Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:5173

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-10-2016
Datum publicatie
25-01-2017
Zaaknummer
23-001490-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Boilerroom. De verdachte heeft samen met anderen buitenlandse beleggers bewogen tot afgifte van grote geldbedragen in ruil voor aandelen in Amerikaanse vennootschappen waarvan de waarde veel lager bleek te zijn dan de daarvoor betaalde bedragen. De aandelen bleken bovendien niet verkoopbaar. Voorts heeft de verdachte zijn ontvangen provisie witgewassen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer: 23-001490-15

datum uitspraak: 21 oktober 2016

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 30 maart 2015 in de strafzaak onder parketnummer 13-845101-07 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1976,

adres: [adres 1] .

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat een drietal vormverzuimen zijn begaan, die op zichzelf dan wel in onderling verband bezien tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging dienen te leiden. Het betreft de ernstige overschrijding van de redelijke termijn, de onrechtmatige stelselmatige informatie-inwinning door een informant en de ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte, doordat de officier van justitie identificerende persoonsgegevens aan de curator heeft verstrekt, aldus de raadsvrouw.

Het hof verenigt zich met hetgeen de rechtbank met betrekking tot de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in paragraaf 3.2.3 (onder het kopje “Het oordeel van de rechtbank”) van het vonnis waarvan beroep heeft overwogen en neemt deze overwegingen over. Indien de officier van justitie aan de curator het adres van de verdachte zou hebben verschaft, staat dat aan de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie niet in de weg.

Het hof verwerpt aldus de in hoger beroep gevoerde niet-ontvankelijkheidsverweren.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

7 oktober 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

feit 1:
hij, op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 mei 2006 tot en met 4 november 2007 te Amsterdam en/of (elders) in Nederland, Spanje, Verenigd Koninkrijk (Engeland) en/of Zweden tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft/hebben gemaakt, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededaders voorwerpen, te weten (een) geldbedrag(en) van in totaal 965.000 dollar, althans enig(e) geldbedrag(en), (telkens) voorhanden gehad en/of overgedragen en/of daarvan gebruik gemaakt, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) dat dit/die geldbedrag(en) geheel of gedeeltelijk - middellijk of onmiddellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

feit 2 primair:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 4 augustus 2006 tot en met

4 november 2007, te Amsterdam en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) opzettelijk met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, de hierna genoemde (rechts)personen één of meermalen heeft bewogen tot de afgifte van (een) geldbedrag(en), in elk geval enig goed, te weten van:

- [bedrijf 1] , een (totaal)bedrag van US$ 2.405.081,20 althans enig geldbedrag

- [slachtoffer 1] , een (totaal)bedrag van US$ 317.508,- althans enig geldbedrag en/of

- [slachtoffer 2] , een (totaal) bedrag van US $ 146.493,- althans enig geldbedrag,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) met bovenomschreven oogmerk - zakelijk omschreven - (telkens) opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:

- voorgewend dat dit/deze bedrag(en) zou(den) worden geïnvesteerd, althans voor het overgrote gedeelte zou(den) worden geïnvesteerd in [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] ., althans in enig(e) Amerikaanse vennootschap(pen) en/of

- voorgewend dat de verdiensten van [bedrijf 4] en/of haar mededader(s) bij de genoemde transacties slechts zouden bestaan uit de/het op de factu(u)r(en) (als fee) opgenomen bedrag(en) (van maximaal ongeveer 2%) en/of

- voorgewend dat [bedrijf 4] en/of haar mededader(s) gevestigd was/waren in en/of werkzaam was/waren en/of kantoor hield(en) in en/of vanuit de Britse Maagdeneilanden en/of Engeland en/of Zwitserland en/of dat een zekere [persoon 1] daar werkzaam was;

- heeft nagelaten mede te delen dat (anders dan bleek uit customer informations brochures) door de klant eenmaal aangekochte aandelen niet of nauwelijks meer door [bedrijf 4] en/of haar mededader(s) voor die klant zouden worden te gelde gemaakt, waardoor deze perso(o)n(en) (telkens) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte;

subsidiair:
dat hij, op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 4 augustus 2006 tot en met

4 november 2007, te Amsterdam en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, één of (meer)ma(a)l(en) (telkens) opzettelijk geld, in totaal ongeveer

$ 7.403.262,88, in elk geval (telkens) één of meerdere hoeveelhe(i)d(en) geld, dat/die (telkens) geheel of ten dele toebehoorde(n) aan [bedrijf 1] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval telkens aan (een) ander(en) dan aan verdachte en/of [bedrijf 4] /of zijn mededader(s) en welk(e) geldbedrag(en) hij verdachte en/of [bedrijf 4] en/of zijn (overige) mededader(s) anders dan door misdrijf, onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend;

feit 3 primair:
hij, op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 5 juli 2006 tot en met 1 december 2006, te Amsterdam en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) opzettelijk met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, de hierna genoemde personen één of meermalen heeft bewogen tot de afgifte van (een) geldbedrag(en), in elk geval enig goed, te weten [persoon 2] , een (totaal)bedrag van GBP 19.248,11 (=$ 37.149,-) althans enig geldbedrag en/of [persoon 3] , een (totaal)bedrag van GBP 11.957,80 (=$ 22.950) althans enig geldbedrag (gestort op de NatWest Bank, ten name van [bedrijf 4] ten behoeve van de aankoop van aandelen [bedrijf 10] ), immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) met bovenomschreven oogmerk - zakelijk omschreven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid voorgewend dat [bedrijf 4] en/of haar mededader(s) bevoegd en/of in staat was/waren aandelen [bedrijf 10] aan bovengenoemde beleggers te verkopen en/of afleveren, waardoor deze perso(o)n(en) (telkens) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte;

subsidiair:

hij, op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 5 juli 2006 tot en met

4 november 2007, te Amsterdam en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, één of (meer)ma(a)l(en) (telkens) opzettelijk geld, in totaal ongeveer GBP 31.205,91 (= $ 60.099,-), in elk geval (telkens) één of meerdere hoeveelhe(i)d(en) geld, dat/die (telkens) geheel of ten dele toebehoorde(n) aan [persoon 2] en/of [persoon 3] , in elk geval telkens aan (een) ander(en) dan aan verdachte en/of [bedrijf 4] en/of zijn mededader(s) en welk(e) geldbedrag(en) verdachte en/of [bedrijf 4] en/of zijn (overige) mededader(s) anders dan door misdrijf, onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend;

