in Marokko zijn geboren. We konden het allemaal goed met elkaar vinden. Ik heb nooit overwogen om een ander huis te huren. De financiële afspraken tussen [appellant sub 1] en mij veranderden niet met de komst van mijn gezin. Ik heb toen bijvoorbeeld voor nieuwe vloerbedekking betaald. Mijn vrouw kookte voor ons allemaal, dus ook voor [appellant sub 1] , en we aten allemaal samen. Als we bezoek van onze kennissen kregen, dan ontving degene die thuis was: [appellant sub 1] , ik of mijn vrouw. Als iedereen thuis is en er komt bezoek, dan gaan de vrouwen naar het ene deel van de woonkamer en de mannen naar het andere deel.

Toen het gezin van [appellant sub 1] naar Nederland kwam, was mijn oudste zoon al het huis uit. Wij hebben ook toen nooit erover nagedacht niet langer in een huis te wonen. De vrouw van [appellant sub 1] was al ziek toen ze naar Nederland kwam. Het is in Nederland alleen maar slechter gegaan met haar gezondheid. Zij is niet helemaal goed bij zinnen en is erg teruggetrokken en rustig. Ze kan niet voor het huishouden zorgen. Dat was al zo toen ze naar Nederland kwam. Mijn vrouw bleef zorgen voor het huishouden en kookte voor iedereen. We aten meestal allemaal samen. Als iemand later kwam, bewaarden we het eten voor hem. De kinderen van [appellant sub 1] waren al vrij groot toen ze naar Nederland kwamen. Mijn dochter hielp hun en nam ze mee naar school. De financiële afspraken tussen mij en [appellant sub 1] bleven gelijk. We hebben een hechte band en we kijken niet wie meer of minder betaalt.

Alle kinderen van [appellant sub 1] zijn het huis uit. Zij zijn allemaal getrouwd. Mijn jongste zoon van 21 jaar woont nog bij ons. Mijn andere kinderen zijn het huis uit. Mijn vrouw en ik, [appellant sub 1] en zijn vrouw wonen nog steeds samen in de woning. Mijn vrouw kookt nog altijd voor iedereen en we eten met zijn allen.

Ik kan me niet herinneren dat ik me ooit heb ingeschreven als woningzoekende en ik heb nooit gedacht aan verhuizen. Ik heb altijd gedacht dat ik in deze woning zou blijven wonen tot mijn overlijden. Ik heb nooit plannen gehad bij een van mijn kinderen te gaan wonen. Daar is nooit reden voor geweest. Ik heb altijd een goede band met mijn broer gehad.

[A] , buurman,

Ik woon in de buurt sinds 1985. [appellant sub 2] woont achter ons. Onze kinderen speelden met de kinderen van [appellant sub 2] en zijn broer. We noemen zowel [appellant sub 2] als zijn broer ‘opa’. Onze huizen liggen aan de achterkant tegenover elkaar. De kinderen speelden met elkaar op het grasveld dat tussen onze huizen ligt. We zien elkaar regelmatig buiten, in de zomer vaker dan in de winter. Als ik denk aan de mensen die in de woning wonen, dan denk ik aan hen als ‘het gezin’, al weet ik dat het om twee gezinnen gaat. Ik kwam niet bij hen op bezoek, maar kwam wel eens binnen om een fiets te brengen of te maken. Ik heb eenzelfde soort woning. Het is onmogelijk om met twee gezinnen in zo’n woning ieder een eigen deel daarvan te bewonen of te gebruiken. De slaapkamers zijn boven, er is maar een badkamer en een keuken. Alles moet gedeeld worden. Ik ben wel eens in de woonkamer geweest. Daar stond een lange bank langs de lange muur. Daarvoor stonden twee salontafels.

