Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:5170

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-11-2016
Datum publicatie
07-12-2016
Zaaknummer
15/00785 en 15/00786
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen schending hoorplicht. Geen recht op dwangsom. Grieven die belanghebbende aanvoert tegen de voorwaarden van de overgangsregeling van artikel 84a en 84b Wet MRB (‘nieuwe oldtimerregeling’) slagen niet. Een auto die mede is voorzien van een LPG-tank komt niet in aanmerking voor de overgangsregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/2728
V-N 2017/9.29.3
FutD 2016-3043
NTFR 2017/203 met annotatie van mr. J. Rolleman
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerken 15/00785 en 15/00786

29 november 2016

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op de hoger beroepen van

[X] , te [Z] , belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaken met kenmerken HAA 14/3741 en 14/4614 van de rechtbank Noord-Holland in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

Kenmerk rechtbank 14/3741, kenmerk Hof 15/00785

1.1.1.

Belanghebbende heeft ter zake van de auto met het kenteken [kenteken 1] over het tijdvak 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014 motorrijtuigenbelasting (hierna: MRB) op aangifte voldaan.

Na hiertegen door belanghebbende gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak op bezwaar van 20 augustus 2014 het bezwaar ongegrond verklaard.

Kenmerk rechtbank 14/4614, kenmerk Hof 15/00786

1.1.2.

Belanghebbende heeft ter zake van de auto met het kenteken [kenteken 2] over het tijdvak 31 maart 2014 tot en met 29 juni 2014 MRB op aangifte voldaan.

Na hiertegen door belanghebbende gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak op bezwaar van 29 oktober 2014 het bezwaar ongegrond verklaard

1.2.

Bij uitspraak van 16 oktober 2015 heeft de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) de door belanghebbende tegen voormelde uitspraken op bezwaar ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

1.3.

De tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroepen zijn bij het Hof ingekomen op 19 oktober 2015. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Belanghebbende heeft op 13 mei 2015 nadere stukken ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2015. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft in haar uitspraak de navolgende feiten vastgesteld. Belanghebbende wordt daarin (evenals in de later in deze uitspraak geciteerde overwegingen van de rechtbank) aangeduid als ‘eiser’.

“1. Eiser is houder van de auto’s met de kentekens [kenteken 1] en [kenteken 2] .

2. Eiser heeft een vrijstellingsbeschikking voor een motorrijtuig van 25 jaar en ouder ontvangen voor de auto met het kenteken [kenteken 1] met dagtekening 21 maart 2012. Eiser heeft een vrijstellingsbeschikking voor een motorrijtuig van 25 jaar en ouder ontvangen voor de auto met het kenteken [kenteken 2] met dagtekening 18 januari 2008.

3. Op 17 december 2013 heeft de Eerste Kamer ingestemd met de wijziging van de wetgeving voor de vrijstelling van motorrijtuigenbelasting voor oldtimers per 1 januari 2014. De vrijstelling geldt alleen nog voor motorrijtuigen die (langer dan) 40 jaar geleden voor het eerst in gebruik zijn genomen.

4. In december 2013 heeft eiser een informatiebrief betreffende wijziging vrijstelling motorrijtuigenbelasting voor oldtimers ontvangen voor de auto met het kenteken [kenteken 1] .

5. Eiser heeft op 25 april 2014 € 72 motorrijtuigenbelasting voldaan voor het tijdvak 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014 voor de auto met het kenteken [kenteken 1] . Voor deze auto maakt eiser gebruik van de overgangsregeling voor benzineauto’s.

6. Eiser heeft op 28 juli 2014 € 6 motorrijtuigenbelasting voldaan voor het tijdvak

31 maart 2014 tot en met 29 juni 2014 als gevolg van het opheffen van de schorsing van het kentekenbewijs van de auto met het kenteken [kenteken 2] op 27 juni 2014. In 2008 is in deze auto een LPG-installatie gebouwd.”

2.2.

Nu de door de rechtbank vastgestelde feiten door partijen niet zijn bestreden, zal ook het Hof daarvan uitgaan. In aanvulling op de door de rechtbank vastgestelde feiten stelt het Hof het volgende vast.

2.3.

Belanghebbende heeft, ter zake van de auto met het kenteken [kenteken 1] , bij brief van 28 april 2014 bezwaar gemaakt tegen de voldoening op aangifte over het tijdvak 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014. Het bezwaarschrift is op 1 mei 2014 bij de inspecteur binnengekomen.

2.4.

Bij brief van 5 augustus 2014 heeft belanghebbende de inspecteur, ter zake van de beslissing op zijn bezwaarschrift van 28 april 2014, in gebreke gesteld door middel van het indienen van het “Formulier dwangsom bij niet tijdig beslissen”. Volgens de datumstempel van binnenkomst is het formulier op 8 augustus 2014 bij de Belastingdienst ingekomen.

