Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:5177

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-12-2016
Datum publicatie
08-12-2016
Zaaknummer
23-001728-15
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:836, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mega Merwede. Medeplegen van doodslag. De feiten en omstandigheden zijn dermate belastend en redengevend voor het bewijs dat van de verdachte een aannemelijke verklaring mag worden gevergd die de redengevendheid van die feiten ontzenuwt. Die verklaring is niet gegeven. Hoewel niet kan worden vastgesteld wat de onderlinge taakverdeling was, staat vast dat de verdachte en de medeverdachte aanwezig waren op de plaats waar en het moment waarop het letsel aan het slachtoffer werd toegebracht en dat beiden daarvan wetenschap hebben gehad. Het slachtoffer is kort daarna overleden. De verdachte en de medeverdachte steeds samen zijn gebleven en hebben samengewerkt, ook nadat het letsel aan het slachtoffer was toegebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2017/39
PS-Updates.nl 2017-0008
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-001728-15

datum uitspraak: 7 december 2016

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 20 april 2015 in de strafzaak onder parketnummer 13-676541-11 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1960] ,

[adres] .

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door de rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan haar onder 2 en 3 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 13 en 27 januari 2016, 4, 8 en 23 november 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadslieden naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

1. primair:
zij op of omstreeks 13 juni 2011 te Almere en/of Amsterdam en/of Diemen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (en met voorbedachten rade) [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, door toen en daar opzettelijk (na kalm beraad en/of rustig overleg) de hals van die [slachtoffer] dicht te drukken of dicht te knijpen en/of tegen de hals van die [slachtoffer] te slaan of te stompen en/of te schoppen of te trappen, in elk geval door zodanig geweld of kracht op de hals van die [slachtoffer] uit te oefenen dat de cricoïd in zijn hals is gebroken, althans beschadigd is geraakt en/of door gedurende enige uren met die [slachtoffer] rond te rijden en/of door die [slachtoffer] (vervolgens) in het water van de Weespertrekvaart te gooien en/ of te duwen of te laten glijden, ten gevolge van een of meer van bovenomschreven handelingen die [slachtoffer] (onmiddellijk of enige tijd later) is overleden;

1. subsidiair:
[medeverdachte] en/of een of meer anderen op of omstreeks 13 juni 2011 te Almere en/of Amsterdam en/of Diemen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met elkaar en/of met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (en met voorbedachten rade) [slachtoffer] van het leven heeft/hebben beroofd, door toen en daar met en of meer van zijn mededader(s), althans alleen, opzettelijk (na kalm beraad en/of rustig overleg) de hals van die [slachtoffer] dicht te drukken of dicht te knijpen en/of tegen de hals van die [slachtoffer] te slaan of te stompen en/of te schoppen of te trappen, in elk geval door zodanig geweld of kracht op de hals van die [slachtoffer] uit te oefenen dat de cricoïd in zijn hals is gebroken, althans beschadigd is geraakt en/of door die [slachtoffer] (vervolgens) in het water van de Weespertrekvaart te gooien en/ of te duwen of te laten glijden, ten gevolge van een of meer van bovenomschreven handelingen die [slachtoffer] (onmiddellijk of enige tijd later) is overleden;

bij het plegen van welk misdrijf zij, verdachte, toen en daar opzettelijk behulpzaam is geweest en/of tot het plegen van welk misdrijf zij, verdachte, toen en daar opzettelijk gelegenheid en/of middelen heeft verschaft, door toen en daar opzettelijk contact op te nemen met [medeverdachte] en/of [medeverdachte] (met een auto) naar haar toe te laten komen en/of met [medeverdachte] en/of een of meer anderen die [slachtoffer] in de auto van [medeverdachte] te laten stappen of te zetten en/of te leggen en/of gedurende enige uren met [slachtoffer] rond te rijden, zulks terwijl die [slachtoffer] (ernstig) halsletsel had en/of het bewustzijn had verloren, in elk geval niet meer aanspreekbaar was en/of niet in staat was zich (normaal) te bewegen en/of zich in die auto overeind te houden en/of (vervolgens) (samen met die [medeverdachte] ) die [slachtoffer] uit de auto van [medeverdachte] te halen, althans te laten komen en/of die [slachtoffer] in het water van de Weespertrekvaart te gooien of te duwen of te laten glijden en/of (daarna) die [slachtoffer] in de Weespertrekvaart achter te laten en/of (met die [medeverdachte] ) weg te rijden;

1. meer subsidiair

zij op of omstreeks 13 juni te Diemen en/of Almere, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk heeft toegebracht, althans [slachtoffer] opzettelijk heeft mishandeld waardoor die [slachtoffer] pijn en/of letsel heeft bekomen, immers heeft zij, verdachte, en/of haar mededader(s) opzettelijk de hals van die [slachtoffer] dichtgedrukt of dichtgeknepen en/of tegen de hals van die [slachtoffer] geslagen of gestompt en/of geschopt of getrapt, in elk geval zodanig geweld of kracht op de hals van die [slachtoffer] uitgeoefend dat de cricoïd in zijn hals is gebroken, althans beschadigd is geraakt ten gevolge waarvan die [slachtoffer] (onmiddellijk of enige tijd later) is overleden;

1. meer subsidiair

[medeverdachte] en/of een of meer anderen op of omstreeks 13 juni 2011 te Almere en/of Amsterdam en/of Diemen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met elkaar en/of met een ander of anderen, althans alleen, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk heeft/hebben toegebracht, althans [slachtoffer] opzettelijk heeft/hebben mishandeld waardoor die [slachtoffer] pijn en/of letsel heeft bekomen, immers heeft/hebben die [medeverdachte] en/of zijn mededader(s) opzettelijk de hals van die [slachtoffer] dichtgedrukt of dichtgeknepen en/of tegen de hals van die [slachtoffer] geslagen of gestompt en/of geschopt of getrapt, in elk geval zodanig geweld of kracht op de hals van die [slachtoffer] uitgeoefend dat de cricoïd in zijn hals is gebroken, althans beschadigd is geraakt ten gevolge waarvan die [slachtoffer] (onmiddellijk of enige tijd later) is overleden;

bij het plegen van welk misdrijf zij, verdachte, toen en daar opzettelijk behulpzaam is geweest en/of tot het plegen van welk misdrijf zij, verdachte, toen en daar opzettelijk gelegenheid en/of middelen heeft verschaft, door toen en daar opzettelijk opzettelijk contact op te nemen met [medeverdachte] en/of [medeverdachte] (met een auto) naar haar toe te laten komen en/of met [medeverdachte] en/of een of meer anderen die [slachtoffer] in de auto van [medeverdachte] te laten stappen of te zetten en/of te leggen en/of gedurende enige uren met [slachtoffer] rond te rijden, zulks terwijl die [slachtoffer] (ernstig) halsletsel had en/of het bewustzijn had verloren, in elk geval niet meer aanspreekbaar was en/of niet in staat was zich (normaal) te bewegen en/of zich in die auto overeind te houden en/of (vervolgens) (samen met die [medeverdachte] ) die [slachtoffer] uit de auto van [medeverdachte] te halen, althans te laten komen en/of die [slachtoffer] in het water van de Weespertrekvaart te gooien of te duwen of te laten glijden en/of (daarna) die [slachtoffer] in de Weespertrekvaart achter te laten en/of (met die [medeverdachte] ) weg te rijden;

1. meest subsidiair:
zij op of omstreeks 13 juni 2011 te Almere en/of Amsterdam en/of Diemen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam , gedurende enige uren, in een auto heeft rondgereden met [slachtoffer] , zulks terwijl die [slachtoffer] (ernstig) halsletsel had en/of het bewustzijn had verloren, in elk geval niet meer aanspreekbaar was en/of niet in staat was zich (normaal) te bewegen en/of zich in die auto overeind te houden en/of gedurende enige uren met die [slachtoffer] heeft rondgereden en/of (vervolgens) die [slachtoffer] in het water van de Weespertrekvaart heeft gegooid of geduwd of laten glijden en/of (daarna) die [slachtoffer] in de Weespertrekvaart heeft achtergelaten en/of is weggereden, waardoor het aan haar, verdachtes, en/of haar mededader(s) schuld te wijten is geweest dat die [slachtoffer] is overleden;

2:
zij op of omstreeks 13 juni 2013 te Diemen, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, nadat door [medeverdachte] en/of een of meer anderen ten opzichte van [slachtoffer] een misdrijf, te weten moord of doodslag, (zware) mishandeling (met de dood ten gevolge) of dood door schuld, was begaan, met het oogmerk om dit te bedekken en/of de nasporing of vervolging te beletten of te bemoeilijken een voorwerp waarop dat misdrijf was begaan, te weten [slachtoffer] , in elk geval het stoffelijk overschot van [slachtoffer] , heeft weggemaakt of heeft verborgen en/of aan het onderzoek van de ambtenaren van politie of justitie heeft onttrokken, door toen en daar opzettelijk met haar mededader(s), althans alleen, [slachtoffer] , in elk geval het stoffelijk overschot van [slachtoffer] in het water van de Weespertrekvaart te gooien of te duwen of te laten glijden;


3:
zij op of omstreeks 13 juni 2011 te Almere en/of Amsterdam en/of Diemen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, getuige zijnde van het ogenblikkelijke levensgevaar waarin [slachtoffer] verkeerde, heeft nagelaten die hulp te verlenen en/of te verschaffen die hij die [slachtoffer] , zonder gevaar voor zichzelf of anderen redelijkerwijs te kunnen duchten, kon verlenen of verschaffen, immers heeft zij, verdachte, en/of haar mededader(s) gedurende enige uren rondgereden met die [slachtoffer] , zulks terwijl die [slachtoffer] (ernstig) halsletsel had en/of het bewustzijn had verloren, in elk geval niet meer aanspreekbaar was en/of niet in staat was zich (normaal) te bewegen en/of zich in die auto overeind te houden en/of (vervolgens) die [slachtoffer] in het water van de Weespertrekvaart heeft gegooid of geduwd of laten glijden en/of (daarna) die [slachtoffer] in de Weespertrekvaart heeft achtergelaten en/of is weggereden, terwijl de dood van die [slachtoffer] is gevolgd;