[B] , zoon van [appellant sub 1] ,

In 1987 was mijn moeder erg ziek. Zij is toen naar Nederland gereisd en heeft in de woning bij mijn vader en oom gewoond. Zij had last van haar heup en is in Nederland geopereerd. In 1988 is een zusje van mij in Nederland geboren. In 1989 zijn mijn moeder en mijn zusje teruggekomen naar Marokko. In de drie jaar dat mijn moeder in Nederland was, zorgde een broer van mijn vader en oom voor ons. In Marokko hebben we altijd gewoond in het huis van mijn grootvader aan vaderszijde. Onze gezinnen deden ook daar alles samen.

In 1996 ben ik met mijn moeder, mijn in Nederland geboren zusje en een broertje naar Nederland gekomen. Later is ook één van mijn in Marokko achtergebleven zusjes met haar man naar Nederland gekomen. Zij kwamen vlakbij in [plaats] wonen.

In 1996 kwam mijn moeder dus met drie kinderen naar Nederland. Wij gingen in de woning wonen bij mijn vader, oom en tante en hun kinderen. We gebruikten de woning gezamenlijk en aten samen. Mijn broertje en ik deelden een slaapkamer op zolder met mijn neefjes. De dochters van mijn oom en mijn zusje sliepen samen in een slaapkamer op de eerste verdieping. Mijn oom en tante hadden een eigen slaapkamer op de eerste verdiepen en mijn ouders ook. Toen wij naar Nederland kwamen hebben mijn neefjes en nichtjes ons geholpen onze weg hier te vinden. Zij namen ons mee naar school en zo.

Mijn moeder heeft psychische problemen. Daarom kon je niet veel van haar verwachten in het huishouden. Mijn zusje nam de taken van mijn moeder over. Mijn tante zorgde voor het huishouden, samen met mijn zusje en nichtje. Mijn moeder hielp voor zover ze dat kon. Mijn tante zorgde voor mijn moeder, bijvoorbeeld met douchen. Mijn zusje en nichtje hielpen daar ook bij.

Een zus van mij en een nichtje wonen in [plaats] . Zij komen tegenwoordig om mijn tante te helpen om voor mijn moeder te zorgen. Mijn ouders willen verhuizen omdat mijn moeder slecht kan lopen. Zij heeft moeite met trappen lopen. De huisarts zegt dat het een keer mis gaat als zij trappen blijft lopen.

Mijn vader betaalde de huur en mijn oom de boodschappen. Ik weet niet precies wat er gebeurde als bijvoorbeeld een koelkast stuk ging. Ik weer zeker dat mijn vader en oom ook daarover samen beslisten.

Ik kom iedere zaterdag op bezoek. De situatie in de woning is nog altijd hetzelfde. Een neefje woont ook nog in huis.

Als bijvoorbeeld de familie van mijn tante op bezoek kwam dan zaten we allemaal bij elkaar. We kennen elkaar allemaal goed. We zaten dan bij elkaar in de woonkamer.

[C] , buurvrouw,

Voordat de broers [appellanten] in de woning kwamen wonen, woonde daar een jong stel met haar vader. Zij zijn na zes jaar vertrokken omdat zij in die woning onvoldoende privacy hadden. Ik vertel dit omdat dit duidelijk maakt dat het in zo’n woninkje niet anders kan dan dat je alles met elkaar deelt.

Als ik ’s avonds thuiskwam zag ik soms de broers [appellanten] en hun echtgenotes samen thuiskomen, nadat zij om de hoek op bezoek waren geweest bij vrienden.

Ik zag regelmatig dat beide ouderparen en de kinderen samen met elkaar aten en met elkaar in de woonkamer zaten. Ik heb niet gezien wie het eten klaarmaakte, omdat de keuken aan de achterkant van de woning ligt en ik daar geen zicht op heb. Ik heb wel gezien dat de voortuin gezamenlijk werd bijgehouden. De ene keer gebeurde dat door de ene vader met een kind en de andere keer door de andere vader met een kind. Het was voor mij in het begin niet eens duidelijk welke kinderen bij welke vader hoorden.

Het is voor mij en de buren een gezin. Ze deden de normale dingen die een gezin doet. Er is me nooit iets opgevallen dat afweek van wat andere gezinnen in de buurt deden of doen. [appellant sub 2] rijdt in een auto. Ik zag hem wel eens met een grote tas boodschappen thuiskomen. Soms was een van de kinderen erbij. Tegenwoordig gaat zijn vrouw wel eens mee.