2.5.

Op 20 augustus 2014 heeft er telefonisch onderhoud plaatsgevonden tussen de inspecteur en belanghebbende. In dit gesprek heeft de inspecteur aan belanghebbende het aanbod gedaan om een vaststellingsovereenkomst af te sluiten. Belanghebbende is niet ingegaan op dit aanbod.

2.6.

Volgens de gegevens van de Rijksdienst voor het Wegverkeer (hierna RDW) is de auto met het kenteken [kenteken 2] voorzien van een G2 LPG installatie en een benzinetank. Dit is ook vermeld op kentekenbewijs van deze auto. In het jaar 2008 heeft belanghebbende de LPG-tank in de auto laten installeren.

3 Het oordeel van de rechtbank

3.1.

De rechtbank heeft de beroepen van belanghebbende ongegrond verklaard, waarbij zij het volgende heeft overwogen (in de uitspraak van de rechtbank wordt de inspecteur aangeduid als ‘verweerder’):

“8. Vrijstelling van belasting voor personenauto’s wordt op grond van artikel 72, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: Wet MRB) (tekst tot en met 2011), onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen, verleend voor motorrijtuigen die 25 jaar en ouder zijn.

Ingevolge artikel 12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: Uitvoeringsbesluit) (tekst tot en met 2011) wordt vrijstelling van belasting voor motorrijtuigen die 25 jaar en ouder zijn verleend indien uit het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens blijkt dat het desbetreffende motorrijtuig ten minste 25 jaar oud is, dan wel aan de hand van bescheiden zulks wordt aangetoond.

9. Vrijstelling van belasting voor personenauto’s wordt op grond van artikel 72, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet MRB (tekst 2012 en 2013), onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen, verleend voor motorrijtuigen die ten minste 30 jaar geleden voor het eerst in gebruik zijn genomen.

Ingevolge artikel 72, vierde lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet MRB, is de vrijstelling eveneens van toepassing op een motorrijtuig dat in 1987 voor het eerst in gebruik is genomen, en het tijdstip van eerste ingebruikneming ten minste 26 jaar geleden is.

Ingevolge artikel 12, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit (tekst 2012 en 2013) wordt vrijstelling verleend indien de ingevolge die bepaling vereiste ouderdom, respectievelijk het tijdstip van eerste ingebruikneming, blijkt uit het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens, dan wel deze ouderdom of dit tijdstip aan de hand van bescheiden wordt aangetoond.

10. Op grond van artikel 72, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet MRB (tekst 2014) wordt vrijstelling van belasting voor personenauto’s, onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen, verleend voor motorrijtuigen die ten minste 40 jaar geleden voor het eerst in gebruik zijn genomen.

Ingevolge artikel 12, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit (tekst 2014) wordt de vrijstelling van belasting, bedoeld in artikel 72, eerste lid, onderdeel b, van de Wet MRB, verleend, respectievelijk het overgangsrecht oudere motorrijtuigen, bedoeld in hoofdstuk XA van de wet, toegepast, indien de ingevolge die bepaling respectievelijk dat hoofdstuk vereiste ouderdom, respectievelijk het tijdstip van eerste ingebruikneming, blijkt uit het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens, dan wel deze ouderdom of dit tijdstip aan de hand van bescheiden wordt aangetoond.

11. Volgens de wettelijke regelingen (zie punt 9 hiervoor) geldend in 2012 en 2013 zijn motorrijtuigen waarvan uit het kentekenregister blijkt dat die ten minste 30 jaar oud zijn, vrijgesteld voor de motorrijtuigenbelasting. Voor motorrijtuigen die ouder zijn dan 25 maar jonger dan 30 jaar, is een overgangsregeling getroffen. De wettelijke regeling is met ingang van 1 januari 2014 gewijzigd in die zin dat de vrijstelling vanaf de wetswijziging slechts geldt voor motorrijtuigen die ten minste 40 jaar geleden voor het eerst in gebruik zijn genomen (zie punt 10 hiervoor). Daarbij is een overgangsregeling ingevoerd waardoor voor bestaande situaties de vrijstelling op verzoek werd gehandhaafd (artikel 84a Wet MRB). De overgangsregeling geldt echter alleen voor personenauto’s of bestelauto’s die zijn bestemd te worden aangedreven door een kracht die uitsluitend wordt ontleend aan benzine.