4:
zij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2010 tot en met 31 juli 2011 te Almere, in elk geval in Nederland, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [medeverdachte] heeft bewogen tot de afgifte van een of meer geldbedrag(en) (tot een totaal van ongeveer 10.000 euro) in elk geval van enig goed, hebbende zij, verdachte, toen en daar (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- tegen die [medeverdachte] gezegd dat zij een vriendin genaamd Sylvia had die een man zocht en/of

- die [medeverdachte] eenmaal of meermalen opgebeld en zich daarbij voorgedaan als die Sylvia en/of

- zich voordoende als die Sylvia die [medeverdachte] eenmaal of meermalen om geld gevraagd als vooruitbetaling van een door die Sylvia geregelde vakantie en/of ten behoeve van door die Sylvia aan te schaffen goederen en/of

- daarbij (telkens) gezegd dat die [medeverdachte] dat/die geldbedrag(en) niet aan haar, Sylvia, kon geven maar dat hij het geld aan haar vriendin [verdachte] moest geven en/of

- zich voordoende als die Sylvia aan die [medeverdachte] verteld dat zij werkte bij een advocatenkantoor en dat een advocaat zou proberen om geld dat die [medeverdachte] gevolge van afpersing was kwijtgeraakt (ongeveer 7.500 euro) terug te vorderen en/of dat die advocaat tevens schadevergoeding zou proberen te verkrijgen en/of dat die [medeverdachte] dan wel eerst een vooruitbetaling aan die advocaat moest doen en/of

- ( vervolgens) eenmaal of meermalen aan die [medeverdachte] om geldbedragen gevraagd ten behoeve van die advocaat en/of

- daarbij (telkens) gezegd dat die [medeverdachte] dat/die geldbedrag(en) niet aan haar, Sylvia, kon geven maar dat hij het geld aan haar vriendin [verdachte] moest geven en/of

- tegen die [medeverdachte] gezegd dat haar vriendin Sylvia een auto-ongeluk had gehad en in coma lag en/of

- ( vervolgens) die [medeverdachte] opgebeld en zich voorgesteld als Natascha en dat zij, Natascha, eveneens werkzaam was voor vorenbedoelde advocaat en zijn, [medeverdachte] , dossier had overgenomen en/of

- ( vervolgens) zich voordoende als Natascha eenmaal of meermalen aan die [medeverdachte] om geldbedragen gevraagd ten behoeve van die advocaat en/of - daarbij (telkens) gezegd dat die [medeverdachte] dat/die geldbedrag(en) niet aan haar, Natascha, kon geven maar dat hij het geld aan [verdachte] moest geven, waardoor voornoemende [medeverdachte] (telkens) werd bewogen tot bovenomschreven afgifte(n).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gerequireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde (als impliciet subsidiair) medeplegen van doodslag op [slachtoffer] en de onder 4 ten laste gelegde oplichting van [medeverdachte] . De advocaat-generaal heeft hiertoe het volgende aangevoerd.

Bij de sectie op het lichaam van [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) is onder meer letsel in de halsstreek geconstateerd, waaronder een breuk van het cricoïd, bloeduitstortingen in de weke delen van de hals, in de tongpunt en rond het tongbeen, alsmede een breuk van de zesde rib links en de zevende rib rechts. Daarnaast is een hoge concentratie ethanol in het bloed en de urine van [slachtoffer] aangetroffen. Uit de bevindingen van de deskundigen kan worden geconcludeerd dat het geweld op de hals tot bewustzijnsverlies, en als het langer aanhoudt, tot de dood kan leiden. De bloeduitstortingen in de hals zijn volgens de deskundigen bij leven ontstaan, maximaal een uur voor overlijden. Gelet op de pluraliteit en aard van de verwondingen kan een opeenvolging van ongelukkige vallen slechts als een uitermate kleine, theoretische kans terzijde worden geschoven. De verwondingen zijn toegebracht. Aangezien [verdachte] , [medeverdachte] en [slachtoffer] van ongeveer 18.30 uur tot 23.00 uur zonder onderbreking in de auto van [medeverdachte] hebben gezeten, komen alleen [verdachte] en [medeverdachte] als veroorzakers van dit letsel in aanmerking.

De verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte] lopen op veel punten uiteen. Tegenstrijdigheden in de verklaringen van [verdachte] laten zien dat zij die dag de touwtjes in handen had. Zij had voorafgaand aan 13 juni 2011 elke dag telefonisch contact met [slachtoffer] , ook nadat hij een nieuw nummer had genomen. Zij benaderde [S.V.] om [slachtoffer] op de mouw te spelden dat er een ontmoeting met ene “Natascha’ in het verschiet lag. [S.V.] heeft dat ter terechtzitting in hoger beroep ook bevestigd. Het zoontje van [verdachte] werd weggebracht naar [R.N.] . Er stond kennelijk een langere autorit op het programma. Daarbij past niet dat [slachtoffer] spontaan zou zijn langsgekomen.

Bij de verklaringen van [medeverdachte] valt op dat hij steeds meer prijs geeft omtrent de gebeurtenissen van die avond, zolang de gebeurtenissen hem niet al te zeer belasten. Daaruit trekt het openbaar ministerie de conclusie dat [medeverdachte] aanvankelijk zo dicht mogelijk probeerde te blijven bij het verhaal zoals dat is afgesproken bij [R.N.] thuis in aanwezigheid van [verdachte] , [zoon 1] en [zoon 2] . De verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte] zijn op belangrijke punten zonder meer leugenachtig te noemen. Uit de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] blijkt dat [slachtoffer] in dode dan wel nagenoeg dode toestand na het toebrengen van het hiervoor genoemde letsel in de Weespertrekvaart is gedumpt. Dat maakt dat aan de verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte] grotendeels voorbij kan worden gegaan.

Er is te weinig informatie beschikbaar om te kunnen concluderen tot moord, maar van doodslag is wel degelijk sprake. Uit hetgeen is gebeurd met [slachtoffer] valt zonder meer af te leiden dat het de bedoeling was om [slachtoffer] om het leven te brengen. Gelet op de duur van hun samenzijn en de sequentie van verschillende ernstige handelingen tijdens dat samenzijn, hebben [verdachte] en [medeverdachte] zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van doodslag.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van alle ten laste gelegde feiten. De verdediging heeft ten aanzien van feit 1 - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

Uit het dossier blijkt onvoldoende dat [slachtoffer] is gedood door handelingen gepleegd door [verdachte] en/of [medeverdachte] , afzonderlijk dan wel tezamen, en of, en zo ja in welke mate die handelingen dan hebben bijgedragen aan het overlijden van [slachtoffer] . [verdachte] is niet iemand die een ander zou kunnen doden. Zij heeft het intelligentieniveau van een 7-jarige, is klein en tenger en had geen enkel motief voor het doden van [slachtoffer] . Op grond van de verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte] moet worden aangenomen dat [slachtoffer] levend te water is geraakt en dat [medeverdachte] en [verdachte] hem levend in het water hebben achtergelaten. Daaruit volgt echter nog niet dat [verdachte] , al dan niet tezamen met [medeverdachte] , [slachtoffer] heeft gedood. Niet alleen is onduidelijk waaraan [slachtoffer] is overleden. De deskundigen hebben immers niet kunnen vaststellen welke van de mogelijke doodsoorzaken uiteindelijk tot het overlijden van [slachtoffer] heeft geleid. Hoe de letsels van [slachtoffer] zijn ontstaan is evenmin duidelijk geworden. Ook is onduidelijk wanneer hij is overleden. Zo hebben verschillende getuigen verklaard [slachtoffer] ná 13 juni 2011 nog te hebben gezien. Dat kan passen bij het postmortaal interval dat in het sectierapport is genoemd.

De verklaringen van getuigen [getuige 2] en [getuige 1] zijn onvoldoende betrouwbaar, omdat hun waarnemingen in het donker zijn gedaan. Dat zij slechts schimmen hebben kunnen zien, is ook tijdens de reconstructie gebleken. Daarbij komt dat hun verklaringen in eerste instantie heel stellig, maar later minder zeker waren. Hun verklaringen zijn op onderdelen evident onjuist. Het is niet zeker of het ‘object’ dat zij te water zagen gaan [slachtoffer] was. Hun verklaringen laten bovendien de mogelijkheid open dat [slachtoffer] , nadat hij te water was geraakt, buiten zicht van [getuige 2] en [getuige 1] weer boven water is gekomen en uit het water is geklommen. Er zijn veel scenario’s waarmee de dood van [slachtoffer] zonder meer kan worden verklaard en die niet als uiterst onwaarschijnlijk kunnen worden aangemerkt.

Subsidiair geldt dat als al bewezen zou zijn dat [verdachte] en [medeverdachte] [slachtoffer] letsel hebben toegebracht, niet kan worden vastgesteld in hoeverre deze geweldsinwerkingen tot de dood van [slachtoffer] hebben geleid. Ook opzet op doodslag kan niet bewezen worden. Ten slotte kan op dezelfde gronden niet worden bewezen dat [verdachte] dit feit heeft medegepleegd dan wel daarbij medeplichtig is geweest. Ook van de onder feit 1 meer subsidiair ten laste gelegde medeplichtigheid bij zware mishandeling met de dood tot gevolg en het onder feit 1 meest subsidiair ten laste gelegde medeplegen van dood door schuld dient [verdachte] mede op grond van de voorgaande argumenten te worden vrijgesproken.

Overwegingen en oordeel van het hof ten aanzien van feit 1

Op 17 juni 2011 is het stoffelijk overschot van - naar later bleek - [slachtoffer] drijvend in de Weespertrekvaart, langs de Provincialeweg te Diemen ter hoogte van het adres Stammerdijk 25 in Diemen, aangetroffen.

Aan [verdachte] is primair ten laste gelegd dat zij [slachtoffer] , al dan niet samen met een ander of anderen, al dan niet met voorbedachten rade, van het leven heeft beroofd door opzettelijk geweld op zijn lichaam uit te oefenen en hem (vervolgens) in het water te brengen. [verdachte] ontkent dit. Wel heeft zij erkend dat zij, samen met [medeverdachte] , op de avond van 13 juni 2011 met [slachtoffer] naar de Weespertrekvaart in Diemen is gereden en hem daar in het water heeft achtergelaten.