Toen de broers zonder hun gezinnen in het huis woonden, heb ik ze samen met hun blauwe bus naar Marokko zien gaan. Ik zag de broers ook vaak samen naar hun werk gaan. De vrouw van [appellant sub 1] heb ik niet vaak gezien. Zij is ziek en loopt moeilijk. De vrouw van [appellant sub 2] maakte soms een ommetje met haar. Zij hielp de vrouw van [appellant sub 1] daarbij.

Het hof constateert dat de getuige tevens heeft verklaard dat zij blijft bij haar schriftelijke verklaring van 1 mei 2015, die zij heeft ondertekend met de naam [C] . In die schriftelijke verklaring staat dat zij al pal tegenover de woning aan de [adres ] woonde toen [appellanten] daar kwamen wonen.

[D] , voormalig buurman en vriend,

Ik ben van september/oktober 1996 tot ongeveer juni 2001 de buurman geweest van de broers [appellanten] . Het hele gezin, zo groot als een handbalteam met reserve, woonde achter mij. Kort nadat ik er was komen wonen kwam het gezin van [appellant sub 1] voor gezinshereniging naar Nederland. Toen raakte ik in gesprek met de kinderen van [appellant sub 1] . We kwamen elkaar tegen in de moskee. Het klikte tussen ons en ik kreeg de uitnodiging om een keer in de veertien dagen op zaterdag te komen eten. Met de ramadan at ik iedere avond bij hen. Dat gebeurt nog steeds. We zijn goede vrienden. Ook mijn ouders zijn met de broers en hun familie bevriend geraakt.

De vrouw van [appellant sub 2] , haar dochter en een dochter van [appellant sub 1] maakten meestal het eten klaar. We zaten altijd in twee groepen in de woonkamer om te eten, de vrouwen aan de ene kant en de mannen aan de andere kant. Dat was ook het geval als [appellant sub 1] en [appellant sub 2] bezoek hadden van familie of vrienden. Ik kwam wel eens boven. De beide ouderparen hadden ieder een eigen slaapkamer. De jongens sliepen samen op zolder en de meisjes hadden samen een slaapkamer.

De vrouw van [appellant sub 1] was en is ziekelijk. Zij doet niet veel in het huishouden. De vrouw van [appellant sub 2] verzorgde en verzorgt haar. De dochters van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hielpen en helpen daarbij als het nodig is.

In hun vrije tijd gingen de kinderen sporten. [appellant sub 2] en [appellant sub 1] werkten of waren thuis. [appellant sub 2] ging iedere zaterdag boodschappen doen met zijn vrouw of dochters. [appellant sub 1] was in de moskee of hij ging fietsen. In de vakanties werd de bus uit de schuur gehaald en ging de hele groep naar Marokko, soms ook met een auto erbij, net hoe het uitkwam. Toen de kinderen ouder waren gingen ze niet altijd allemaal mee naar Marokko. Soms bleven ze in de woning.

De situatie in de woning is nog steeds hetzelfde. Het is een hecht gezin. Hoe meer mensen er over de vloer komen hoe beter. De kinderen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] komen vaak bij hen langs. Voor zover ik weet wonen nu [appellant sub 1] en zijn vrouw en [appellant sub 2] en zijn vrouw met twee of drie kinderen in de woning.

Het klopt dat ik tijdens de procedure in eerste aanleg aanwezig ben geweest bij de comparitie op 10 februari 2015. In het proces-verbaal is mijn naam verkeerd gespeld.

2.3.

Naar aanleiding van de getuigenverklaringen en hetgeen partijen daarover en over de overige bewijsmiddelen hebben gesteld wordt het volgende overwogen.

2.3.1.