12. De rechtbank stelt voorop dat de wijziging van de Wet MRB op democratische wijze tot stand is gekomen. De wetgever heeft zijn keuze voor de huidige regeling beargumenteerd en toegelicht. De keuze van de wetgever is niet van iedere redelijkheid ontbloot. In dit verband hecht de rechtbank belang aan de omstandigheid dat de houders van oldtimers onder de vroegere wet- en regelgeving, een kleine minderheid, een voordeel hadden ten opzichte van de houders van andere motorrijtuigen. De wetgever heeft ervoor gekozen om een bepaalde groep motorrijtuigen (namelijk die tussen 25 en 40 jaar oud) per

1 januari 2014 van dit voordeel uit te sluiten. Aangezien de wetgever zelf de belastingtarieven vaststelt, moet hij de directe financiële gevolgen van zijn keuze hebben voorzien. Wetgeving wordt niet achteraf, met terugwerkende kracht, vastgesteld, maar voor de periode die begint op een door de wetgever te bepalen tijdstip in de toekomst.

13. Ook is de wetgever binnen de hem toekomende beoordelingsvrijheid gebleven met zijn keuze om voor personenauto’s of bestelauto’s die op andere brandstoffen dan benzine rijden geen overgangsregeling te treffen. De rechtbank is om te beginnen van oordeel dat motorrijtuigen die op benzine rijden aan de ene, en motorrijtuigen die op andere brandstoffen rijden aan de andere kant, geen gelijke gevallen zijn. Afgezien van de aard en de milieubelasting van iedere soort brandstof zijn er andere verschillen die een rol spelen bij de overwegingen omtrent de brandstofsoort bij de aanschaf van een motorrijtuig. De keuze voor dit door het milieu ingegeven onderscheid staat voorts ter beoordeling aan de wetgever en niet aan de rechter of de individuele belastingplichtige. De gemaakte keuze is niet van iedere redelijke grond ontbloot.

14. De rechtbank voegt hieraan ten overvloede toe dat de wetswijziging tijdig was aangekondigd en via de informatiebrief van december 2013 aan eiser meegedeeld. De rechtbank herinnert eraan dat in het Regeerakkoord van het kabinet Rutte II van 29 oktober 2012 een volledige afschaffing van de vrijstelling voor oldtimers was opgenomen. In een brief van 15 april 2013 heeft de Staatssecretaris van Financiën aangekondigd dat als gevolg van het stranden van het overleg met vertegenwoordigers van de oldtimerbranche de voorgenomen volledige afschaffing van de vrijstelling, zoals aangekondigd in het Regeerakkoord, zal worden uitgewerkt in het Belastingplan 2014 (Kamerstukken II, vergaderjaar 2012-2013, 33 402, nr. 55). Op 17 april 2013 heeft opnieuw overleg plaatsgevonden met vertegenwoordigers van de oldtimerbranche, te weten de FEHAC, KNAC, FOCWA, ANWB, RAI en BOVAG. In de brief van 24 april 2013 heeft de Staatssecretaris van Financiën aangekondigd dat tijdens dit nieuwe overleg toch overeenstemming is bereikt. De overeengekomen maatregelen zijn in de brief beschreven en deze komen overeen met de wet- en regelgeving zoals deze is aangenomen (Kamerstukken II, vergaderjaar 2012-2013, 33 402, nr. 59). Uiteindelijk heeft de Eerste Kamer op 17 december 2013 de onder punt 10 opgenomen tekst van artikel 72, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet MRB aangenomen. Anders dan eiser stelt was de wijziging gelet op de hiervoor geschetste gang van zaken zeker niet onvoorzienbaar. Dat eiser, naar eigen zeggen, uitsluitend voor de auto met het kenteken [kenteken 1] de informatiebrief zou hebben ontvangen, doet hieraan niet af. Uit deze algemeen geformuleerde brief kon en moest eiser begrijpen dat de wetswijziging ook op de andere auto van toepassing was. Van eiser, die naar aanleiding van deze brief een beroep heeft gedaan op een voor hem gunstige overgangsregeling, mocht dan ook worden verwacht dat hij zich zou verdiepen in de voorwaarden die voor deze overgangsregeling gelden. Zelfs uit oppervlakkig onderzoek had eiser kunnen begrijpen welke regels voor elk van zijn twee auto’s van toepassing zouden worden per 1 januari 2014.

15. De stelling van eiser dat per 1 januari 2014 het door de vrijstellingsbeschikkingen door verweerder gewekte vertrouwen is geschonden, kan de rechtbank niet volgen. Immers, uit de beschikkingen blijkt niet dat deze eeuwigdurend en zelfs bij wijziging van de formele wetgeving van kracht blijven. Dat de beschikkingen niet door verweerder zijn ingetrokken doet daar niet aan af. In dit verband heeft verweerder terecht opgemerkt dat de vrijstelling voor motorrijtuigen van 25 jaar en ouder met ingang van 1 januari 2007 niet meer bij voor bezwaar vatbare beschikking wordt verleend. Verweerder heeft zich met de afgifte van beide beschikkingen vergist in de toen geldende formele bepalingen. Eiser kan hieraan niet het recht ontlenen dat de beschikkingen bij voor bezwaar vatbare beschikkingen zouden moeten worden ingetrokken. Enig vertrouwen dat eiser aan de kennisgeving heeft mogen ontlenen, is herroepen door de brief die hij in december 2013, nog vóór de aanvaarding door de Eerste Kamer van het wetsvoorstel waarbij artikel 72 van de Wet MRB per 1 januari 2014 is gewijzigd, heeft ontvangen. Voor zover eiser heeft bedoeld te stellen dat de wetswijziging onbillijk is of onredelijk uitpakt, merkt de rechtbank op dat het de rechtbank niet is toegestaan de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te beoordelen (artikel 11 van de Wet algemeene bepalingen).