Het hof zal hieronder achtereenvolgens aan de orde stellen welke letsels bij [slachtoffer] zijn aangetroffen, wat de deskundigen zeggen over de mogelijke doodsoorzaak, welke bevindingen de politie heeft gedaan, wat getuigen hebben verklaard en welke ‘technische’ gegevens zich in het dossier bevinden. Daarna zal het hof een oordeel geven omtrent de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] en komen tot een tussenconclusie. Vervolgens zal het hof de verklaringen van de verdachte en de medeverdachte aan de orde stellen, daaraan een beschouwing wijden en tenslotte komen tot een eindconclusie omtrent het bewijs en de bewezenverklaring.

Sectiebevindingen

Letsels en postmortale periode

De lijkschouwer van de gemeente Amsterdam Amstelland en Zaanstreek Waterland heeft op 17 juni 2011 aangegeven dat de overledene (het hof begrijpt: [slachtoffer] ) om 12.40 uur uit het kanaal bij de Provinciale weg te Diemen was gehaald, dat het lijk was gekleed en geen schoenen droeg en dat de bevindingen bij onderzoek kunnen passen bij een overlijdensdatum van 2-5 dagen geleden.

Dr. B. Kubat heeft sectie op het lichaam van [slachtoffer] verricht. Zij heeft diverse letsels geconstateerd, te weten bloeduitstortingen in de halsspieren, rondom het kraakbeen (bij/rondom het cricoïd), rond het tongbeen, in de mondbodem en in het puntje van de tong; breuk van het cricoïd (een kraakbeenring onder het strottenhoofd), breuken van de zesde rib links en zevende rib rechts, beiden zijwaarts, met kleine, omgevende bloeduitstortingen. Deze letsels zijn bij leven ontstaan. De bevindingen met betrekking tot de huid passen bij een langer verblijf in het water of in een vochtige omgeving. De bevindingen met betrekking tot de postmortale veranderingen en de huid passen bij een postmortale periode van meerdere dagen.

Voornoemd pathologisch rapport van dr. B. Kubat van 23 augustus 2011en door haar opgestelde aanvullende briefrapporten houden in dat er twee potentiële doodsoorzaken zijn, die elk op zich dan wel in combinatie het intreden van de dood kunnen verklaren, te weten:

- verwikkelingen van bij leven ingewerkt uitwendig mechanisch geweld op de hals, hetgeen botsend (zoals een hevige slag, val, stoot) samendrukkend (zoals verwurging) of een combinatie van deze,

- verdrinking.

Een voorkeur of mate van waarschijnlijkheid met betrekking tot de twee bovengenoemde mogelijke doodsoorzaken is op basis van de sectiebevindingen niet aan te geven.

Het ongedateerde rapport van dr. F.R.W. Van de Goot, houdt omtrent de doodsoorzaak in dat het intreden van de dood verklaarbaar is op grond van samendrukkend mechanisch geweld op de halsregio en verwikkelingen daarvan. De bevindingen sluiten een ruime periode tussen het oplopen van (een deel) van de letsels en het uiteindelijk intreden van de dood niet uit. Dr. Van de Goot acht het veel waarschijnlijker de huidige sectiebevindingen aan te treffen bij een scenario van reeds overleden te water raken dan wanneer het slachtoffer ten tijde van te water raken nog zou hebben geleefd (en, zo begrijpt het hof uit het rapport, zou zijn verdronken).

Ter terechtzitting in eerste aanleg op 24 maart 2016 zijn beide deskundigen gehoord.

Dr. Kubat heeft toen verklaard dat het niet mogelijk is om met zekerheid aan te tonen of de breuk van het cricoïd voor of na het overlijden is ontstaan, maar dat zij het iets waarschijnlijker acht dat deze breuk en de bloeduitstortingen aan de hals tegelijkertijd zijn ontstaan dan op verschillende momenten. Zij tekende daarbij aan dat voor het breken van het cricoïd grote krachten nodig zijn en dat dit letsel vooral vaak wordt gezien bij slaan of schoppen tegen de hals. Ook voor het breken van de ribben is behoorlijke kracht nodig geweest. Het letsel aan de hals is op zichzelf niet dodelijk, althans hoeft dit niet te zijn, maar kan dit zijn als er langere tijd dan kortdurend druk op de hals wordt uitgeoefend. Ook kan het zijn dat het direct aanzuigen van verse lucht vanuit de longen wordt belet.

Dr. Van de Goot heeft verklaard dat de bloedingen in de hals aantoonbaar bij leven zijn ontstaan, omdat daar een ontstekingsreactie na impact waar te nemen is. Dit wondbeeld past bij een letsel dat ongeveer een uur voor het overlijden is ontstaan.

Dr. Kubat heeft verklaard dat zij dit met dr. Van de Goot eens is, waarbij zij neigde naar een nog iets kortere periode en een uur als bovengrens wilde aanhouden.

Dr. Kubat heeft voorts nog verklaard dat op grond van het letsel geen persoon is uit te sluiten als toebrenger van dit letsel, maar evenmin is uit te sluiten dat het letsel is ontstaan door vallen. Zij heeft er daarbij wel op gewezen dat het letsel aan de ribben zich aan twee zijden bevond, hetgeen betekent dat het slachtoffer twee keer gevallen moet zijn. Geconfronteerd met de vraag of de ribbreuken kunnen zijn ontstaan door een val van de achterbank van een auto, antwoordde zij dat dit mogelijk is als het slachtoffer gevallen zou zijn op iets hards dat daar lag, maar dat hij in dat geval twee keer gevallen zou moeten zijn, naar links en naar rechts.

Dr. Van de Goot heeft voorts verklaard dat de mate van beschadiging van de huid wat mager is voor slaan met een voorwerp of vallen. Dr. Kubat heeft hierover nog opgemerkt dat er mogelijkheden van vallen op de hals zijn die niet veel huidletsel opleveren, bijvoorbeeld op een metalen buis of een zachte structuur.

Toxicologisch onderzoek

Uit toxicologisch onderzoek bleek voorts van de aanwezigheid van ethanol in het bloed van [slachtoffer] .

Dr. M. Verschraagen heeft geconcludeerd dat de hoge ethanolconcentratie in het lichaam een bijdrage geleverd kan hebben aan het overlijden door verdovende effecten. Het overlijden kan daaruit niet worden geconcludeerd. In hoger beroep heeft deze deskundige in antwoord op vragen van de verdediging nader gerapporteerd. In dat rapport heeft hij gesteld dat het promillage alcohol in het bloed ten tijde van het overlijden wordt geschat op ongeveer 2,9 tot 3,2 mg/ml. Voorts houdt dit rapport in dat de mate van gewenning aan alcohol van invloed is op de waarschijnlijkheid van overlijden bij de gevonden hoeveelheid ethanol. Ook wordt gesteld dat bij de gevonden hoeveelheid bij een gemiddeld persoon verminderde reactiesnelheid, waggelende gang en mogelijk effecten op de ademhaling kunnen optreden. Bij gewende (chronische) gebruikers zijn hogere ethanolconcentraties nodig om dezelfde effecten te bereiken.

Bevindingen van de politie en verklaringen van getuigen

Kort nadat [slachtoffer] was gevonden, is nader onderzoek gedaan naar een 112-melding op 13 juni 2011 omstreeks 24.00 uur van een verdachte situatie in de directe omgeving van de plaats waar het lichaam later is aangetroffen. De melding was afkomstig van [getuige 1] en hield in dat hij die avond rond 23.00 uur met een vriend vanaf hun zeilboot “iets heel raars” had gezien. [getuige 1] beschreef dat er een auto stond, dat daar twee mensen bij waren onder wie een (naar hun inschatting) Aziatische vrouw en dat het leek of er iets of iemand aan de kade hing dat een zetje kreeg en daardoor te water raakte. [getuige 1] en zijn vriend hoorden nog wat gespartel, maar zagen toen ze ter plaatse waren alleen nog twee schoenen drijven.

Op 22 juni 2011 is [getuige 1] als getuige gehoord. Hij heeft toen verklaard dat hij met [getuige 2] was gaan varen. Op de terugweg zag hij in een parkeerhaven aan de Provincialeweg een auto met de neus in de richting Diemen staan. Vlak voor die auto stond een man. Ongeveer 25 meter verderop was een vrouw in de bosjes bij de beschoeiing bezig. Daar hing iets half in het water. Hij hoorde de man en de vrouw met elkaar praten. Hij zag vervolgens dat de vrouw het object verder het water in duwde. Hij hoorde hierop een plons en een zucht/kreun. De plons hield een paar seconden aan, waardoor het leek dat het object spartelde. Zowel de man als de vrouw stapten vervolgens in en reden weg. [getuige 1] had geen goed gevoel van het hele voorval. Hij is naar de plek toe gevaren. Daar heeft hij niets meer van het object gezien, hij zag wel twee schoenen drijven.

Op 12 juli 2011 is [getuige 2] als getuige gehoord. Hij heeft de verklaring van [getuige 1] in grote lijnen bevestigd. Hij heeft verklaard dat ook hij een auto in een parkeerhaven zag staan met de neus in de richting van Diemen. Zijn aandacht werd getrokken door het geluid van een gesprek dat een vermoedelijk Aziatisch vrouw met luide stem voerde met een man die verderop bij de auto stond. De man was blank en niet jong en fit. Toen hij beter keek leek het of de vrouw wat vast had. Het leek alsof ze op de kade zat en iets vasthield, wat vrij groot was en half in het water hing. Zij sprak zodanig dat het leek of zij in paniek was of twijfelde. Kort daarna zag hij dat zij dat wat ze vasthield het water in duwde. Hij hoorde een plons en zag dat het object van haar los kwam. Hij zag het object drijven en vervolgens snel onder water verdwijnen. Hij zag dat drijvende object nog toen zij naar de plek voeren, waar zij de plons hadden gehoord, maar toen zij daar aankwamen zagen zij dat object niet meer. Wel zag hij twee schoenen drijven. Hij heeft de man en de vrouw zien wegrijden. Hij zag de auto vervolgens nog een keer stoppen. Hij zag de man uitstappen, hij zag de man kijken naar de plek bij het water en vervolgens weer instappen en wegrijden. De getuigen [getuige 2] en [getuige 1] zijn daarna nog vaker gehoord. Zij hebben bij die gelegenheden hun verklaringen telkens (in grote lijnen) bevestigd.