Getuige [B] is naaste familie van [appellanten] en uit de getuigenverklaring van [D] blijkt dat hij – [D] – bevriend is met [appellanten] en bij gelegenheid van de comparitie van partijen in eerste aanleg aanwezig is geweest als tolk en namens [appellanten] een verklaring heeft afgelegd. Het hof heeft zich van een en ander rekenschap gegeven bij de waardering van de getuigenverklaringen. De desbetreffende omstandigheden vormen geen reden te twijfelen aan de waarheidsgetrouwheid van de door [B] respectievelijk [D] onder ede afgelegde getuigenverklaring. Woonwaard heeft geen concrete feiten of omstandigheden gesteld die tot een ander oordeel moeten leiden.

2.3.2.

Woonwaard heeft gesteld dat [appellant sub 2] niet naar waarheid heeft verklaard over de personen die thans nog in de woning wonen, omdat uit een recent uittreksel uit het BRP blijkt dat twee kinderen staan ingeschreven op het adres van de woning, terwijl hij heeft verklaard dat nog maar één kind in de woning woont. Het hof constateert aan de hand van het door Woonwaard in het geding gebrachte uittreksel uit het BRP dat zij kennelijk het oog heeft op de inschrijving van [E] , geboren op [geboortedatum] 1972 en ingeschreven sinds 5 juli 2016. Het niet vermelden van de inschrijving van een 43-jarig familielid in het BRP, welke inschrijving kort voor het getuigenverhoor heeft plaatsgevonden, geeft geen aanleiding te twijfelen aan het waarheidsgehalte van de onder ede afgelegde verklaring van [appellant sub 2] . Ook indien met Woonwaard ervan wordt uitgegaan dat [E] een kind is van [appellant sub 2] of [appellant sub 1] , en dat hij ten tijde van het getuigenverhoor daadwerkelijk sinds twee weken (ook) in de woning woonde, doet dat immers niets toe of af aan de ter beoordeling voorliggende vraag of [appellanten] een duurzame gemeenschappelijke huishouding in de woning hebben. Het hof ziet dan ook geen aanleiding de getuigenverklaring van [appellant sub 2] als niet waarheidsgetrouw buiten beschouwing te laten. Daarom is het ook niet nodig de behandeling van de zaak aan te houden om [appellanten] alsnog in de gelegenheid te stellen te reageren op deze productie. In rechtsoverweging 2.3.6 zal inhoudelijk aandacht worden besteed aan de verklaring van [appellant sub 2] dat hij zich niet kan herinneren dat hij zich ooit als woningzoekende heeft ingeschreven. Hier volstaat het te overwegen dat dit onderdeel van zijn verklaring evenmin aanleiding geeft te twijfelen aan het waarheidsgehalte daarvan.

2.3.3.

De verklaringen van [A] , [B] , [C] en [D] bieden op wezenlijke onderdelen steun aan de partijgetuigenverklaring van [appellant sub 2] , zodat deze verklaring aan het bewijs kan bijdragen.

2.3.4.

Uit de getuigenverklaringen, bezien in onderling verband en samenhang, kan het volgende worden afgeleid.