16. Nu vaststaat dat eisers auto’s op 1 januari 2014 niet aan de dan geldende wettelijke regeling voldeden, is de vrijstelling zoals die in 2012 en 2013 gold naar het oordeel van de rechtbank van rechtswege komen te vervallen met die wetswijziging. Gelet op de bewoordingen van de overgangsregeling voor benzineauto’s, kan eiser voor de auto met het kenteken [kenteken 2] hierop geen beroep doen. Deze auto kan immers ook door LPG worden aangedreven. Anders dan eiser meent, is de technische status van de motor niet van belang.

17. De rechtbank wijst voorts het beroep op het gelijkheidsbeginsel af. Niet is gebleken dat verweerder gelijke gevallen verschillend heeft behandeld. De gevallen die eiser noemt, namelijk de houders van motorrijtuigen die langer dan 40 jaar geleden in gebruik zijn genomen, de houders van motoren, vrachtwagens en bussen en de houders van motorrijtuigen die op benzine rijden en die van de overgangsregeling gebruik kunnen maken, zijn feitelijk geen gelijke gevallen. Voor het maken van onderscheid tussen deze groepen heeft de wetgever objectieve criteria gebruikt en de gemaakte keuzes zijn niet van iedere redelijkheid ontbloot. Het handelen van verweerder is gebaseerd op deze keuzes en is evenmin strijdig met het gelijkheidsbeginsel.

18. Dat verweerder de uitspraken op bezwaar niet voldoende heeft gemotiveerd, kan niet tot vernietiging van de voldoening of de uitspraken op bezwaar leiden. Volgens vaste jurisprudentie (onder andere Hoge Raad 7 oktober 1998, nr. 33 577, ECLI:NL:HR:1998:AA2310) heeft schending van het motiveringsbeginsel in de uitspraak op bezwaar door verweerder slechts tot gevolg dat de rechtbank, wanneer zij deze uitspraak bevestigt, zelf de gronden daarvoor in de uitspraak opneemt.

19. Tot slot is de rechtbank niet bevoegd om een oordeel te geven over de klacht van eiser dat de bevoegdheid van verweerder tot automatische incasso met de datum van ingang van de vrijstellingsbeschikkingen zou zijn vervallen. Dit punt zal eiser met de ontvanger moeten bespreken.

20. Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”

4 Geschil in hoger beroep

Evenals bij de rechtbank is tussen partijen in geschil of belanghebbende in de onderhavige tijdvakken MRB is verschuldigd ter zake van het houden van de auto’s met de kentekens [kenteken 2] en [kenteken 1] . Met betrekking tot de auto met het kenteken [kenteken 2] is, subsidiair, in geschil of deze auto valt onder het in de artikelen 84a en 84b van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: Wet MRB) opgenomen overgangsrecht. Voorts is in geschil of de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op de stelling van belanghebbende dat de hoorplicht is geschonden en of de inspecteur een dwangsom dient te verbeuren.

5 Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken. Voor het verhandelde ter zitting wordt verwezen naar het proces-verbaal van de zitting.

6 Beoordeling van het geschil

Horen

6.1.1.

Belanghebbende heeft in hoger beroep gesteld dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op zijn stelling dat de inspecteur de hoorplicht heeft geschonden. De inspecteur heeft hiertegenover gesteld dat (i) belanghebbende bij de rechtbank hier niet over heeft geklaagd en (ii) het bezwaar kennelijk ongegrond was, in welk geval de belanghebbende niet gehoord hoeft te worden.

6.1.2.

De relevante bepalingen in de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) luiden als volgt.

“Artikel 6:22

Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.

Artikel 7:3

Van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien:

a. het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is,

b. het bezwaar kennelijk ongegrond is,

c. de belanghebbende heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord,

d. de belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord, of

e. aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad.”

6.1.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende in bezwaar heeft verzocht om te worden gehoord. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende nadien afstand hiervan heeft gedaan. Integendeel, het Hof leidt ook uit het proces-verbaal van de zitting (7 april 2015) bij de rechtbank af dat schending van de hoorplicht, gelijk belanghebbende onweersproken in zijn nader stuk van 13 mei 2016 heeft gesteld, wel degelijk ter zitting in eerste aanleg aan de orde is geweest. Naar het oordeel van het Hof had de rechtbank hier dan ook niet aan mogen voorbij gaan.