Op 13 september 2011 is [R.N.] , de dochter van [verdachte] , als getuige gehoord. Zij heeft verklaard dat haar moeder haar zoontje [[]] in de vroege avond van 13 juni 2013 bij haar heeft afgezet om [slachtoffer] samen met [medeverdachte] een lift naar Amsterdam te geven. [slachtoffer] is toen even uit de auto gestapt, hij heeft naar haar gezwaaid en tegen haar gezegd dat ze goed op het kind moest passen, waarna hij weer in de auto is gaan zitten. Hij was vriendelijk. Er is haar niets bijzonders aan [slachtoffer] opgevallen.

‘Technische’ gegevens

In het dossier bevinden zich historische verkeersgegevens van de telefoons van [slachtoffer] en van [verdachte] , gegevens die zijn uitgelezen uit de tomtom van [medeverdachte] (die zich die avond in zijn auto bevond) en gegevens van camera’s langs de weg. Aan de hand daarvan kan worden vastgesteld waar die toestellen en de auto van [medeverdachte] zich op diverse momenten op 13 juni 2011 hebben bevonden.

Om 11.55 uur peilde de telefoon van [slachtoffer] uit in de omgeving van het NS-station in Diemen. Om 17.08 peilde de telefoon van [slachtoffer] uit in de omgeving van de woning van [verdachte] . Om 18.26 uur bevond de telefoon van [verdachte] zich in de omgeving van de woning van [medeverdachte] .

Om 18.43 uur peilde de telefoon van [verdachte] uit bij de snelweg bij Almere-Stad en tussen ongeveer 18.50 uur en 19.00 uur in Muiderberg. In Muiderberg is om 19.03 uur de Tomtom in de auto van [medeverdachte] aangezet. Die verplaatste zich naar de woning van [medeverdachte] , kwam daar aan om 19.20 uur en bleef daar ongeveer 2 minuten. Vervolgens verplaatste die Tomtom zich naar een parkeerplaats voor het gezondheidscentrum in Almere, waar hij weer is uitgezet. Om 20.22 uur peilde de telefoon van [verdachte] weer uit op de Hogering te Almere en begaf zich vervolgens weer in de richting van Amsterdam. Om 20.51 uur werd het kenteken van [medeverdachte] waargenomen door een camera op de Loosdrechtdreef in Amsterdam, in de directe omgeving van de Gaasperplas. Uit registraties van diverse apparaten en camera’s blijkt dat de auto van [medeverdachte] , de tomtom en de telefoon van [verdachte] zich tot 22.30 uur voortdurend in de omgeving Gaasperplas/Gaasp/Weespertrekvaart hebben bevonden. Voorts blijkt daaruit dat de telefoon van [verdachte] omstreeks 23.27 uur bij de Weesperweg in de nabijheid van Muiden uitpeilde, waarna [verdachte] en [medeverdachte] omstreeks 0.00 uur in elkaars aanwezigheid zijn geregistreerd in het tankstation BP aan de rijksweg A1.

De verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte]

[verdachte] en [medeverdachte] hebben beiden bevestigd dat zij in de avond van 13 juni 2011 langdurig met [slachtoffer] hebben rondgereden en dat zij hem die avond rond 23.00 uur in de Weespertrekvaart hebben achtergelaten. Het hof acht hun verklaringen in zoverre, gelet op de bevestiging daarvoor in het overige bewijs, betrouwbaar en zal deze bezigen voor het bewijs.

De betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2]

De verdediging heeft gesteld dat de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] niet betrouwbaar zijn, omdat zij in het donker niet hebben kunnen zien of [verdachte] datgene wat zij vasthield of dat haar vasthield duwde of juist (tevergeefs) uit het water probeerde te trekken, noch of [slachtoffer] (zo hij degene was die in het water lag) al dan niet heeft gezwommen.

Het hof acht de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] echter betrouwbaar. Het hof merkt daaromtrent ten eerste op dat [getuige 1] en [getuige 2] toevallige passanten waren die geen enkele bemoeienis hadden met [verdachte] en/of [medeverdachte] of hetgeen aan de waterkant gaande was. Er bestaat geen reden te twijfelen aan hun oprechtheid. Voorts staat vast dat zij hun waarnemingen hebben gedaan in de avondschemering, net voor het invallen van de duisternis. Uit het feit dat hun waarnemingen omtrent de personen die zij zagen (een Aziatisch uitziende vrouw en een oudere man) en wat er aan het water gebeurde (iets of iemand raakte te water) juist zijn gebleken, leidt het hof af dat sprake was van voldoende licht om dit te kunnen zien. Overigens hebben zowel [verdachte] als [medeverdachte] ook zelf verklaard dat zij een boot op het water hebben gezien. Voorts stelt het hof vast dat de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] consistent zijn, nu [getuige 1] en [getuige 2] in de kern steeds bij hun eerste verklaringen zijn gebleven en beider verklaringen ook op essentiële onderdelen overeenkomen. Die verklaringen houden in dat zij, hoewel zij niet precies konden zien wat er aan de waterkant gebeurde, hebben waargenomen dat er een groot object te water ging, dat kort daarna verdween en dat dit mogelijk een lichaam betrof. Dat is voor [getuige 1] ook aanleiding geweest die avond na zijn thuiskomst de politie te bellen. Weliswaar heeft [getuige 2] zich bij de rechter-commissaris op gerichte vragen daaromtrent voorzichtiger uitgelaten over de vraag of [verdachte] het grote object vasthield, of dat dat andersom was, maar [getuige 2] heeft ook daar verklaard dat hij heeft gezien dat het object na het te water raken even bleef drijven en vervolgens zonk. De onderlinge verschillen tussen de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] laten zich naar het oordeel van het hof verklaren door de ervaringsregel dat waarnemingen van verschillende personen nu eenmaal altijd enigszins van elkaar kunnen verschillen. Wat wordt waargenomen is afhankelijk van waarop de aandacht is gericht.

Tussenconclusies

Het hof trekt uit hetgeen hiervoor is weergegeven de volgende conclusies.

Moment van overlijden

Gelet op de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] , mede inhoudende dat zij na het verdwijnen van het object in het water twee schoenen zagen drijven, waarvan zij er één uit het water hebben gehaald, de plaats van aantreffen van het lichaam van [slachtoffer] , overigens zonder schoenen, en de bevindingen ten aanzien van het postmortale interval gaat het hof ervan uit dat de [getuige 1] en [getuige 2] het moment van het te water raken en onder water gaan van [slachtoffer] hebben waargenomen. Het hof gaat er op grond van dezelfde bewijsmiddelen van uit dat [slachtoffer] in ieder geval niet later kan zijn overleden dan enkele minuten na dit moment, derhalve om ongeveer 23.00 uur. Zo hij toen nog leefde, moet hij immers op dat moment verdronken zijn. Het hof acht het redelijkerwijs uitgesloten dat [slachtoffer] nadien nog levend boven water is gekomen, het water heeft verlaten en op een later moment in dezelfde omgeving weer te water is geraakt en overleden. Niets in het dossier wijst op een dergelijke gang van zaken, die ook overigens buitengewoon onwaarschijnlijk te achten is. Het hof merkt daarbij nog op dat de verklaringen van enkele andere getuigen die menen [slachtoffer] na 13 juni 2011 nog te hebben gezien of gesproken niet stellig zijn ten aanzien van het moment waarop die ontmoetingen en gesprekken hebben plaatsgevonden. Het hof gaat er dan ook van uit dat zij zich hebben vergist.

Moment van het ontstaan van het halsletsel

Gelet op de verklaringen van de deskundigen dat het halsletsel ongeveer één uur of iets korter voor het overlijden moet zijn ontstaan, gaat het hof er voorts van uit dat het halsletsel niet later is ontstaan dan om ongeveer 22.00 uur. Dit brengt met zich dat het letsel niet kan zijn ontstaan rond het moment dat [slachtoffer] te water raakte, zoals bijvoorbeeld door een val op de walkant van de Weespertrekvaart. Het hof wijst deze suggestie van de verdediging dan ook van de hand. Gelet op de verklaring van de getuige [R.N.] , dat zij [slachtoffer] in levende lijve heeft gezien en geen bijzonderheden aan hem heeft waargenomen, gaat het hof er voorts van uit dat dit letsel niet eerder is ontstaan dan nadat het zoontje van [verdachte] bij [R.N.] is afgezet, derhalve om ongeveer 18.30 uur. Hoewel voornoemd halsletsel op zichzelf niet dodelijk hoefde te zijn, acht het hof het uitgesloten dat [slachtoffer] zich met dat letsel nog zou hebben gedragen zoals [R.N.] heeft verklaard.

Moment van het ontstaan van het letsel aan de ribben

Gelet op de verklaring van de getuige [R.N.] gaat het hof ervan uit dat in de (late) middag van 13 juni 2011 de ribben van [slachtoffer] nog niet gebroken waren. Het komt het hof als uiterst onwaarschijnlijk voor dat dergelijk pijnlijk letsel onopgemerkt zou blijven, ook als [slachtoffer] dronken was. Ook overigens ontbreekt in het dossier enige aanwijzing voor een dergelijk letsel van eerdere datum. Het hof leidt daaruit af dat ook het letsel aan de beide ribben in de avond, in elk geval na 18.30 uur, van 13 juni 2011 is ontstaan.

Invloed van alcohol

In het dossier bevinden zich vele verklaringen waaruit kan worden afgeleid dat [slachtoffer] in de laatste periode van zijn leven gewend was aan het dagelijks consumeren van veel alcohol. Gelet op de verklaring van dr. Verschraagen gaat het hof er daarom van uit dat de in zijn bloed aangetroffen hoeveelheid alcohol minder effect op hem heeft gehad dan op de gemiddelde mens. Dat zijn overlijden rechtstreeks aan het alcoholgebruik te wijten is geweest acht het hof daarom uitgesloten.

Conclusie ten aanzien van de doodsoorzaak

Het hof deelt de conclusie van de deskundigen dat het halsletsel, of verwikkelingen ten gevolge daarvan, dan wel verdrinking, of een combinatie van beide tot de dood van [slachtoffer] heeft of hebben geleid en maakt deze conclusie tot de zijne.