Het hof leest de naam [persoon 3] verbeterd als [persoon 3] zijnde daardoor de verdachte niet in zijn verdediging geschaad.


feit 4 primair:
hij op of omstreeks juni 2007, althans in 2007 te Amsterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een (bewijs)schrift van inkomen van verdachte

( [verdachte] ) (D-119) - zijnde een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst en/of valselijk heeft doen opmaken en/of heeft doen vervalsen, immers heeft verdachte en/of zijn mededader(s) valselijk in bovengenoemd geschrift opgenomen dat:

- het inkomen van [verdachte] bij [bedrijf 4] een gegarandeerd uurtarief (van 160 uur à $ 125) is en/of

- [verdachte] en [bedrijf 4] een (arbeids)overeenkomst zijn aangegaan voor de duur van vijf (5) jaar en/of

- dit (bewijs)schrift is opgemaakt en/of ondertekend door [persoon 1] en/of door een ander dan [medeverdachte] met het oogmerk om dit geschrift als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken;

subsidiair:

dat [medeverdachte] op of omstreeks juni 2007, althans in 2007 te Amsterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een (bewijs)schrift van inkomen van verdachte ( [verdachte] ) (D-119) - zijnde een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst en/of valselijk heeft doen opmaken en/of heeft doen vervalsen, immers heeft verdachte en/of zijn mededader(s) valselijk in bovengenoemd geschrift opgenomen dat:

- het inkomen van [verdachte] bij [bedrijf 4] een gegarandeerd uurtarief (van 160 uur à $ 125) is en/of

- [verdachte] en [bedrijf 4] een (arbeids)overeenkomst zijn aangegaan voor de duur van vijf (5) jaar en/of

- dit (bewijs)schrift is opgemaakt en/of ondertekend door [persoon 1] en/of door een ander dan [medeverdachte] , met het oogmerk om dit geschrift als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken, hebbende hij, verdachte, op of omstreeks juni 2007, althans in 2007, te Amsterdam en/of elders in Nederland, voornoemd misdrijf opzettelijk uitgelokt door het verschaffen van gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen, hebbende hij, verdachte, aan medeverdacht [medeverdachte] (en/of (een) ander(en)) verzocht, althans gesuggereerd om zo'n geschrift voor hem, verdachte, op te stellen, en/of hebbende hij, verdachte aan medeverdachte [medeverdachte] (en/of (een) ander(en)) mededelingen en/of voorstellen en/of suggesties gedaan over de inhoud van het valselijk opgemaakte (bewijs)schrift van inkomen zoals voornoemd, te weten over:

- het inkomen van verdachte en/of

- het bestaan van een (arbeids)overeenkomst tussen verdachte en [bedrijf 4] en/of

- ( een) ander(e) gegeven(s) in voornoemd (bewijs)schrift van inkomen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.

Relevante feiten

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt het navolgende.

De verdachte heeft, voordat hij in mei 2006 in Londen ging werken, voor een consultancyfirma in Dubai gewerkt. Uit een Curriculum Vitea1 van de verdachte blijkt dat hij van december 2001 tot 10 november 2005 heeft gewerkt voor [bedrijf 6] . De verdachte benaderde telefonisch klanten om hen te adviseren over investeringen. Alle correspondentie en transacties werden gedaan via telefoon en email. Nadat de verdachte het bedrijf in Dubai had verlaten om voor een ander bedrijf te gaan werken, heeft hij gehoord dat de politie belangstelling had voor zijn voormalige werkgever omdat het vermoeden bestond dat het bedrijf in Dubai een boilerroom was.

De verdachte is sinds mei 2006 werkzaam geweest in Londen voor [bedrijf 5] , opgericht per 20062 en gevestigd op de [adres 2] in Amsterdam. In september 2006 is een nieuw bedrijf in Amsterdam gestart, genaamd [bedrijf 4] (hierna: [bedrijf 4] ). De verdachte is naar Amsterdam verhuisd. De verdachte verkocht voor [bedrijf 4] via de telefoon aandelen van Amerikaanse vennootschappen aan particuliere investeerders die woonachtig waren buiten Nederland. Bij de eerste aankoop kregen de klanten een informatiepakket met brochures en formulieren. In de brochure met het opschrift ‘ [opschrift]3’ is op de laatste pagina vermeld dat de Britse Maagdeneilanden fiscale voordelen hebben, dat er strikte vertrouwelijkheid is ten aanzien van bankrekeningen en dat investeringen op de Britse Maagdeneilanden een zaak zijn van de belegger en van niemand anders. In de brochure is verder vermeld dat door de afwezigheid van vennootschapsbelasting de operationele kosten op de Britse Maagdeneilanden lager zijn en dat een substantieel deel van de besparingen ten goede komt van de klant.

De werkwijze4 bij [bedrijf 4] was dat na een transactie de klant een factuur ontving van de administratie. Op deze factuur was, naast een bedrag voor de gekochte aandelen, een fee in rekening gebracht. De hoogte van deze fee bedroeg in de meeste gevallen een percentage van 2% van het bedrag van de aandelen. De klant moest de factuur tekenen en de facturen die van klanten getekend werden terugontvangen, werden naar de Britse Maagdeneilanden gefaxt. De klanten kregen een brief van [bedrijf 4] waarop stond dat [bedrijf 4] in London was gevestigd, maar dat vanwege belastingregelgeving een en ander via de Britse Maagdeneilanden werd geregeld. Als de klanten contact wilden opnemen per telefoon of post met [bedrijf 4] ging dit via de Britse Maagdeneilanden. Het telefoonnummer op de Britse Maagdeneilanden was naar Amsterdam doorgeschakeld5. In telefonische contacten met klanten werd medegedeeld dat het bedrijf was gevestigd op een locatie buiten Nederland.