6.1.4.

Met betrekking tot de stelling van de inspecteur dat kon worden afgezien van het horen van belanghebbende omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was, overweegt het Hof het volgende. Belanghebbende heeft in bezwaar betoogd dat hij ook ná 1 januari 2014 in aanmerking komt voor een vrijstelling MRB, op grond van de hem bij beschikkingen van 21 maart 2012 (voor de auto met kenteken [kenteken 1] ) en van 18 januari 2008 (voor de auto met kenteken [kenteken 2] ) toegekende vrijstellingen MRB. Belanghebbende heeft daarbij de stelling ingenomen dat deze vrijstellingsbeschikkingen nadien nimmer zijn ingetrokken, zodat dezen hun gelding, ondanks het invoeren van nieuwe wetgeving, hebben behouden. Van voornoemde juridische stelling kon naar het oordeel van het Hof niet op voorhand worden gezegd dat deze geen hout sneed. Van een kennelijk ongegrond bezwaar, zoals de inspecteur heeft betoogd, is dan ook geen sprake.

6.1.5.

Indien een belastingplichtige op zijn bezwaar niet overeenkomstig de daarvoor gestelde regels is gehoord, kan de belastingrechter met toepassing van artikel 6:22 Awb aan dit gebrek voorbijgaan, indien belanghebbende door de gang van zaken niet is benadeeld (zie o.a. Hoge Raad 20 mei 2005, nr. 39 816, ECLI:NL:HR:2005:AT5894). Het Hof is van oordeel dat hiervan in het onderhavige geval sprake is. Het Hof acht daarbij van belang dat over de van belang zijnde feiten nimmer verschil van mening tussen partijen heeft bestaan en het geschil betrekking heeft op een aangelegenheid waarbij de inspecteur geen beleidsvrijheid toekomt. Van meet af aan zijn zuivere rechtsvragen in geschil, aangaande het vervallen van de vrijstelling voor oldtimers zoals die tot 1 januari 2014 heeft gegolden (‘de oude oldtimervrijstelling’). Gelet op deze omstandigheid is het gebrek van het niet-horen in de bezwaarfase reeds afdoende hersteld doordat belanghebbende zijn bezwaren in beroep schriftelijk heeft kunnen uiteenzetten en mondeling heeft kunnen toelichten (vgl. Hoge Raad 18 april 2003, nr. 37 790, (ECLI:NL:HR:2003:AF7495, punt 3.5.3). Het Hof gaat daarom met toepassing van artikel 6:22 Awb aan dit gebrek voorbij. Wel ziet het Hof hierin reden voor een proceskostenveroordeling en zal het Hof de inspecteur gelasten om aan belanghebbende het griffierecht te vergoeden, te meer nu belanghebbende in zijn hoger beroepschrift heeft aangegeven dat dit één van de redenen was om in hoger beroep te komen.

Dwangsom

6.2.1.

In de zaak met kenmerk 15/00785 (de auto met het kenteken [kenteken 1] ) heeft belanghebbende verzocht om verbeurdverklaring van een dwangsom.

6.2.2.

De relevante bepalingen in de Awb luiden als volgt.

“Artikel 3:41

1. De bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

2. Indien de bekendmaking van het besluit niet kan geschieden op de wijze als voorzien in het eerste lid, geschiedt zij op een andere geschikte wijze.

Artikel 4:17

1. Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De Algemene termijnenwet is op laatstgenoemde termijn niet van toepassing.

2.De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 20 per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 30 per dag en de overige dagen € 40 per dag.

3. De eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.

4. Indien de aanvraag elektronisch kon worden gedaan, is artikel 4:3a van overeenkomstige toepassing op de ingebrekestelling.

5. Beroep tegen het niet tijdig geven van de beschikking schort de dwangsom niet op.

6. Geen dwangsom is verschuldigd indien:

a. het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld,

b. de aanvrager geen belanghebbende is, of

c. de aanvraag kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is.

7. Indien er meer dan één aanvrager is, is de dwangsom aan ieder van de aanvragers voor een gelijk deel verschuldigd.

Artikel 6:12

1. Indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit dan wel het niet tijdig bekendmaken van een van rechtswege verleende beschikking, is het niet aan een termijn gebonden.

2. Het beroepschrift kan worden ingediend zodra:

a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen of een van rechtswege verleende beschikking bekend te maken, en

b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

3. Indien redelijkerwijs niet van de belanghebbende kan worden gevergd dat hij het bestuursorgaan in gebreke stelt, kan het beroepschrift worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen.

4. Het beroep is niet-ontvankelijk indien het beroepschrift onredelijk laat is ingediend.”

6.2.3.