De voorlopige conclusie ten aanzien van het ontstaan van het letsel en de betrokkenheid daarbij van [verdachte] en [medeverdachte]

Dr. Kubat heeft verklaard dat het bij [slachtoffer] geconstateerde halsletsel vaak wordt gezien bij schoppen en/of slaan tegen de hals. Er is dan een krachtige lokale inwerking van geweld op de hals. Voor de ribben geldt dat de zesde rib links en de zevende rib rechts beiden zijwaarts waren gebroken. Dit wijst op behoorlijke kracht. Er is dus zowel links als rechts een inwerking van geweld geweest. Het hof concludeert daaruit dat sprake is van drie forse geweldsinwerkingen op drie verschillende plaatsen op het lichaam. Het hof is van oordeel dat dit alles erop duidt dat de bij [slachtoffer] aangetroffen letsels niet het gevolg zijn van een val, maar opzettelijk zijn toegebracht.

Uit voornoemde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat [verdachte] en [medeverdachte] rond 18.30 uur met [slachtoffer] zijn gaan rijden, dat hem op dat moment nog niets mankeerde, dat zij urenlang hebben rondgereden en dat [slachtoffer] om ongeveer 23.00 uur in het water is geraakt. Gezien de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] gaat het hof ervan uit dat [slachtoffer] op het moment dat hij te water raakte reeds was overleden, dan wel dat hij toen (vrijwel) buiten bewustzijn was. Als dat laatste het geval was, moet [slachtoffer] toen en daar zijn verdronken. Het hof verwijst naar zijn overwegingen daaromtrent onder het kopje ‘moment van overlijden’.

Dit betekent dat de bij [slachtoffer] aangetroffen verwondingen zijn toegebracht in de periode die hij met [verdachte] en [medeverdachte] heeft doorgebracht, dat zij hem aan het eind van hun rit naar de waterkant hebben gebracht, dat [verdachte] hem uiteindelijk in (schijnbaar) levenloze toestand in het water heeft laten zakken en dat zij hem daar in het water hebben achtergelaten.

Het hof is van oordeel dat gelet op dit alles sprake is van omstandigheden die de verdachte in hoge mate belasten en die redengevend zijn voor het bewijs dat zij het slachtoffer, samen met de medeverdachte, om het leven heeft gebracht, tenzij zij voor die omstandigheden een aannemelijke verklaring biedt waaruit een andere toedracht naar voren komt.

De verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte]

De verklaring van [verdachte]

heeft zich als verdachte tijdens alle verhoren bij de politie op haar zwijgrecht beroepen. Zij heeft als verdachte pas verklaard ter terechtzitting in eerste aanleg op 22 november 2011 en later op 24 maart 2015. Ook ter terechtzitting in hoger beroep op 4 november 2016 heeft zij een verklaring afgelegd. Haar verklaring in hoger beroep - die in grote lijnen overeenkomt met haar verklaringen in eerste aanleg - houdt het volgende in.

[slachtoffer] is op 13 juni 2011 onverwacht bij mij langs gekomen. Hij is mijn ex-zwager. Toen hij die middag bij mij kwam, had hij niks. Hij was dronken, dat wel. Hij heeft met mijn zoon [[]] gespeeld. Op een gegeven moment wilde [slachtoffer] naar Amsterdam, omdat hij daar een afspraak had. Ik heb [medeverdachte] gebeld om [slachtoffer] weg te brengen en [medeverdachte] vond dat prima. [slachtoffer] , [[]] en ik hebben buiten op [medeverdachte] gewacht. We zijn, nadat [medeverdachte] ons heeft opgepikt, eerst naar mijn dochter (het hof begrijpt: [R.N.] ) gereden om [[]] af te zetten. Ik ben met [medeverdachte] en [slachtoffer] meegereden. Daarna zijn we naar de woning van [medeverdachte] gereden, omdat hij zijn autopapieren was vergeten. We zijn toen alle drie de woning van [medeverdachte] binnengegaan. Er was verder niemand in de woning aanwezig. Daarna zijn we met weer z’n drieën in de auto gestapt en naar Amsterdam gereden.

We zijn nog een tweede keer bij de woning van [medeverdachte] geweest. [slachtoffer] was zijn telefoon bij [medeverdachte] vergeten. We zijn ook toen alle drie in de woning van [medeverdachte] geweest. Ook toen was er niemand anders in de woning. Wij zijn vervolgens weer naar Amsterdam gereden. Ik heb tijdens de autorit geen andere mensen in of bij de auto gezien. We hebben de hele tijd met z’n drieën in de auto gezeten. [slachtoffer] zat achterin. [slachtoffer] heeft aan het begin alleen gezegd dat hij in Amsterdam moest zijn. Op een gegeven moment heeft hij gezegd dat hij een afspraak had in de buurt van de Gaasperplas. Dat heeft hij tegen [medeverdachte] gezegd. [slachtoffer] gaf aanwijzingen aan [medeverdachte] . [slachtoffer] wist het kennelijk ook niet precies, vandaar dat we steeds heen en weer bleven rijden. We zijn daar aan de Weespertrekvaart gestopt. [medeverdachte] en ik hebben [slachtoffer] samen uit de auto geholpen. [slachtoffer] was helemaal scheef gezakt. Hij kon zelf niet meer overeind komen. Toen hij eenmaal uit de auto was, was alles weer goed. Hij liep zelf naar een boom om te plassen. Hij liep normaal. [medeverdachte] is ook gaan plassen. Ik ben toen een sigaret gaan roken. Opeens hoorde ik iets in het water vallen. Daarna riep [slachtoffer] om hulp. Hij hield zich vast aan de zijkant van het water aan een soort balk. Ik stond niet ver bij hem vandaan. Ik ben naar hem toegegaan. Ik ben op een knie gaan zitten en heb mijn hand naar hem uitgestoken. Ook heb ik [medeverdachte] geroepen. [medeverdachte] kwam direct aanrennen. Ik had de hand van [slachtoffer] vast. [medeverdachte] heeft mijn hand losgemaakt van de hand van [slachtoffer] . Toen heb ik [slachtoffer] losgelaten. Ik was bang dat ik in het water zou vallen. Toen ik [slachtoffer] losliet, gleed hij het water in. Ik dacht dat hij kon zwemmen. Ik dacht dat hij wel boven zou komen. [medeverdachte] zei: “Kom we gaan”. [medeverdachte] zei dat de mensen op de boot hem wel zouden helpen.

De verklaringen van [medeverdachte]

heeft bij de politie en bij de rechter-commissaris verklaringen afgelegd die voor wat betreft het ophalen en rondrijden in grote lijn gelijk zijn aan die van [verdachte] . Er is echter op onderdelen ook sprake van aanzienlijke verschillen tussen hun verklaringen. [medeverdachte] heeft in het bijzonder het volgende verklaard.

[verdachte] heeft hem gevraagd [slachtoffer] naar Amsterdam te brengen en is zelf meegereden. Nadat zij eerst het zoontje van [verdachte] bij haar dochter hebben afgezet, zijn zij gaan rijden zoals uit de technische gegevens in het dossier blijkt. Ze zijn eerst langs het huis van [medeverdachte] gereden, omdat hij zijn autopapieren was vergeten en later nog een keer, omdat volgens [verdachte] iemand geld zou komen brengen voor [medeverdachte] . Toen na enige tijd bleek dat die persoon niet kwam opdagen, zei [verdachte] dat ze weer konden gaan rijden. [verdachte] vertelde [medeverdachte] hoe hij moest rijden, niet [slachtoffer] . [slachtoffer] had een afspraak bij het hotel bij de Gaasperplas. [verdachte] is onderweg bij [slachtoffer] op de achterbank gaan zitten. Een tijdje later wilde zij weer voorin komen zitten. Net daarna viel [slachtoffer] met een plof van de achterbank, dat was op de A9. Het was een redelijke klap. [medeverdachte] hoorde een soort gorgel en een bonk. [medeverdachte] heeft tegen [slachtoffer] gezegd dat hij rechtop moest gaan zitten. [medeverdachte] hoorde toen allerlei rare geluiden. [medeverdachte] is gestopt en heeft het achterportier geopend. [slachtoffer] lag toen op de bodem tussen de voorstoelen en de achterbank, met zijn benen omhoog tegen het portier dat [medeverdachte] opende. [slachtoffer] schopte naar [medeverdachte] . [medeverdachte] heeft de deur toen weer dichtgedaan en is verder gereden. Later gaf [slachtoffer] aan dat hij moest plassen. [medeverdachte] heeft de auto geparkeerd en heeft [slachtoffer] uit de auto geholpen. [slachtoffer] liep eerst moeilijk en leunde op [medeverdachte] , later liep hij zelf. [slachtoffer] liep naar wat bomen. [medeverdachte] keek verder niet naar hem, omdat hij aan de andere kant van de weg ging plassen. Toen hoorde hij [verdachte] ineens om hulp roepen. Zij riep dat [slachtoffer] haar het water in trok. [medeverdachte] is er, nadat hij klaar was met plassen, heengerend. Hij zag [verdachte] plat op haar buik liggen. [slachtoffer] had haar been vast en probeerde haar uit alle macht in het water te trekken. [medeverdachte] heeft de vingers van [slachtoffer] losgemaakt van het been van [verdachte] en heeft [slachtoffer] zijn hand aangeboden. In plaats van zijn hand aan te nemen spetterde [slachtoffer] water naar hem en zwom weg. [medeverdachte] heeft hem nog geroepen. [slachtoffer] zwom naar de boot die aan de overkant van het water lag. De mensen op de boot hebben een stok uitgestoken. [medeverdachte] heeft gezien dat [slachtoffer] die stok vastpakte. [medeverdachte] dacht daarom dat [slachtoffer] veilig was. Toen zijn ze weggegaan. Hij herinnerde zich ook dat [slachtoffer] zijn schoenen heeft uitgetrokken en zelf in het water heeft gegooid.

[medeverdachte] heeft ook verklaard dat hij door [verdachte] en haar zoons onder druk is gezet om te verklaren dat ze richting Amsterdam zijn gereden, via welke route ze zijn gereden en dat [slachtoffer] is uitgestapt bij een parkeerterrein of een camping bij de Gaasperplas.