[appellanten] hebben vanaf hun komst naar Nederland altijd en ook doelbewust samen in hun huisvesting voorzien; aanvankelijk woonden zij samen op een kamer, daarna in de woning. Zij deelden de huur van de kamer en hebben samen de inrichting van de woning gekocht en betaald. [appellanten] hebben afspraken gemaakt over de kosten van huisvesting en de kosten van levensonderhoud, in die zin dat [appellant sub 1] de huur zou betalen evenals alle overige vaste lasten en dat [appellant sub 2] de rest zou betalen, waaronder de boodschappen en de kosten van onderhoud van de woning en van reparatie of vernieuwing van de inrichting, in welke afspraken sindsdien geen wijziging is gekomen. Aldus hebben zij steeds gezamenlijk voorzien in hun kosten van huisvesting en levensonderhoud. Dat zij door de jaren heen en ongeacht het aantal personen dat in de woning woonde nooit andere afspraken hebben gemaakt en kennelijk geen belang hebben gehecht aan het al dan niet in evenwicht zijn van hun respectieve financiële bijdragen, maakt dat niet anders. Het feitelijke onderhoud van de woning is verzorgd door [appellant sub 2] , waar nodig met behulp van [appellant sub 1] . In de tijd dat [appellanten] samen in de woning woonden, kookten en aten ze samen. Vanaf het moment dat het gezin van [appellant sub 2] naar Nederland kwam en in de woning kwam wonen, heeft de vrouw van [appellant sub 2] voor iedereen gekookt. Ook daarna werden de maaltijden samen gebruikt. De vrouw van [appellant sub 1] , die enige tijd later met drie kinderen naar Nederland kwam – na een eerder, tijdelijk verblijf van enige jaren in de woning bij [appellanten] in verband met haar gezondheidstoestand – was niet in staat haar steentje bij te dragen aan de huishoudelijke werkzaamheden, maar deed wat zij kon. Na haar definitieve komst naar Nederland werden de huishoudelijke taken, waaronder het bereiden van de maaltijden, voornamelijk verricht door de vrouw van [appellant sub 2] , samen met een van haar dochters en een dochter van [appellant sub 1] , welke laatstgenoemde in zoverre de taken van haar moeder overnam. De maaltijden werden samen bereid en samen gebruikt in de woonkamer, waar zich een lange bank en twee salontafels bevonden. De indeling van de woning was toen aldus dat de beide ouderparen ieder een eigen slaapkamer hadden en dat de kinderen van [appellanten] samen op één slaapkamer (de dochters), respectievelijk op de zolder (de zonen) sliepen. De woning, met verder één badkamer en één keuken, werd aldus door de jaren heen gezamenlijk door [appellanten] en hun gezinnen gebruikt. Bezoek, bestaande uit familie en kennissen, werd ontvangen door degene die thuis was, ook dan zat men gezamenlijk in de woonkamer, waar ook met de gasten werd gegeten. De beide ouderparen hebben gezamenlijke vrienden die bij hen om de hoek wonen. Zij zijn ook bevriend geraakt met [D] en zijn ouders. Vakanties zijn door de jaren heen (voor en na de opeenvolgende gezinsherenigingen) in het algemeen gezamenlijk doorgebracht in het ouderlijk huis van [appellanten] in Marokko. Ook na het uitvliegen van de (meeste) kinderen van [appellanten] gebruiken de beide ouderparen de woning gezamenlijk. De vrouw van [appellant sub 2] zorgt nog steeds voor de vrouw van [appellant sub 1] en wordt daarbij ondersteund door de inmiddels buitenshuis wonende dochters van [appellant sub 2] en [appellant sub 1] .

2.3.5.

De conclusie van een en ander is dat [appellanten] een gemeenschappelijke huishouding in de woning hebben gehad en nog steeds hebben. Niet aannemelijk is geworden dat dit, in welke fase van de gezamenlijke bewoning van de woning dan ook, anders is geweest. Voor de stelling van Woonwaard dat [appellanten] ieder met hun gezin een eigen gedeelte van de woning in gebruik hebben, bestaat geen steun in de thans bekende feiten en omstandigheden. De ongelukkige woordkeus van [appellant sub 1] in zijn brief van 29 januari 2014 (tussenarrest, randnummer 2.7), die, gelet op de verwijzing naar een bepaling in het burgerlijk wetboek naar alle waarschijnlijkheid is ingegeven door een Nederlandstalige adviseur die zich onvoldoende op de hoogte heeft gesteld van de feitelijke situatie in relatie tot de toepasselijke rechtsregels, geeft geen aanleiding om hierover anders te oordelen.

2.3.6.