Het bezwaarschrift van belanghebbende, gedagtekend 28 april 2014, is bij de inspecteur op 1 mei 2014 ingekomen. Vervolgens heeft belanghebbende de inspecteur bij brief van 5 augustus 2014 in gebreke gesteld. Deze brief is volgens de datumstempel van binnenkomst op 8 augustus 2014 bij de Belastingdienst ingekomen.

6.2.4.

Belanghebbende stelt dat de inspecteur niet binnen twee weken na de ingebrekestelling heeft beslist op zijn bezwaar; hij heeft de uitspraak op bezwaar namelijk op 27 september 2014 ontvangen. Vandaar dat hij bij brief van 5 september 2014 beroep heeft ingesteld bij de rechtbank vanwege het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar.

De inspecteur stelt dat de uitspraak op dag van de dagtekening - 20 augustus 2014 - is verzonden.

6.2.5.

Ingevolge artikel 3:41 van de Awb geschiedt bekendmaking van een uitspraak op bezwaar door toezending daarvan. Het Hof stelt daarbij voorop dat op de inspecteur de bewijslast rust om het tijdstip van verzending van de uitspraak aannemelijk te maken. In het onderhavige geval heeft de inspecteur gesteld dat de behandelend ambtenaar de uitspraak op bezwaar direct na het telefonisch onderhoud op 20 augustus 2014 (zie 2.5) heeft opgemaakt en verzonden juist omdat de deadline dreigde ter verstrijken. Ter zitting heeft de inspecteur verklaard dat dit, na navraag, nog eens expliciet door de behandelend ambtenaar is bevestigd. Belanghebbende voert aan dat de uitspraak door de inspecteur is geantedateerd althans later is verzonden dan door hem gesteld. Het Hof heeft evenwel geen reden om aan de dagtekening noch de verklaring van de behandelend ambtenaar te twijfelen. Daarmee heeft de inspecteur, naar het oordeel van het Hof, de verzending op 20 augustus 2014 aannemelijk gemaakt. Dit betekent dat de termijn van twee weken als bedoeld in artikel 4:17, derde lid, Awb, op het moment van verzending van de uitspraak nog niet was verstreken. Van het verbeuren van een dwangsom kan daarom geen sprake zijn.

Voorwaarden overgangsregeling artikel 84a en 84b Wet MRB (auto met kenteken [kenteken 1] )

6.3.1.

Belanghebbende heeft voor het tijdvak 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014 ter zake van de auto met het kenteken [kenteken 1] door betaling van een bedrag van € 72 gebruik gemaakt van het overgangsrecht voor oudere motorrijtuigen als bedoeld in de artikelen 84a en 84b (hierna: de overgangsregeling). Ingevolge artikel 84a, tweede lid, Wet MRB is belanghebbende dan een verlaagd tarief aan MRB verschuldigd (hierna: het kwarttarief).

6.3.2.

Belanghebbende heeft in het onderhavige geval aangevoerd dat hij in april 2014 van de Belastingdienst een factuur ontving voor de betaling van het kwarttarief. Deze factuur had, naar belanghebbende stelt, een dwingend betaalkarakter. De betaling van het kwarttarief bracht, aldus belanghebbende, met zich dat hij de auto met het kenteken [kenteken 1] niet meer aan de openbare weg kon parkeren in de maanden januari, februari en december 2014. Dit terwijl hij in deze periode, ter zake van het parkeren aan de openbare weg, wel parkeerbelasting heeft betaald aan de gemeente Amsterdam en juist in deze wintermaanden veel gebruik maakt van zijn oldtimer. De kosten voor het gebruik van de openbare weg - het parkeervak - zijn door betaling van de parkeerbelasting, naar belanghebbende stelt, daarmee reeds voldaan. Daarnaast worden door het verbod van gebruikmaking van de openbare weg in de maanden januari, februari en december belastingplichtigen met een eigen oprit/garage bevoordeeld ten opzichte van belastingplichtigen die hier niet de beschikking over hebben. Laatstgenoemde groep - waartoe belanghebbende behoort - wordt namelijk gedwongen om in de wintermaanden extra kosten te maken voor de stalling van de oldtimer.

6.3.3.

De relevante bepalingen in de Wet MRB luiden als volgt.

“Artikel 84a Wet MRB

1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk is in afwijking van artikel 10 het tijdvak een kalenderjaar.

2. Op verzoek bedraagt het toe te passen tarief over het tijdvak het bedrag aan belasting, genoemd in de artikelen 23, 24, 24a, 24b, 25, 25a of 25c, zoals deze artikelen luidden op 31 december voorafgaand aan het tijdvak. Het ingevolge de eerste volzin bepaalde bedrag aan belasting bedraagt, met inbegrip van de provinciale opcenten, bedoeld in artikel 222 van de Provinciewet, ten hoogste € 122.