De aannemelijkheid van voornoemde verklaringen

Het hof stelt vast dat de verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte] op essentiële onderdelen van elkaar verschillen. In het bijzonder doelt het hof op de verklaring van [medeverdachte] dat [slachtoffer] in de auto van de achterbank zou zijn gevallen, kort nadat [verdachte] bij hem achterin had gezeten, welke verklaring [verdachte] heeft betwist. Ook wijst het hof op de verschillen in hun verklaringen over wat er aan de waterkant is gebeurd. Voorts constateert het hof dat voor beide verklaringen geldt dat deze niet te rijmen zijn met de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] . Het hof acht het op grond van die verklaringen uitgesloten dat [slachtoffer] op het moment van te water raken nog bij vol bewustzijn was en om hulp riep, zoals [verdachte] heeft verklaard. Tevens acht het hof het uitgesloten dat [slachtoffer] in de richting van de boot is gezwommen en dat hem vanaf de boot een stok is toegestoken, zoals [medeverdachte] heeft verklaard. Voor het overige wekken de verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte] slechts bevreemding. Met name blijft onduidelijk waarom urenlang met [slachtoffer] is rondgereden en hoe zijn letsels zijn ontstaan.

De verklaring van [verdachte] biedt voorts geen enkel aanknopingspunt dat [slachtoffer] letsel zou hebben opgelopen, doordat hij onderweg een of meerdere keren is gevallen. Die verklaring biedt wel een aanknopingspunt voor een val op het moment van het te water raken van [slachtoffer] , maar het hof acht het, als gezegd, uitgesloten dat het letsel pas op dat moment kan zijn ontstaan. De verklaring van [medeverdachte] biedt wel een aanknopingspunt voor een val van de achterbank van de auto, maar het hof acht het uitgesloten dat bij één val van een dergelijke geringe hoogte in een zeer beperkte ruimte zowel de bloedingen in de hals, als de breuken van de ribben aan zowel de linker- als de rechterzijde kunnen zijn ontstaan.

Eindconclusie

Gelet op al het voorgaande is het hof van oordeel dat [verdachte] geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor de feiten en omstandigheden die uit de bewijsmiddelen naar voren komen. Aldus komt het hof tot de conclusie dat zij voor de hiervoor bedoelde feiten en omstandigheden geen redelijke verklaring heeft gegeven die de redengevendheid van die feiten en omstandigheden voor het bewijs ontzenuwt. Het hof acht dan ook bewezen dat de verdachte zich, samen met de medeverdachte, heeft schuldig gemaakt aan doodslag op [slachtoffer] .

Het hof overweegt omtrent het medeplegen nog het volgende.

Het hof stelt voorop dat om als medepleger te kunnen worden aangemerkt sprake moet zijn geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen ter verwezenlijking van een gezamenlijk crimineel doel. Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. De kwalificatie medeplegen is slechts dan gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Een gezamenlijke uitvoering van het strafbare feit leidt in beginsel tot de kwalificatie ‘medeplegen’.

Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is niet duidelijk geworden op welk moment het letsel aan [slachtoffer] is toegebracht, door wie en op welke wijze hem het letsel feitelijk is toegebracht, op welk moment [slachtoffer] is overleden, noch of [slachtoffer] aan het letsel is overleden of dat hij is verdronken. Wel staat vast dat genoemd letsel is toegebracht tussen ongeveer 18.30 uur en 22.00 uur en dat [verdachte] en [medeverdachte] in die periode voortdurend met [slachtoffer] onderweg waren. Geen van hen heeft verklaard dat sprake is geweest van een ontmoeting met enig ander. Voor betrokkenheid van derden biedt het dossier ook overigens geen enkel aanknopingspunt. Dit leidt het hof tot de conclusie dat het letsel, dat het gevolg is geweest van meerdere geweldsimpacten, feitelijk is toegebracht door [verdachte] , door [medeverdachte] of door hen beiden tezamen. Hoewel niet kan worden vastgesteld wat hierbij de onderlinge taakverdeling is geweest, staat vast dat beiden aanwezig waren op de plaats waar en het moment waarop, het letsel aan [slachtoffer] werd toegebracht en dat beiden daarvan wetenschap hebben gehad. Ook staat vast dat [slachtoffer] maximaal één uur na het toebrengen van dat letsel is overleden. Of dat nu is geschied onderweg naar de Weespertrekvaart of kort na het moment waarop [slachtoffer] in het water is beland, is daarbij niet van belang. Van belang is dat [medeverdachte] en [verdachte] steeds, zoals ook uitdrukkelijk door [verdachte] is verklaard, samen zijn gebleven en hebben samengewerkt, ook nadat het letsel aan [slachtoffer] is toegebracht. Zij zijn immers na het toebrengen van het letsel met hem (verder) gereden en hebben hem of zijn dode lichaam naar de Weespertrekvaart gebracht. Daar heeft [verdachte] hem of zijn dode lichaam, terwijl [slachtoffer] zich (half) in het water bevond, losgelaten. [verdachte] en [medeverdachte] hebben hem daar vervolgens in het water achtergelaten en zijn weggereden. Geen van hen beiden heeft zich op enig moment van de situatie gedistantieerd, terwijl daar wel gelegenheid voor is geweest. Op grond hiervan is het hof van oordeel dat [verdachte] en [medeverdachte] vanaf 18.30 uur tot aan de dood van [slachtoffer] nauw en bewust met elkaar hebben samengewerkt, welke samenwerking was gericht op het doden van [slachtoffer] .

Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen is het hof van oordeel dat het handelen van [verdachte] en [medeverdachte] die avond gericht is geweest op de dood van [slachtoffer] . Het hof acht, ook als [verdachte] het letsel niet zelf heeft toegebracht en ook als [slachtoffer] reeds was overleden op het moment dat [verdachte] hem in het water liet zakken, bewezen dat zij zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van doodslag op [slachtoffer] .

Geen voorbedachte raad

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan dat [verdachte] zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit [slachtoffer] van het leven te beroven en dat zij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. [verdachte] moet aldus de gelegenheid hebben gehad over de betekenis en de gevolgen van de voorgenomen levensberoving na te denken en zich daarvan rekenschap te geven. Op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is niet komen vast te staat door wie en op welke wijze het letsel aan [slachtoffer] is toegebracht, zodat reeds daarom niet vaststaat dat [verdachte] gelegenheid heeft gehad tot nadenken over en zich rekenschap heeft gegeven van de mogelijke gevolgen van haar handelen.

Met de advocaat-generaal en de verdediging is het hof dan ook van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat [verdachte] met voorbedachte raad heeft gehandeld, zodat [verdachte] van de haar ten laste gelegde moord op [slachtoffer] zal worden vrijgesproken.

Voorwaardelijk verzoek

De verdediging heeft bij pleidooi het voorwaardelijk verzoek gedaan tot het uitvoeren van een nieuwe reconstructie. Het pleidooi houdt op dit punt het volgende in:

120. Wij verzoeken Uw Hof dan ook in beginsel uit te gaan van de conclusies zoals door de Rechtbank in 2012 getrokken nadat de reconstructie heeft plaatsgevonden. Nieuw bewijsmateriaal wat deze conclusies weerspreekt is immers niet aan het dossier toegevoegd.

121. Indien u deze bevindingen van de hand wijst dan doet de verdediging het voorwaardelijke verzoek om een nieuwe reconstructie. (…)

De ‘conclusies van de rechtbank in 2012’, waar de verdediging op doelt, zijn verwoord in een aan het proces-verbaal van de terechtzitting van 29 maart 2012 gehechte ‘bijlage 3’.

De rechtbank overweegt hierin als volgt:

19. Welke conclusies trekt de rechtbank? De doodsoorzaak van [slachtoffer] is niet komen vast te staan. De verdachten stellen dat [slachtoffer] leefde toen hij in het water terecht kwam. Deze lezing wordt niet betwist door de getuigen en evenmin door het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut. [verdachte] had met [slachtoffer] fysiek contact terwijl deze deels in het water aanwezig was. Er kan niet blijken dat [verdachte] [slachtoffer] in het water heeft gegooid of geworpen. Evenmin is komen vast te staan dat [medeverdachte] dat heeft gedaan. Kortom: het staat niet vast dat zij beiden of dat één van hen opzettelijk [slachtoffer] van het leven hebben beroofd. Daarom kunnen er niet langer ernstige bewaren tegen hen worden aangenomen. De voorlopige hechtenis moet dan ook voor hen beiden worden opgeheven.

Voor zover de rechtbank in deze overwegingen onder woorden heeft gebracht dat op grond van de bewijsmiddelen niet vaststaat dat [slachtoffer] door beiden of één van hen opzettelijk van het leven is beroofd, acht het hof deze vaststelling onjuist. In zoverre is de voorwaarde waaronder door de verdediging het verzoek om een nieuwe reconstructie is gedaan, vervuld.

Bij de beoordeling van het verzoek neemt het hof het volgende in aanmerking.

Naar aanleiding van een ter terechtzitting in hoger beroep van 13 januari 2016 gedaan verzoek van de verdediging om een nieuwe reconstructie te doen uitvoeren heeft het hof ter terechtzitting van 27 januari 2016 als volgt beslist:

Het hof wijst af het verzoek tot het houden van een nieuwe reconstructie, nu het hof dit niet noodzakelijk acht. Het hof overweegt hieromtrent dat de ervaring leert dat met de uitvoering van een reconstructie meerdere uren zijn gemoeid. Zo zullen bijvoorbeeld getuigen afzonderlijk hun waarnemingen moeten doen. Reeds hierom is het onmogelijk om een reconstructie te laten plaatsvinden onder precies dezelfde omstandigheden als waarvan destijds (op 13 juni 2011 omstreeks 22.30 en 23.00 uur) sprake was. Het hof laat dan nog daar dat de variabelen die op de waarneming (lees: van invloed zijn) zoals het weer, bewolking en omgevingslicht in een reconstructie niet zijn te beïnvloeden.

Hetgeen door de verdediging thans ten grondslag is gelegd aan het verzoek tot het doen uitvoeren van een nieuwe reconstructie geeft het hof geen aanleiding om terug te komen op hetgeen hieromtrent reeds op 27 januari 2016 is beslist. Het hof wijst het verzoek af.