Nadat klanten hadden betaald, ontvingen ze kopieën van aandelencertificaten. De originelen werden bewaard bij [bedrijf 4] en aan klanten werd verteld dat de certificaten op het kantoor bleven zodat ze snel zouden kunnen worden verkocht. De verdachte kreeg van bedrijven waarvan certificaten werden uitgegeven persberichten met positief nieuws en hij moest klanten daarvan op de hoogte brengen zodat ze meer geld zouden investeren. Als de verdachte slecht nieuws aan klanten vertelde moest hij scripts voorlezen6. Eigen initiatief en inbreng waren tegen het beleid van het bedrijf. De verdachte was ervan op de hoogte dat de medeverdachte [medeverdachte] , verdachtes baas, zich van een andere dan zijn eigen naam bediende (zo gebruikte [medeverdachte] onder meer de naam [persoon 1] ) en dat [bedrijf 4] de indruk wekte te zijn gevestigd op de Britse Maagdeneilanden en vanuit Londen werkzaam te zijn7.

[bedrijf 4] handelde in aandelen van Amerikaanse vennootschappen, waaronder [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ), [bedrijf 3] , [bedrijf 7] en [bedrijf 10] (hierna: [bedrijf 10] ). De president of directeur van deze vennootschappen was [persoon 4] . De uitgifte van certificaten werd gedaan door de [bedrijf 8] , waarvan [persoon 4] eveneens bestuurder was89. De door [bedrijf 4] verhandelde aandelen waren niet beursgenoteerd. Naar aanleiding van een rechtshulpverzoek aan de Verenigde Staten in april 2008 is enige informatie over de waarde van de aandelen beschikbaar geworden. Uit financiële gegevens van een drietal betrokken vennootschappen ( [bedrijf 2] , [bedrijf 3] en [bedrijf 7] ) is gebleken dat [bedrijf 4] miljoenen aandelen aan investeerders heeft verkocht. Het bedrag dat uiteindelijk op deze aandelen is gestort, varieert van € 0,06 tot € 0,061 per aandeel, terwijl [bedrijf 4] prijzen van € 5,00 tot € 8,50 voor diezelfde aandelen aan kopers daarvan heeft gefactureerd. De hoogte van de geldbedragen die beleggers ten gunste van de Amerikaanse vennootschappen hebben overgemaakt om op de aandelen te doen storten, komt niet overeen met de toename van het eigen vermogen van die vennootschappen. Slechts een zeer gering gedeelte van de door verkopers betaalde gelden (circa 10%) is ten goede van deze vennootschappen gekomen. De financiële gegevens van deze vennootschappen waren voor klanten van [bedrijf 4] niet via websites beschikbaar.10 Gegevens over andere vennootschappen dan [bedrijf 2] , [bedrijf 3] en [bedrijf 7] ontbreken in het dossier. Nu door en namens de verdachte daarover niets is aangevoerd en er geen aanwijzingen zijn dat bij de verkoop van de overige aandelen een andere werkwijze zou zijn toegepast, gaat het hof ervan uit dat bovenstaande informatie representatief is voor de bij de verkoop van andere aandelen gehanteerde werkwijze. Van het merendeel van de aandelen die door [bedrijf 4] werden verkocht was een vermelding op de zogeheten Pinksheets aanwezig. Deze betreffen een soort bulletin board waarop prijzen van verhandelde aandelen in bepaalde fondsen worden vermeld. Vanuit de Amerikaanse overheid zijn weinig of geen regels gesteld ten aanzien van de hierop vermelde aandelen en er geldt geen publicatieverplichting van financiële gegevens11. [bedrijf 4] verwijst voor de prijszetting van aandelen naar de Pinksheets12.

Vanaf mei 2006 hebben investeerders de aankoopbedragen rechtstreeks overgeboekt naar de bankrekeningen van de vennootschappen, waarvan zij aandelen hadden aangeschaft.13 Door de klanten van [bedrijf 4] is in de periode 2006 - 2007 in totaal ongeveer 9,4 miljoen14 Amerikaanse dollar op deze bankrekeningen, in beheer van [persoon 4] , gestort.15 Van het totaalbedrag aan investeringsgelden is vanaf de bankrekeningen van de vennootschappen ongeveer 20 - 25% (in totaal ongeveer twee miljoen Amerikaanse dollar) overgemaakt ten gunste van [bedrijf 8] . Daarnaast is ongeveer 10% van de door klanten gestorte gelden aangewend als aandelenkapitaal van de betreffende vennootschappen.16 Het aanzienlijke restant van de ontvangen bedragen is vanaf de bankrekeningen, waarnaar de investeerders hun inleg rechtstreeks hadden overgeboekt, doorbetaald naar bankrekeningen van [bedrijf 4] dan wel rekeningen van [medeverdachte] of aan hem gelieerde bankrekeningen17. Van voornoemd restant is een gedeelte bij de verdachte terechtgekomen. De verdachte werkte op commissiebasis. Dit hield in dat hij per transactie een commissie van ten minste 7,5% tot - in geval van een grote deal - een maximum van 25% ontving.18 In de periode van mei 2006 tot en met november 2007 heeft hij, naast voordelen als kosteloos wonen en uitjes, aan commissie en bonus een bedrag van ten minste $ 965.000,00 verdiend.19

In de brochure ‘ [opschrift] ’ van [bedrijf 4] staat vermeld dat het bedrijf bemiddelt in de aankoop van beleggingen die op het door de koper gewenste moment te gelde kunnen worden gemaakt20. Op de website van [bedrijf 4] was een gelijkluidende toezegging geplaatst en in de “Client trading account agreement”, die bij het aangaan van de beleggingsrelatie werd verstrekt, was een tweetal artikelen opgenomen dat betrekking had op de koop en verkoop van aandelen21. Hetgeen aan de beleggers niet werd medegedeeld, zo heeft de verdachte verklaard, was dat de door [bedrijf 4] verhandelde aandelen de eerste twee jaar met een handelsrestrictie waren beperkt.22 In het algemeen werd de indruk gewekt dat aandelen gewoon verhandelbaar waren.23 Het bedrijfsbeleid van [bedrijf 4] was er op gericht te voorkomen dat uitgegeven aandelen zouden worden verkocht. De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij er alles aan deed beleggers ervan te weerhouden hun aandelen te verkopen24. Dit wordt bevestigd door opnamen van telefoongesprekken. Beleggers werd door de verdachte aan de hand van een drietal scripts25 om verschillende redenen afgeraden aangeschafte aandelen te verkopen. Zo werd geadviseerd de gehele collectie in één keer te verkopen26, werd medegedeeld dat er geen kopers voor de aandelen waren of luidde het advies de aandelen in portefeuille te houden in verband met een op handen zijnde fusie27. Daarnaast werd beleggers die desondanks wensten te verkopen, de keuze voorgelegd een market order (verkoop tegen iedere prijs) of limit order (verkoop tegen - door [bedrijf 4] geadviseerde - minimale prijs) te plaatsen, waarbij een market order werd geadviseerd.28 In de afgeluisterde gesprekken is in geen geval een verkoop van bij klanten in bezit zijnde aandelen geconstateerd.29