Woonwaard kan voorts niet worden gevolgd in haar stelling dat de gemeenschappelijke huishouding niet duurzaam is. [appellanten] wonen inmiddels al 37 jaar samen in de woning. De gemeenschappelijke werkgever van [appellanten] heeft ervoor gezorgd dat zij deze woning samen kregen, maar de huurovereenkomst is kennelijk zonder dat over de implicaties daarvan is nagedacht alleen op naam van [appellant sub 1] gezet. Uit de tenaamstelling van de huurovereenkomst kan dan ook niet worden afgeleid dat de broers niet de intentie hadden om duurzaam samen in de woning te gaan wonen. Dit geldt te meer omdat zij daarvoor al tien jaar samen op een kamer in een pension hadden gewoond. Voorts is niet aannemelijk geworden dat de intentie van [appellanten] om een duurzame gemeenschappelijke huishouding in de woning te hebben tijdens de huurperiode ooit serieus is gewijzigd. Ook als ervan uit wordt gegaan dat [appellant sub 2] in 2006 en 2009 bewust enige tijd bij de Stichting Sociale Verhuurders Noord-Kennemerland als woningzoekende ingeschreven heeft gestaan, dan nog is dat onvoldoende voor gerede twijfel aan zijn intentie met zijn broer een gemeenschappelijke huishouding te hebben, gelet op de inhoud van de getuigenverklaringen, in onderling verband en samenhang bezien, alsmede op de omstandigheid dat die inschrijvingen ook weer ongedaan zijn gemaakt en niet is gebleken dat [appellant sub 2] ooit daadwerkelijk gebruik heeft gemaakt van de faciliteiten die deze stichting biedt. Het hof acht voorts niet van wezenlijk belang dat [appellant sub 1] geen getuigenverklaring onder ede heeft afgelegd.

2.3.7.

[appellanten] zijn geslaagd in het leveren van bewijs van hun stellingen. Hetgeen Woonwaard overigens heeft gesteld kan niet leiden tot een ander oordeel.

2.4.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de gemeenschappelijke huishouding en de tijdsduur daarvan, kan niet worden volgehouden dat de vordering van [appellanten] kennelijk slechts de strekking heeft [appellant sub 2] op korte termijn de positie van huurder te verschaffen. Het beroep van Woonwaard op de desbetreffende weigeringsgrond van artikel 7:267 lid 3 aanhef en onder b BW is daarom ook in zoverre ongegrond (zie verder rechtsoverweging 3.7.2 van het tussenarrest).

2.5.

[appellanten] hebben bij akte van 19 april 2016 een jaaropgave 2015 van de Sociale Verzekeringsbank in het geding gebracht waaruit blijkt dat [appellant sub 2] AOW-pensioen ontvangt. Woonwaard heeft de juistheid van die jaaropgave niet bestreden. Zij heeft, zoals in rechtsoverweging 3.7.3 van het tussenarrest reeds is overwogen, niet betwist dat [appellant sub 2] voldoende waarborg voor de behoorlijke nakoming van de huurbetaling biedt wanneer hij een AOW-pensioen ontvangt, in combinatie met een aanspraak op huurtoeslag. Nu thans vast staat dat [appellant sub 2] daadwerkelijk AOW-pensioen ontvangt, strandt ook het beroep van Woonwaard op de weigeringsgrond van artikel 7:267 lid 3 aanhef en onder c BW.

2.6.

Het voorgaande betekent dat de grieven 1, 2, 4 en 5 slagen en dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd. De vordering van [appellanten] zal worden toegewezen. Nu [appellanten] geen datum hebben genoemd waarop het medehuurderschap van [appellant sub 2] volgens hen moet ingaan en ook Woonwaard zich daarover niet heeft uitgelaten, zal het hof bepalen dat de datum van dit arrest de datum is waarop het medehuurderschap zal ingaan. Woonwaard zal als grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in beide instanties.

3 Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep van de rechtbank Noord-Holland van 11 maart 2015, gewezen onder zaak/rolnummer 3496926 \ CV EXPL 14-7103,

en opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat [appellant sub 2] met ingang van heden medehuurder is van de woning gelegen te [adres 2] ;

veroordeelt Woonwaard in de kosten van het geding in beide instanties, in eerste aanleg aan de zijde van [appellanten] begroot op € 170,80 aan verschotten en € 400,= voor salaris en in hoger beroep tot op heden op € 405,19 aan verschotten en € 2.235,= salaris;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.C. Meijer, C. Uriot en H.J.M. Boukema en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 6 december 2016.