Overwegingen en oordeel van het hof ten aanzien van feit 4

De verdediging heeft ten aanzien van feit 4 - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. De bewezenverklaring voor dit feit stoelt in belangrijke mate op de stemherkenning van [verdachte] door een verbalisant. Voor een betrouwbare stemherkenning is nodig dat deze wordt verricht door iemand die ter zake deskundig is. Nu daarvan bij de desbetreffende verbalisant niet blijkt, is de stemherkenning onbetrouwbaar. De enkele omstandigheid dat van het thuisnummer van [verdachte] is gebeld, is onvoldoende om te spreken van een betrouwbare stemherkenning. Bovendien is de aangifte door [medeverdachte] ingegeven door hetgeen de verbalisanten hem hebben verteld, te weten dat [verdachte] zich voordoet als Natascha, door welke informatie [medeverdachte] overtuigd is geraakt van het ten laste gelegde. Ook van dit feit dient [verdachte] derhalve te worden vrijgesproken.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het verweer moet worden verworpen en dat bewezen kan worden dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de als feit 4 ten laste gelegde oplichting van [medeverdachte] .

Het hof overweegt met betrekking tot de bewijswaarde van het proces-verbaal, waarin is gerelateerd dat op basis van stemherkenning is vastgesteld dat de verdachte zich in telefoongesprekken tegenover [medeverdachte] voordeed als Natascha, als volgt.

Zoals ook door de verdediging is erkend, volgt noch uit de wet noch uit jurisprudentie dat voor het herkennen van een stem een bijzondere kennis of kunde is vereist. Het hof is voorts van oordeel dat geen reden bestaat aan de onderhavige stemherkenning te twijfelen. Nog daargelaten dat door [verdachte] niet is weersproken dat zij telefoongesprekken met [medeverdachte] heeft gevoerd, vindt de stemherkenning steun in het gegeven dat deze gesprekken uitsluitend met de huistelefoon [nummer] van [verdachte] zijn gevoerd. Nu ook overigens geen omstandigheden zijn aangevoerd dan wel anderszins gebleken die tot het oordeel moeten leiden dat de stemherkenning als onbetrouwbaar moet worden aangemerkt, zal het hof het proces-verbaal van verbalisant T 309 van 16 augustus 2011 bezigen tot het bewijs.

Voor zover de verdediging nog heeft betoogd dat de aangifte van [medeverdachte] is ingegeven door hetgeen verbalisanten hem omtrent de verdachte hebben verteld, leidt dit niet tot een ander oordeel, reeds omdat de aangifte steun vindt in de overigens te bezigen bewijsmiddelen.

Het verweer wordt dan ook op alle onderdelen verworpen.

Evenals de rechtbank acht het hof het onder 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Het hof acht - anders dan de rechtbank - alleen bewezen de door ‘Natascha’ gepleegde oplichting, omdat de aangifte van [medeverdachte] voor deze oplichting steun vindt in andere bewijsmiddelen. Dit brengt mee dat bewezen wordt verklaard oplichting in de periode van 30 mei 2011 tot en met 31 juli 2011.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

onder 1 primair:
zij op 13 juni 2011 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, door toen en daar opzettelijk zodanig geweld of kracht op de hals van die [slachtoffer] uit te oefenen dat de cricoïd in zijn hals is gebroken en/of door die [slachtoffer] (vervolgens) in het water van de Weespertrekvaart te laten glijden, ten gevolge van welke handeling(en) die [slachtoffer] is overleden;

onder 4:
zij op tijdstippen in de periode van 30 mei 2011 tot en met 31 juli 2011 in Nederland, telkens met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam, [medeverdachte] heeft bewogen tot de afgifte van geldbedragen, hebbende zij, verdachte, toen en daar telkens met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk

- die [medeverdachte] opgebeld en zich voorgesteld als Natascha en

- zich voordoende als Natascha meermalen aan die [medeverdachte] om geldbedragen gevraagd ten behoeve van die advocaat en

- daarbij telkens gezegd dat die [medeverdachte] die geldbedragen niet aan haar, Natascha, kon geven maar dat hij het geld aan Annika zijnde zij, verdachte, moest geven, waardoor voornoemde [medeverdachte] telkens werd bewogen tot bovenomschreven afgiften.

Hetgeen onder 1 primair (impliciet subsidiair) en 4 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Bewijsmiddelen feit 4

Het hof neemt ten aanzien van feit 4 over de bewijsmiddelen zoals vermeld in de aanvulling verkort vonnis waarvan beroep, zoals weergegeven op pagina 40 t/m 43. Het hof somt de bewijsmiddelen die door de rechtbank niet zijn genummerd, voor de duidelijkheid hieronder op.

  1. Een proces-verbaal van aangifte van 21 september 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren T-315 en T-316 met bijlagen (dossierpagina 9509 e.v.).

  2. Een proces-verbaal van bevindingen van 16 augustus 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar T-309 met bijlagen (dossierpagina 5141 e.v.).

Het hof voegt daaraan na te noemen geschriften als bewijsmiddelen toe:

3. Een rekeningafschrift 31 mei 2011 van een rekening van [medeverdachte] met rekeningnummer [nummer] (dossierpagina 9137), waaruit blijkt dat op 30 mei 2011 € 500,00 is opgenomen.

4. Een rekeningafschrift 30 juni 2011 van een rekening van [medeverdachte] (dossierpagina 9144), waaruit blijkt dat op 23 juni 2011 € 650,00 is opgenomen, op 20 juni 2011 € 150,00 en 7 juni 2011 € 430,00.

5. Een rekeningafschrift 2 juni 2011 van een rekening van [medeverdachte] met rekeningnummer [nummer] (dossierpagina 9180), waaruit blijkt dat op 31 mei 2011 € 350,00 is opgenomen.

6. Een rekeningafschrift 4 juli 2011 van een rekening van [medeverdachte] met rekeningnummer [nummer] (dossierpagina 9182), waaruit blijkt dat op 3 juni 2011 € 140,00 is opgenomen en op 7 juni 2011 € 50,00.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 primair (impliciet subsidiair) en 4 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 primair (impliciet subsidiair) bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van doodslag.

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

oplichting, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Voorwaardelijk verzoek

De verdediging heeft bij pleidooi een voorwaardelijk verzoek gedaan tot benoeming van een deskundige en deze op te dragen:

a. een intelligentieonderzoek ten aanzien van de verdachte uit te voeren en

b. een uitspraak te doen over de vraag of de verdachte bij de deelneming aan dit onderzoek fraudeert.

Het pleidooi houdt op dit punt het volgende in:

27. Uw Hof heeft ter zitting 4 november de verklaring van de ex van cliënte voorgehouden, waaruit zou blijken dat cliënte zich minder intelligent zou voordoen dan dat ze zou zijn. Feit is dat twee deskundigen conclusies trekken op basis van een intelligentieonderzoek en feit is ook dat [D.B.] geen deskundige is op het gebied van intelligentieonderzoeken. Wij gaan er ook zonder meer van uit dat als cliënte zou frauderen met deze test de onderzoeker dit zou moeten hebben gemerkt. Nu daar geen aanwijzingen voor zijn, stellen wij ons op het standpunt dat Uw Hof geen reden heeft om aan deze vaststellingen te twijfelen. Indien Uw Hof deze twijfels wel zou hebben dan doen wij het (voorwaardelijk) verzoek om de zaak aan te houden en te bevelen dat er een intelligentieonderzoek zal plaatsvinden door een deskundige die Uw Hof aanwijst en die uitspraken kan doen over de vraag of er gefraudeerd wordt of niet.

De voorwaarde waaronder het verzoek is gedaan, luidt: indien het hof twijfels zou hebben omtrent enige vaststellingen (van de verdediging), te weten: dat er geen aanwijzingen zijn voor door de verdachte gepleegde fraude ten aanzien van het intelligentieonderzoek.

Het Pro Justitia rapport van G.M. Jansen, GZ-psycholoog, van 3 februari 2012 vermeldt op dit punt onder meer:

(Pagina 11) Er zijn op basis van haar inzet tijdens de tests vermoedens voor onderpresteren. Zo bleek betrokkene tijdens de test de meest eenvoudige woorden niet te begrijpen (“gisteren, dat is toch overmorgen”) terwijl ze dit woord in het gesprek wel adequaat hanteert. Betrokkene zegt zelfs de meest eenvoudige rekensommen (zoals 2+4) niet te kunnen beantwoorden, terwijl ze tegelijkertijd aangeeft in het dagelijks leven haar eigen boodschappen te doen en geen moeite te ondervinden met betalen. Mogelijk dat het gebruik van kalmerende medicatie voorafgaand aan het onderzoek haar prestaties ook gedrukt hebben naast emotionele factoren als angst opgeroepen door haar huidige detentiesituatie.

Het hof overweegt hieromtrent dat de door de psycholoog geuite vermoedens voor onderpresteren door de verdachte bij de uitvoering van de tests, door deze deskundige niet zijn aangemerkt als vermoedens van frauduleus handelen. Het hof heeft geen aanleiding om af te wijken van hetgeen de deskundige op dit punt heeft bevonden. Ook overigens bevatten de omtrent de verdachte opgemaakte rapportage geen elementen die tot een ander oordeel zouden dienen te leiden. Nu de voorwaarde waaronder het verzoek is gedaan niet is vervuld, behoeft het verzoek geen verdere bespreking.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 primair en 4 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Er is onderzoek gedaan naar de persoon van de verdachte, te weten een psychologisch onderzoek van 3 februari 2012 door drs. G.M. Jansen en een psychiatrisch onderzoek van 8 februari 2012 door dr. L.H.W.M. Kaiser.

Het hof leidt uit het Psychiatrisch Pro Justitia rapport af dat bij de verdachte sprake is van een lichte zwakzinnigheid, die zich met name manifesteert in haar beperkte verbaliserend vermogen, kinderlijkheid en primitieve reacties. Over het algemeen kan een verstandelijke beperking zich naast de verminderde intellectuele capaciteiten manifesteren in beperkingen in de persoonlijkheid, die bij de verdachte ook aanwezig zijn: met name een beperkte emotionele rijping, een beperkte sociale weerbaarheid, omdat zij de consequenties niet kan overzien en beperkingen in de adaptieve vaardigheden. Aangezien de verdachte slechts beperkt aan het onderzoek heeft meegewerkt, heeft de psychiater geen uitspraken kunnen doen over de geestvermogens van de verdachte. In het toestandsbeeld is geen stoornis aangetroffen.