Bespreking van in hoger beroep gevoerde verweren

De ter terechtzitting in hoger beroep door de raadsvrouw gevoerde verweren zullen per feit worden besproken, waarbij wordt aangevangen met de onder 2 ten laste gelegde oplichting.

Ten aanzien van feit 2

De raadsvrouw heeft primair aangevoerd dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt om te kunnen vaststellen dat de geïnvesteerde gelden grotendeels niet in de Amerikaanse bedrijven zijn geïnvesteerd. Subsidiair heeft ze zich op het standpunt gesteld dat de gedragingen die zijn vermeld op de tenlastelegging niet als oplichting kunnen worden gekwalificeerd. Meer subsidiair heeft de raadsvrouw betwist dat de verdachte wetenschap van de vermeende oplichtingspraktijken heeft gehad. Nog meer subsidiair heeft de raadsvrouw gesteld dat de verdachte geen opzet had op de ten laste gelegde gedragingen en tot slot zijn volgens de raadsvrouw de gedragingen van de verdachte, te weten het verkopen van aandelen, niet van dien aard geweest dat sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking om tot bewezenverklaring van medeplegen te komen.

Geïnvesteerde bedragen

Gelet op hetgeen hierboven onder de relevante feiten is vermeld, volgt het hof de raadsvrouw niet in haar primaire standpunt. Daaruit volgt voorts dat op de facturen die aan beleggers werden verzonden werd vermeld dat de kosten 2% bedroegen. Uit de getuigenverklaringen van [bedrijf 1] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] volgt dat zij ervan zijn uitgegaan dat dit percentage de commissie betrof die [bedrijf 4] in rekening bracht.30 Slechts een zeer gering gedeelte van de door verkopers betaalde gelden (circa 10%) kwam ten goede aan de vennootschappen. Het dossier bevat geen aanwijzingen waaruit volgt dat beleggers hiervan op de hoogte zijn gebracht. Bovendien werden onder meer grote bedragen overgeboekt naar bankrekeningen van [bedrijf 4] dan wel rekeningen van [medeverdachte] of aan hem gelieerde bankrekeningen en naar bankrekeningen van de verdachte.

Oplichting

Ook het subsidiaire standpunt van de verdediging dat de gedragingen die zijn vermeld op de tenlastelegging niet als oplichting kunnen worden gekwalificeerd, kan niet worden gevolgd. Zoals hiervoor onder de relevante feiten is vermeld, heeft [bedrijf 4] zich gepresenteerd als een bonafide bemiddelaar in aandelen. Particuliere beleggers, die woonachtig waren buiten Nederland, werden geïnformeerd dat zij konden beleggen in Amerikaanse aandelen, dat hun investeringen zouden worden gedaan vanuit de Britse Maagdeneilanden, dat zij 2% kosten betaalden en dat beleggers hun aandelen via [bedrijf 4] konden verkopen. In werkelijkheid werden de activiteiten van [bedrijf 4] vanaf september 2006 verricht in Amsterdam; slechts zeer geringe bedragen werden geïnvesteerd in Amerikaanse vennootschappen waarvan de financiële resultaten niet inzichtelijk waren voor de beleggers; uit het dossiers blijkt niet dat de vennootschappen ondernemingsactiviteiten verrichtten31; aan de hand van persberichten werd beleggers positief nieuws verteld over de vennootschappen om hen te bewegen meer geld over te maken; de certificaten van aandelen werden gehouden op het kantoor onder het mom dat deze gemakkelijker konden worden verkocht, terwijl het bedrijfsbeleid er op was gericht om verkoop onmogelijk te maken. De aandelen bleken bovendien waardeloos te zijn. Tot slot werd gebruik gemaakt van valse namen om te voorkomen dat medewerkers van [bedrijf 4] getraceerd konden worden. De geraffineerde werkwijze van [bedrijf 4] , die wel wordt aangeduid als ‘boilerroom’, kan worden gekwalificeerd als oplichting.

Opzet

Voor de beantwoording van de vraag of de verdachte al dan niet wetenschap heeft gehad van de oplichtingspraktijken zijn de volgende omstandigheden van belang:

- Gedurende de ten laste gelegde periode heeft de verdachte (telefonisch) contact gehad met beleggers en heeft hij op de bij [bedrijf 4] gebruikelijke wijze zo veel mogelijk aandelen verkocht32;

- De verdachte was een gewaarschuwd man, nu hij wist dat opsporingsautoriteiten belangstelling hadden voor zijn vorige werkgever en de aldaar verrichte werkzaamheden. De verdachte was er, zo heeft hij ter terechtzitting in hoger beroep verklaard, ongeveer een jaar nadat hij zijn werkzaamheden bij [bedrijf 6] had beëindigd, mee bekend dat deze vennootschap werd verdacht van ‘boilerroom’ activiteiten33. De werkzaamheden die de verdachte verrichtte in Dubai kwamen sterk overeen met de werkzaamheden die hij voor [bedrijf 5] en [bedrijf 4] ging verrichten.