3. Het tarief, bedoeld in het tweede lid, kan uitsluitend worden toegepast indien:

a. het motorrijtuig vóór 1 januari 1988 voor het eerst in gebruik is genomen, maar het tijdstip van eerste ingebruikneming nog geen 40 jaar geleden is;

b. het motorrijtuig, indien het een personenauto of bestelauto betreft, is bestemd om te worden aangedreven door een kracht die uitsluitend wordt ontleend aan benzine als bedoeld in artikel 22, eerste lid, onderdeel c;

c. met het motorrijtuig geen gebruik van de weg wordt gemaakt in de maanden januari, februari en december van hetzelfde tijdvak, met uitzondering van de dag waarop het motorrijtuig aan een keuring wordt onderworpen ter zake van de afgifte van een keuringsbewijs als bedoeld in artikel 72 van de Wegenverkeerswet 1994;

d. het motorrijtuig, indien het een vrachtauto of autobus betreft, niet bedrijfsmatig wordt gebruikt; en

e. het bedrag aan belasting, bedoeld in het tweede lid, is betaald bij de aanvang van het tijdvak.

4. Het verzoek, bedoeld in het tweede lid, wordt aangemerkt als het doen van een aanvullende aangifte.

5. De betaling van het over het tijdvak verschuldigde bedrag aan belasting wordt, onder vermelding van het betalingskenmerk als aangegeven door de inspecteur, voor de toepassing van dit hoofdstuk aangemerkt als het verzoek, bedoeld in het tweede lid.

Artikel 84b Wet MRB

1. In afwijking van artikel 15, eerste lid, wordt voor het tijdvak 2014 de betaling, bedoeld in artikel 84a, vijfde lid, gedaan vóór 1 maart 2014.

2. In afwijking van artikel 84a, derde lid, onderdeel c, mag in de maanden januari en februari 2014 gebruik van de weg worden gemaakt.

6.3.4.

Het Hof stelt voorop dat de MRB, anders dan belanghebbende lijkt te veronderstellen, een houderschapsbelasting is. Uitgangspunt dan ook is dat de houder de belasting verschuldigd is, tenzij de geldigheid van het kentekenbewijs op de voorgeschreven wijze is geschorst. De mate van het gebruik van de weg is voor de MRB niet relevant en van enig verband met de heffing van gemeentelijke parkeerbelastingen is geen sprake.

6.3.5.

Belanghebbende heeft in het onderhavige geval, na het vervallen van ‘de oude oldtimervrijstelling’, door betaling van de onder 6.3.2. bedoelde factuur, voor de auto met het kenteken [kenteken 1] , gekozen voor gebruik van de overgangsregeling. Belanghebbende is dan het kwarttarief verschuldigd. Voorwaarde voor toepassing van de overgangsregeling is dat met de oldtimer in de maanden januari, februari en december geen gebruik wordt gemaakt van de openbare weg. De toepassing van de overgangsregeling is echter niet verplicht. Het Hof kan belanghebbende dan ook niet volgen in zijn stelling dat de betaling van het kwarttarief c.q. de keuze voor de overgangsregeling een dwingend karakter heeft. Belanghebbende kan er namelijk ook voor kiezen om het ‘reguliere personenautotarief’ (van artikel 23 Wet MRB) voor zijn oldtimer te betalen. In dat geval kan belanghebbende met zijn oldtimer ook in de wintermaanden gebruik maken van de openbare weg. Voorts overweegt het Hof dat de beperking in het gebruik in onderhavige tijdvak beperkt blijft tot de maand december 2014. In de maanden januari en februari 2014 heeft belanghebbende met zijn oldtimer met kenteken [kenteken 1] gebruik kunnen maken van de openbare weg (zie artikel 84b, tweede lid, Wet MRB).

6.3.6.

Het Hof kan belanghebbende evenmin volgen in zijn stelling dat aldus gelijke gevallen ongelijk worden behandeld. De wet is voor iedere oldtimerbezitter die met zijn oldtimer in aanmerking komt voor het kwarttarief, gelijk; al deze auto’s mogen in de maanden januari, februari en december geen gebruik maken van de openbare weg (hierna: de beperking in het gebruik). Of de belastingplichtige al dan niet de beschikking heeft over een eigen ruimte om de oldtimer in de wintermaanden te stallen, is bij deze afweging niet van belang. Van schending van het gelijkheidsbeginsel is geen sprake.

6.3.7.

Voor zover belanghebbende betoogt dat de wetgever de eis van de beperking in het gebruik niet heeft mogen stellen en dat dit in zijn geval onredelijk uitwerkt, overweegt het Hof dat deze grief van belanghebbende zich richt tegen de wettelijke regeling. Het Hof kan echter niet voorbijgaan aan de in de Wet MRB gestelde voorwaarden voor de overgangsregeling. Het Hof is immers gehouden volgens de wet- en regelgeving recht te spreken. Dienaangaande bepaalt artikel 11 van de Wet van 15 mei 1829, houdende algemeene bepaalingen der wetgeving van het Koninkrijk, dat de rechter volgens de wet en de daarop gebaseerde besluitgeving moet rechtspreken. De rechter mag in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid van de wet en de daarop gebaseerde besluitgeving beoordelen. Het is slechts de wetgever die een wijziging kan bewerkstelligen van de door belanghebbende bekritiseerde regeling.