Het hof leidt uit het Psychologisch Pro Justitia rapport af dat de verdachte ondanks haar toezegging mee te willen werken slechts beperkt heeft meegewerkt aan het onderzoek. Er zijn aanwijzingen voor een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van lichte zwakzinnigheid. Het onderzoek was te beperkt om een goed zicht op haar persoonlijkheid te verkrijgen, met name op haar impulscontrole, agressieregulatie, gewetensfuncties, affecten, reacties op krenkingen en afwijzingen, zelfgevoel en haar relaties. Haar persoonlijkheid maakte op basis van het beperkte onderzoek over het geheel genomen een onrijpe indruk. In haar persoonlijkheid zijn afhankelijke trekken onderkend, die samenhangen met haar verstandelijke beperking. Aangezien de verdachte niet heeft willen spreken over het tenlastegelegde, is geen inzicht verkregen op haar psychische situatie, gedachten gevoelens en gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde en de mogelijke doorwerking van haar gebrekige ontwikkeling op het tenlastegelegde en in welke mate.

Het hof is dan ook van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn de verdachte in verminderde mate verantwoordelijk te houden voor het ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit. De verdachte is daarom als volledig toerekeningsvatbaar te beschouwen.

Het door de raadsman aan zijn pleitnotitie gehechte psychologisch onderzoek van de Symfora groep van 29 oktober 2007 brengt het hof niet tot een andere conclusie. Uit de test blijkt dat het intellectuele niveau van de verdachte laag blijft, maar dat het goed mogelijk is dat de problemen waarmee de verdachte destijds (in 2007) te kampen had de resultaten negatief hebben beïnvloed. Datzelfde geldt voor het door de raadsman overgelegde intelligentieonderzoek van 23 september 2016. Daaruit blijkt dat sprake is van een zeer laag intelligentieniveau, dat de noodzaak tot praktische ondersteuning bij de dagelijkse taken doet vermoeden. Voor verdergaande conclusies, zoals door de raadsman is gesuggereerd, bieden voornoemde onderzoeken geen grond.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte vrijgesproken voor het onder 2 en 3 ten laste gelegde en heeft haar voor het in eerste aanleg onder 1 primair (impliciet subsidiair) en 4 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren met aftrek van de tijd die zij voor de tenuitvoerlegging van die uitspraak in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de rechtbank beslissingen genomen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partijen.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 primair (impliciet subsidiair) en onder 4 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren met aftrek van de tijd die zij voor de tenuitvoerlegging van die uitspraak in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De advocaat-generaal heeft ten slotte gevorderd dat het hof de beslissingen van de rechtbank met betrekking tot de benadeelde partijen bevestigt.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

[verdachte] heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan doodslag op [slachtoffer] , de broer van haar ex-partner. [verdachte] en [medeverdachte] hebben in de avond van 13 juni 2011 urenlang met het slachtoffer [slachtoffer] rondgereden tussen Almere en Amsterdam. Een aannemelijke verklaring voor die reisbewegingen is door hen nooit gegeven. Vooropgesteld wordt dat veel van wat er die avond is gebeurd nog steeds onduidelijk is en ook zal blijven. Wel is komen vast te staan dat op enig moment tijdens die lange autorit ernstig letsel bij [slachtoffer] is toegebracht en dat dit letsel moet zijn toegebracht door [verdachte] of [medeverdachte] of door beiden tezamen. Ook is komen vast te staan dat [verdachte] [slachtoffer] omstreeks 23.00 uur in het water van de Weespertrekvaart heeft laten glijden, waarna hij - zo hij toen nog niet al ten gevolge van het toegebrachte letsel was overleden - kort daarna is verdronken. [verdachte] heeft geen inzicht gegeven in hetgeen toen en daar tussen hun drieën is voorgevallen. De nabestaanden van [slachtoffer] zullen daardoor in het duister blijven tasten omtrent het hoe en waarom van [slachtoffer] dood.

De verdachte heeft zich door zo te handelen samen met een ander schuldig gemaakt aan één van de zwaarste misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent. Daarbij is het slachtoffer, zelf vader van een nog jong kind, het meest fundamentele recht, namelijk het recht op leven, ontnomen.

Het behoeft geen betoog dat het overlijden van het slachtoffer diepe wonden heeft geslagen in de levens van diens nabestaanden en dierbaren. Zij zullen de gevolgen van dit verlies voor altijd met zich meedragen. Feiten als deze schokken de rechtsorde en versterken gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij.

Dit alles acht het hof buitengewoon ernstig en rekent het de verdachte zwaar aan.

[verdachte] heeft zich voorts schuldig gemaakt aan oplichting. Zij heeft door het aannemen van een valse naam gedurende een korte periode [medeverdachte] bewogen tot de afgifte van geldbedragen. Door zo te handelen heeft zij [medeverdachte] financiële schade berokkend.

Het hof heeft ten slotte kennis genomen van de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 4 november 2016, waaruit blijkt dat zij eerder - zij het geruime tijd geleden en voor andersoortige strafbare feiten - onherroepelijk is veroordeeld.

Bij de straftoemeting is onontkoombaar dat aan de verdachte een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd. De ernst van het feit noopt hier bepaaldelijk toe. De op te leggen straf is wel lager dan de door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf. Het hof betrekt bij zijn oordeel dat de advocaat-generaal [verdachte] als de drijvende kracht bij de levensberoving van [slachtoffer] ziet en de rol van [medeverdachte] als een passievere ( [medeverdachte] zou de auto hebben bestuurd en een en ander hebben laten gebeuren). Het hof ziet, gelet op de bewezenverklaring en op de nog steeds bestaande onduidelijkheden omtrent het moment, de wijze waarop en door wie het letsel aan [slachtoffer] is toegebracht alsmede ten aanzien van wat er precies aan de waterkant is voorgevallen, echter geen grond om de rollen van [verdachte] en [medeverdachte] niet gelijkelijk te waarderen.

Het hof ziet ten slotte in de bewezenverklaring voor feit 4, gelet op de beperkte duur en de - afgezet tegen de bewezenverklaring voor feit 1 - beperkte ernst, geen grond om een hogere straf op te leggen dan hieronder is vermeld.

De benadeelde partijen

Vooropgesteld wordt dat de wet nabestaanden slechts een beperkt recht geeft op vergoeding van de materiële en de immateriële schade. Voor vergoeding van de materiële schade komen alleen de in artikel 6:108, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) genoemde schadeposten in aanmerking, te weten vergoeding van kosten voor levensonderhoud waarin de overledene voorzag en vergoeding van redelijke kosten van lijkbezorging. Voor vergoeding van immateriële schade is alleen plaats indien:

  • -

    vastgesteld kan worden dat de verdachte het oogmerk had om de nabestaanden leed en verdriet toe te brengen, zoals bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, sub a BW of

  • -

    er sprake is van shockschade, zoals bedoeld in 6:106, eerste lid, sub b BW. Hiervan is slechts sprake bij geestelijk letsel in de zin van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, dat is ontstaan door het waarnemen van de gebeurtenis waardoor het slachtoffers is overleden of de directe confrontatie met de ernstige gevolgen daarvan.

Vordering van de benadeelde partij [moeder]

De benadeelde partij, moeder van het slachtoffer, heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag € 10.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 juni 2011. De benadeelde partij is bij vonnis niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. Zij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Naar het oordeel van het hof behoeft het geen enkel betoog dat het onder 1 bewezen verklaarde handelen van de verdachte leed en verdriet heeft toegebracht aan de benadeelde partij. Op grond van de stukken in het dossier kan echter niet blijken dat het handelen van de verdachte daarop - het toebrengen van leed en verdriet aan de benadeelde partij - was gericht. Aanknopingspunten voor shockschade zijn er evenmin. De benadeelde partij kan daarom niet worden ontvangen in de vordering en kan deze slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Vordering van de benadeelde partij [zus 1]

De benadeelde partij, zus van het slachtoffer, heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 26.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 juni 2011. Haar vordering bestaat uit een materiële schadepost (€ 16.500,00) en een immateriële schadepost

(€ 10.000,00). De benadeelde partij is bij vonnis niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. Zij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Het hof overweegt dat de gevorderde vergoedingen niet voldoen aan de strenge eisen die daaraan in de wet worden gesteld. Voor wat betreft de materiële schade geldt dat kosten voor het bezoeken van haar neefje tot diens 18e jaar gelet op het bepaalde in artikel 6:108, tweede lid, BW niet voor vergoeding in aanmerking komen. Voor wat betreft de immateriële schade geldt, zoals hiervoor al is overwogen, dat het op zich zelf geen enkel betoog behoeft dat het onder 1 bewezen verklaarde handelen van de verdachte leed en verdriet heeft toegebracht aan de benadeelde partij. Op grond van de stukken in het dossier kan echter niet blijken dat het handelen van de verdachte daarop - het toebrengen van leed en verdriet aan de benadeelde partij - was gericht. Aanknopingspunten voor shockschade zijn er evenmin. De benadeelde partij kan daarom niet worden ontvangen in de vordering en kan deze slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Vordering van de benadeelde partij [zus 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot materiële schadevergoeding van € 482,93, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 juni 2011. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair (impliciet subsidiair) bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [medeverdachte]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot materiële schadevergoeding van € 7.950,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 4 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is de vordering niet toewijsbaar omdat de verdachte ter zake van het handelen waardoor de schade is veroorzaakt niet wordt veroordeeld. In zoverre kan de benadeelde partij daarom niet in de vordering worden ontvangen en kan zij deze slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 47, 57, 287 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 en 3 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair (impliciet subsidiair) en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair (impliciet subsidiair) en 4 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [moeder]

Verklaart de benadeelde partij [moeder] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Vordering van de benadeelde partij [zus 1]

Verklaart de benadeelde partij [zus 1] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Vordering van de benadeelde partij [zus 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [zus 2] ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 482,93 (vierhonderdtweeëntachtig euro en drieënnegentig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd

[zus 2] , ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 482,93 (vierhonderdtweeëntachtig euro en drieënnegentig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 9 (negen) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 13 juni 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Vordering van de benadeelde partij [medeverdachte]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [medeverdachte] ter zake van het onder 4 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.170,00 (tweeduizend honderdzeventig euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [medeverdachte] , ter zake van het onder 4 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 2.170,00 (tweeduizend honderdzeventig euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 31 (eenendertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.E.M. Röttgering, mr. P.A.M. Hoek en mr. H.S.G. Verhoeff, in tegenwoordigheid van mr. J. Mulder, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 december 2016.