- De verdachte wist dat [bedrijf 4] op een waarschuwingslijst over boilerrooms van de [lijst] stond34;

  • -

    De verdachte wist dat [medeverdachte] gebruik maakte van een valse naam en dat aan beleggers werd voorgespiegeld dat de activiteiten van [bedrijf 4] vanuit de Britse Maagdeneilanden dan wel Londen werden verricht;

  • -

    De verdachte heeft de hem door [medeverdachte] voorgelegde scripts, persberichten et cetera nimmer op welke wijze dan ook gecontroleerd. Hij heeft geadviseerd over de aankoop van aandelen zonder te beschikken over de financiële gegevens van de vennootschappen waarvan hij aandelen verkocht. Daarbij komt dat de inhoud van de scripts met elkaar in tegenspraak waren35;

- De verdachte was ervan op de hoogte dat niet, zoals de beleggers dachten, op grond van de hen toegezonden factuur een fee van 2% werd ingehouden, maar dat [bedrijf 4] er beduidend meer aan verdiende. Dit volgt uit de omstandigheid dat hij aanvankelijk 7,5%, later 10% en in bepaalde gevallen 17,5% of zelfs 25% commissie ontving.36 Het is onmogelijk dat dermate hoge provisies uit een remuneration fee van de vennootschappen werd vergoed, van welke afspraken tussen [bedrijf 4] en de vennootschapen zich overigens geen stukken in het dossier bevinden;

  • -

    Het bedrijfsbeleid van [bedrijf 4] was erop gericht de verkoop van aandelen zo veel als mogelijk tegen te gaan. De verdachte was daarvan op de hoogte en heeft daaraan bijgedragen;

  • -

    Uit een met [medeverdachte] gevoerd telefoongesprek is af te leiden dat [medeverdachte] en de verdachte [verdachte] met elkaar over een klant van [bedrijf 4] , [bedrijf 1] , spreken. Het gesprek luidt, voor zover hier van belang:

[verdachte] : He sold his father’s company, that his father started up in 1951, and he sold it two years ago.

[medeverdachte] : So, he inherited the money.

[verdachte] : Yeah.

[medeverdachte] : So, he is just pissing it all away, that’s perfect.

[verdachte] : (laughing) Uhm…

[medeverdachte] : We are gonna end up with his father’s empire.

[verdachte] : We’ll have our own empire. 37

Uit de inhoud van dit gesprek leidt het hof af dat de verdachte en [medeverdachte] het voornemen hadden [bedrijf 1] zo veel mogelijk te laten investeren in door [bedrijf 4] verhandelde aandelen en hem aldus van de erfenis van zijn vader te ontdoen.

Gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, kan het niet anders dan dat de verdachte wist dat de klanten van [bedrijf 4] werden opgelicht. Hij heeft investeerders welbewust overgehaald grote geldbedragen te investeren, terwijl hij, gelet op de daarvoor ontvangen exorbitante vergoedingen, wist dat het niet mogelijk was dat hun inleg (voor het overgrote deel) bij de betreffende bedrijven terechtkwam. In werkelijkheid werden klanten allerhande onwaarheden voorgehouden, waarvan de verdachte op de hoogte was, met de bedoeling verkoop van aandelen te belemmeren waardoor reeds uitgegeven aandelen niet of nauwelijks te gelde werden gemaakt.

Het Openbaar Ministerie heeft ervoor gekozen met betrekking tot het ten laste leggen van de oplichting een selectie van beleggers te maken. Uit het dossier blijkt dat de werkwijze van [bedrijf 4] er in het algemeen op gericht was beleggers onder valse voorwendselen te bewegen tot afgifte van geldbedragen. Dit was niet anders ten aanzien van niet in de tenlastelegging genoemde beleggers. Het hof gaat er dan ook vanuit dat alle commissie die verdachte heeft ontvangen uit oplichting afkomstig is.

Medeplegen

De verdachte heeft in de hoedanigheid van verkoper aandelen aan klanten verkocht en met die klanten (al) het contact onderhouden. Gedurende de laatste periode was de verdachte zelfs de enig overgebleven verkoper bij [bedrijf 4] . Tijdens zijn dienstverband bij [bedrijf 4] heeft hij een omzet van ongeveer zeven miljoen Amerikaanse dollar behaald.38 Dat de rol van de verdachte essentieel is geweest, blijkt ook uit de omvang van de daarvoor door hem ontvangen provisie. De omstandigheid dat [medeverdachte] hoger in de hiërarchie van [bedrijf 4] stond, doet niet af aan de wezenlijke bijdrage die de verdachte heeft geleverd. De verdachte heeft, naast de verkoop van aandelen, het informeren over persberichten die nog niet waren gepubliceerd en het belemmeren van het ten gelde maken van gekochte aandelen, de schijn opgehouden dat de activiteiten van [bedrijf 4] vanuit de Britse Maagdeneilanden werden verricht. Voorts was hij er mee bekend dat [medeverdachte] zich van een valse naam bediende en heeft hij niets gedaan om te voorkomen dat beleggers werden ontdaan van grote sommen geld.

Gelet op het voorgaande staat voldoende vast dat de verdachte het ten laste gelegde in nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte] heeft gepleegd. De verweren van de raadsvrouw worden verworpen en het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van oplichting.

Ten aanzien van feit 1

De verdachte heeft samen met anderen beleggers bewogen tot afgifte van grote geldbedragen in ruil voor aandelen in vennootschappen waarvan de waarde veel lager bleek te zijn dat de daarvoor betaalde bedragen en die niet verkoopbaar waren. De verdachte ontving daarvoor aanzienlijke bedragen in de vorm van commissies. Deze commissies werden volgens de verdachte betaald op een bankrekening die op zijn naam stond bij de Abbey Bank in Londen39 en waren afkomstig van een bankrekening op naam van [bedrijf 5]40.

Daarnaast ontving de verdachte van de Bank of America $ 227.000 op een bankrekening in Spanje voor een deal met [bedrijf 9]41 en voor een deal met [bedrijf 1] heeft de verdachte een fee van $ 150.000 ontvangen van [bedrijf 4]42.

Het merendeel van de stortingen op de bankrekening van [bedrijf 5] is afkomstig van de bankrekening van [bedrijf 2] bij de Bank of America43. Ook de bedragen die aan de verdachte zijn betaald voor de deals met [bedrijf 9] en [bedrijf 1] zijn afkomstig van rekeningen waarop gelden zijn gestort die afkomstig waren van beleggers44.

Uit het voorgaande moet worden afgeleid dat de gelden die door beleggers op Amerikaanse rekeningen zijn gestort in de vorm van betaling van commissies bij de verdachte terecht zijn gekomen. Deze commissies vormen de beloning voor de bijdrage van de verdachte aan de oplichting. Anders dan de rechtbank, is het hof van oordeel dat de door de verdachte ontvangen commissies dan ook onmiddellijk afkomstig zijn uit eigen misdrijf.

Dit brengt mee dat het hof de vraag dient te beantwoorden of de verdachte de ontvangen commissies voorhanden heeft gehad en daarvan de criminele herkomst heeft verhuld of verborgen (HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3687). Het dossier biedt geen steun voor het oordeel dat de gedragingen van de verdachte (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verhullen of verbergen van de criminele herkomst van de commissies.

Ten aanzien van het overdragen en/of gebruik maken van geldbedragen afkomstig uit eigen misdrijf, is het hof van oordeel dat bewezen kan worden verklaard dat de verdachte de navolgende bedragen die hij als commissies heeft ontvangen, heeft witgewassen:

- € 207.000 € 207.000 door de aankoop van drie onroerende zaken in Spanje (in december 2006, mei 2007 en juli 200745);

- € 65.000 € 65.000 door de overboeking van de bankrekening van [bedrijf 5] naar de bankrekening van de moeder van de verdachte46;

- € 30.000 € 30.000 door de aankoop van een horloge, Rolex Daytona47;

- € 15.000 € 15.000 voor een vakantie in Zweden48;

- $ 30.000 $ 30.000 voor de huur van een appartement in Londen49;

- $ 60.000 $ 60.000 voor aflossing van een lening50.

Daarnaast heeft de verdachte bedragen witgewassen door voorschotten op zijn commissie te gebruiken voor zijn levensonderhoud en dat van zijn vrouw51.

Ten aanzien van feit 3

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit en daartoe aangevoerd dat het niet bevoegd zijn aandelen te verkopen, dan wel het niet kunnen leveren van aandelen, geen oplichtingsmiddel oplevert. Subsidiair heeft ze gesteld dat de verdachte geen wetenschap had over het daadwerkelijk leveren van de aandelen en de vraag of de investeringen bij [bedrijf 10] werden gestort. Meer subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat de verdachte het feit heeft medegepleegd.

Het hof overweegt als volgt. Blijkens een brief van 1 december 200652, die door advocaten van [bedrijf 10] naar klanten van [bedrijf 4] met [bedrijf 10] aandelen is verstuurd, was [bedrijf 4] reeds twee jaren niet meer bevoegd [bedrijf 10] te vertegenwoordigen. [bedrijf 4] mocht derhalve niet (meer) in (nieuw uit te geven)

[bedrijf 10] -aandelen handelen. Deze aandelen betroffen OTC-aandelen (over the counter), hetgeen met zich brengt dat deze - na afloop van de periode waarin een verkooprestrictie geldt - vrij verhandelbaar waren. De verdachte was bekend met een ruzie tussen [naam 1] , eigenaar van [bedrijf 10] en [medeverdachte] . De verdachte wist dat [medeverdachte] een brief stuurde aan klanten waarin hij schreef dat [bedrijf 4] wel het recht had om aandelen [bedrijf 10] te verkopen53.

[persoon 2] heeft verklaard dat hij heeft geprobeerd om aandelen te verkopen in november 2006 en dat hij vervolgens door de verdachte is gebeld. De verdachte vertelde dat het geen goed moment was om de aandelen te verkopen en dat eerst meer geïnvesteerd moest worden om uiteindelijk de aandelen gemakkelijker te verkopen. [persoon 2] heeft vervolgens via [bedrijf 4] 12.000 - naar later bleek nooit bij [bedrijf 10] geregistreerde - aandelen gekocht, die uit “een soort depot” kwamen.54 [persoon 2] kocht deze aandelen van [bedrijf 4] en heeft ze in november 2006 betaald aan [bedrijf 4] . Uit telefonische informatie bleek volgens [persoon 2] dat [bedrijf 10] niet bekend was met deze 12.000 aandelen. [persoon 2] heeft diverse keren geprobeerd zijn geld terug te krijgen van [bedrijf 4] maar [bedrijf 4] wilde de investering niet terugdraaien omdat ze bezorgd waren dat ze hun fee kwijtraakten. [persoon 2] heeft geprobeerd de verdachte te ontmoeten, maar dat is niet gelukt55. Nu uit het dossier niet kan worden afgeleid dat de 12.000 aan [persoon 2] afgegeven kopieën van aandelen geregistreerd waren bij [bedrijf 10] dan wel anderszins recht gaven op een deel van het eigen vermogen van dit bedrijf, acht het hof bewezen dat [bedrijf 4] op slinkse wijze [persoon 2] heeft bewogen om een bedrag van $ 37,149 over te maken naar Nat West Bank, ten name van [bedrijf 4]56 zonder dat hij daarvoor aandelen kreeg die enige waarde [bedrijf 10] vertegenwoordigde.

[persoon 3] heeft ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard dat hij in 2003 de eerste aandelen [bedrijf 10] heeft gekocht, dat hij heeft geprobeerd aandelen te verkopen, maar dat dit niet is gelukt. In 2006 heeft hij opnieuw opdracht gegeven om aandelen [bedrijf 10] te kopen57, maar in plaats daarvan kreeg hij aandelen [bedrijf 2] . Hij heeft aan [persoon 1] geschreven dat hij het daar niet mee eens was. [persoon 3] heeft daarna een advocaat ingeschakeld en geen zaken meer gedaan met [bedrijf 4] . Desgevraagd verklaart [persoon 3] dat hij daarna telefonisch is benaderd door [bedrijf 10] , dat zij aandelen van hem wilden kopen, maar dat hij dan eerst een bedrag van 10% van de na de verkoop te ontvangen verkoopprijs moest storten in een depot.

Ten aanzien van het verweer van de verdediging dat niet kan worden bewezen dat de verdachte dit feit heeft medegepleegd overweegt het hof het volgende. [persoon 3] heeft weliswaar verklaard dat hem de naam [verdachte] niets zegt, maar uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte op de hoogte was en deelnam aan de ten laste gelegde oplichting met betrekking tot de aandelen [bedrijf 10] . Uit een opname van een telefoongesprek58 tussen [medeverdachte] en de verdachte volgt dat de verdachte in nauwe samenspraak met [medeverdachte] klanten, die vragen stelden over [bedrijf 10] , te woord stond. Als [medeverdachte] in een telefoongesprek zegt dat de verdachte de klanten het standaardantwoord moet sturen, antwoordt de verdachte dat ‘we dat ook doen.’ Uit het vervolg van de weergave van dit gesprek leidt het hof af dat de verdachte tegen klanten die vragen stelden over [bedrijf 10] als standaardantwoord gaf dat alle [bedrijf 10] aandelen ‘zijn gestuurd naar [bedrijf 10] hoofdkantoor in USA en geplaatst zijn in het nieuwe bedrijf’. Dit antwoord kan niet anders worden omschreven dan als een leugen omdat de verdachte wist dat [bedrijf 4] niet mocht optreden namens [bedrijf 10] , [bedrijf 4] geen aandelen mocht verkopen voor [bedrijf 10] en niet kon weten waar de aandelen van [bedrijf 10] zich bevonden. De verdachte heeft [persoon 2] en [persoon 3] tezamen en in vereniging met anderen bewogen om meer aandelen [bedrijf 10] te kopen door onwaarheden te (laten) vertellen. Daardoor heeft de verdachte willens en wetens onjuiste informatie aan klanten medegedeeld, dan wel door anderen laten mededelen.

De verweren van de raadsvrouw slagen niet. Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het hem onder 3 primair ten laste gelegde.

Het oordeel van het hof over het onder 4 ten laste gelegde

Het hof acht het onder 4 primair ten laste gelegde bewezen op grond van de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg van 16 maart 2015 en het bij zijn fouillering onder hem aangetroffen document.59

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 primair, 3 primair en 4 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

feit 1 :
hij in de periode van 1 mei 2006 tot en met 4 november 2007 te Amsterdam, geldbedragen heeft overgedragen en/of daarvan gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat die geldbedragen geheel of gedeeltelijk onmiddellijk afkomstig waren uit enig misdrijf;

feit 2 primair:

hij in de periode van 4 augustus 2006 tot en met 4 november 2007 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander telkens opzettelijk met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, de hierna genoemde personen heeft bewogen tot de afgifte van geldbedragen, te weten van:

- [bedrijf 1] een (totaal)bedrag van US$ 2.405.081,2060 althans enig geldbedrag en

- [slachtoffer 1] : een (totaal)bedrag van US$ 317.508,-61, althans enig geldbedrag en

- [slachtoffer 2] : een (totaal) bedrag van US $ 146.493,-62 althans enig geldbedrag,

immers hebben verdachte en zijn mededaders met bovenomschreven oogmerk - zakelijk omschreven - telkens opzettelijk listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:

- voorgewend dat deze bedragen zouden worden geïnvesteerd, althans voor het overgrote gedeelte zouden worden geïnvesteerd in [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] . en

- voorgewend dat de verdiensten van [bedrijf 4] en haar mededaders bij de genoemde transacties slechts zouden bestaan uit de op de facturen als fee opgenomen bedragen van maximaal ongeveer 2% en

- voorgewend dat [bedrijf 4] en/of haar mededader(s) gevestigd was/waren in en/of werkzaam was/waren en/of kantoor hield(en) in en/of vanuit de Britse Maagdeneilanden en/of Engeland en/of Zwitserland en/of dat een zekere [persoon 1] daar werkzaam was;

- heeft nagelaten mede te delen dat, anders dan bleek uit customer informations brochures, door de klant eenmaal aangekochte aandelen niet of nauwelijks meer door [bedrijf 4] en haar mededaders voor die klant zouden worden te gelde gemaakt,

waardoor deze personen telkens werden bewogen tot bovenomschreven afgifte;

feit 3 primair :
hij in de periode van 5 juli 2006 tot en met 1 december 2006, te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander telkens opzettelijk, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, de hierna genoemde personen heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag, te weten [persoon 2] een totaalbedrag van GBP 19.248,11 en [persoon 3] een totaalbedrag van GBP 11.957,80 gestort op de NatWest Bank, ten name van [bedrijf 4] ten behoeve van de aankoop van aandelen [bedrijf 10] , immers hebben verdachte en zijn mededaders met bovenomschreven oogmerk - zakelijk omschreven - opzettelijk listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid voorgewend dat [bedrijf 4] bevoegd en in staat was aandelen [bedrijf 10] aan bovengenoemde beleggers te verkopen én af te leveren, waardoor deze personen werden bewogen tot bovenomschreven afgifte;


feit 4 primair:
hij in 2007 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander een bewijsschrift van inkomen van verdachte, [verdachte] , - zijnde een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers hebben verdachte en zijn mededader valselijk in bovengenoemd geschrift opgenomen dat:

- het inkomen van [verdachte] bij [bedrijf 4] een gegarandeerd uurtarief van 160 uur à $ 125 is en

- [verdachte] en [bedrijf 4] een overeenkomst zijn aangegaan voor de duur van vijf (5) jaar en

- dit bewijsschrift is ondertekend door [persoon 1] ;

met het oogmerk om dit geschrift als echt en onvervalst te gebruiken.

Hetgeen onder 1, 2 primair, 3 primair en 4 primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2 primair, 3 primair en 4 primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

gewoontewitwassen.

Het onder 2 primair en 3 primair bewezen verklaarde levert op:

telkens: medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd.

Het onder 4 primair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van valsheid in geschrift.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1, 2 primair, 3 primair en 4 primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1, 2 primair en 4 primair bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van voorarrest.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte en het Openbaar Ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 2 primair, 3 primair en 4 primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, en een proeftijd van twee jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich samen met zijn mededader schuldig gemaakt aan gewiekste oplichtingspraktijken. Hij heeft als telefonisch verkoper van [bedrijf 4] aandelen van verschillende Amerikaanse vennootschappen aan investeerders aangeboden en verkocht. Om beleggers tot investeren te bewegen werd hen voorgehouden dat hun inleg, behoudens een minimale fee voor [bedrijf 4] , zou worden geïnvesteerd in de bedrijven die de aandelen uitgaven. Voorts werd gebruik gemaakt van een zeer fraai ogende website en brochure, die de indruk wekten dat eenmaal aangeschafte aandelen desgewenst op ieder moment door die klant te gelde konden worden gemaakt. Van dit alles bleek niets waar te zijn. De door [bedrijf 4] van investeerders ontvangen gelden zijn grotendeels opgegaan aan beloningen van onder meer de verdachte en zijn mededader. In de periode dat de verdachte bij [bedrijf 4] betrokken is geweest, heeft de organisatie miljoenen dollars van derden ter beschikking gekregen. Hiervan is een bedrag van bijna één miljoen aan de verdachte toegekomen.

Het hof rekent het de verdachte aan dat hij, gedreven door enkel financieel gewin, beleggers op geraffineerde wijze stelselmatig heeft opgelicht en ze daarmee in ernstige mate heeft benadeeld. Door zijn handelen heeft de verdachte het vertrouwen geschaad dat particulieren in het algemeen behoren te kunnen hebben in ondernemingen waarvan zij aandelen kopen. Daarnaast heeft hij schade toegebracht aan het maatschappelijk vertrouwen in het financiële handelsverkeer.

Het hof heeft kennisgenomen van een op 24 september 2016 door [psycholoog] opgemaakt psychologisch rapport, door een beëdigd vertaler vertaald in de Nederlandse taal, waarin kort gezegd is uiteengezet dat bij de verdachte sprake lijdt aan een matig tot ernstige dyslectie, alsmede een angst- en ontwikkelingsstoornis, en dat hij sterk beïnvloedbaar is door mannelijke leidinggevenden en mentoren. Het hof ziet in het voorgaande geen aanleiding de straf die het hof voornemens is op te leggen, te matigen.

Ten voordele van de verdachte weegt het hof mee dat de verdachte ten opzichte van zijn mededader en initiatiefnemer, [medeverdachte] , een minder gewichtige rol in de oplichting heeft gespeeld en dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 27 september 2016, niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld. Voorts heeft hij er blijk van gegeven inzicht te hebben in het laakbare van zijn handelen.

Het hof stelt vast dat met de behandeling van onderhavige zaak de nodige tijd gemoeid is geweest, waarbij de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden over het geheel genomen is overschreden. De redelijke termijn heeft een aanvang genomen op de datum van inverzekeringstelling van de verdachte, op 6 november 2007. Nu de zaak in hoger beroep is afgerond bij arrest van 21 oktober 2016, heeft de procedure als geheel een periode van bijna negen jaar bestreken. Met de rechtbank acht het hof een tijdsverloop van in totaal vijf en een half jaar na de inverzekeringstelling van de verdachte redelijk. Hierbij is in aanmerking genomen de complexiteit van de zaak en daarmee verband houdend diepgaand onderzoek in en buiten Nederland, alsmede de regiewensen van de verdediging in eerste aanleg en moeilijkheden waarop de rechters-commissaris in dat verband zijn gestuit. Het hof stelt de overschrijding van de redelijke termijn vast op vier jaren. Zonder deze overschrijding zou het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden hebben opgelegd.

Rekening houdend met de overschrijding acht het hof, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 18 maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.

Oplegging van maatregel (beslag)

Onder de verdachte zijn verschillende goederen in beslag genomen. De in beslag genomen en nog niet teruggegeven gezamenlijkheid van voorwerpen, te weten de onder 8, 9, 11, 13 tot en met 27, 29, 31 tot en met 59 en 61 tot en met 147 vermelde voorwerpen op de aan dit arrest gehechte beslaglijst, zijn tot het begaan van het ten laste gelegde en bewezen verklaarde vervaardigd of bestemd. Zij zullen aan het verkeer worden onttrokken aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan, nu de aard in samenhang met het redelijkerwijs te verwachten gebruik onder omstandigheden zoals bewezen verklaard, juist in verband met die aard in strijd is met het algemeen belang en/of de wet.

Vorderingen van de benadeelde partijen

[benadeelde partij 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt 1.135.204 Zweedse Kroon. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

[benadeelde partij 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt $ 8.250,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep

niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor een bedrag van € 5.313,00.

[benadeelde partij 3]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt $ 155.040,50. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep

niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Beoordeling van de vorderingen van de benadeelde partijen in hoger beroep

Het hof is van oordeel dat de behandeling van de vorderingen een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, nu voor de beoordeling daarvan nadere instructie, gevolgd door hoor en wederhoor, zou zijn vereist. De benadeelde partijen kunnen daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kunnen de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 47, 57, 225, 326 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 primair, 3 primair en 4 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 primair, 3 primair en 4 primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten de onder 8, 9, 11, 13 tot en met 27, 29, 31 tot en met 59 en 61 tot en met 147 vermelde voorwerpen op de aan dit arrest gehechte beslaglijst.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten de onder 10, 12, 28, 30 en 60 vermelde voorwerpen op de aan dit arrest gehechte beslaglijst.

Vorderingen van de benadeelde partijen, [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3]

Verklaart de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partijen de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.

Bepaalt dat de benadeelde partijen en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.P.M. van Rijn, mr. J.D.L. Nuis en mr. P.C. Römer, in tegenwoordigheid van

mr. S.W.M. Stevens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

21 oktober 2016.

De voorzitter en de griffier zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 […]

2 […]

3 […]

4 […]

5 […]

6 […]

7 […]

8 […]

9 […]

10 […]

11 […]

12 […]

13 […]

14 […]

15 […]

16 […]

17 […]

18 […]

19 […]

20 […]

21 […]

22 […]

23 […]

24 […]

25 […]

26 […]

27 […]

28 […]

29 […]

30 […]

31 […]

32 […]

33 […]

34 […]

35 […]

36 […]

37 […]

38 […]

39 […]

40 […]

41 […]

42 […]

43 […]

44 […]

45 […]

46 […]

47 […]

48 […]

49 […]

50 […]

51 […]

52 […]

53 […]

54 […]

55 […]

56 […]

57 […]

58 […]

59 […]

60 […]

61 […]

62 […]