6.3.8.

Belanghebbende heeft in het onderhavige geval, daarnaar gevraagd ter zitting, geen beroep gedaan op schending van 1 van het eerste protocol bij het EVRM (hierna: artikel 1 EP). Ten overvloede overweegt het Hof dat de wijziging van het oldtimerregime per 1 januari 2014 geen schending van artikel 1 EP oplevert. Het Hof sluit zich aan bij de overwegingen van de Advocaat-Generaal Ettema zoals opgenomen in haar conclusie van 2 juni 2016, nr. 15/02137, ECLI:NL:PHR:2016:499 (punt 7.1 t/m 7.37).

Hoogte MRB-tarief overgangsregeling

6.4.1.

Belanghebbende heeft in het onderhavige geval gesteld dat het kwarttarief anders berekend moet worden, nu hij van de twaalf maanden drie maanden geen gebruik kan maken van de auto met het kenteken [kenteken 1] . Het op aangifte betaalde bedrag aan MRB is nu ¼ * (12 maanden * € 24) = € 72 en dit moet, aldus belanghebbende, ¼ * (9 maanden * € 24)

€ 54 zijn. Belanghebbende stelt dan ook dat het kwarttarief berekend zou moeten worden over de periode waarin - per kalenderjaar - gebruik gemaakt wordt van de auto met kenteken [kenteken 1] .

6.4.2.

Uit de overgangsregeling vloeit voort dat bij keuze hiervoor de belasting - voor het gehele kalenderjaar - wordt berekend over een driemaandstarief, dat op grond van artikel 23 Wet MRB (‘het reguliere tarief’) geldt voor het betreffende motorrijtuig, met een maximum van € 120. Voor oldtimers die in aanmerking komen voor de overgangsregeling komt dit per saldo neer op een kwart van het reguliere tarief. Tegenover dit verlaagde tarief staat dat in de maanden januari, februari en december geen gebruik gemaakt mag worden van de openbare weg. Naar het oordeel van het Hof stelt belanghebbende met zijn berekening een eigen interpretatie van de wettelijke overgangsregeling voor. Naar het oordeel van het Hof strookt belanghebbendes berekening niet met de tekst noch de bedoeling van de overgangsregeling. Voorts geldt ook hier hetgeen het Hof onder 6.3.7 heeft overwogen: voor zover belanghebbende stelt dat de wettelijke regeling onredelijk is, staat het de rechter niet vrij om de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te beoordelen.

6.4.3.

Voorts heeft belanghebbende een korting voorgesteld op het kwarttarief vanwege de, naar hij stelt, vele gemeentelijke verboden die gelden voor oldtimers. Zo is in een aantal steden het vanwege ingestelde milieuzones niet mogelijk om met zijn auto met kenteken [kenteken 1] te rijden.

6.4.4.

Ook hier gaat belanghebbende (zie hiervoor onder 6.3.4) er ten onrechte aan voorbij dat de MRB een houderschapsbelasting is. De mate waarin gebruik wordt gemaakt van de weg en het gegeven dat sommige steden door middel van milieuzones oldtimers weren, is dan ook niet relevant voor de heffing van MRB. Deze grief van belanghebbende faalt.

De auto met kenteken [kenteken 2]

6.5.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat in de auto met het kenteken [kenteken 2] een LPG tank is ingebouwd. Volgens de gegevens van de RDW is deze auto in 2008 voorzien van een zogenoemde G2 LPG installatie. Naar het oordeel van het Hof voldoet de auto met het kenteken [kenteken 2] daarmee niet aan de wettelijke voorwaarden die de overgangsregeling stelt. De auto met het kenteken [kenteken 2] is namelijk “niet bestemd om te worden aangedreven door een kracht die uitsluitend (onderstreping Hof) wordt ontleend aan benzine als bedoeld in artikel 22c [van de Wet MRB]”.

6.5.2.

Belanghebbende heeft er voorts op gewezen dat zijn auto niet uitsluitend rijdt op LPG, doch ook op benzine. Voor dit ‘benzine gedeelte’ zou, zoals belanghebbende dat zelf omschrijft, de overgangsregeling ook moeten gelden. Naar het oordeel van het Hof vindt een partiële toepassing van de overgangsregeling, zoals belanghebbende die voorstaat, geen steun in de wettelijk regeling. Zoals hiervoor overwogen vallen alleen auto’s - voor zover zij ook overigens aan de gestelde voorwaarden van artikel 84a Wet MRB voldoen - die zijn bestemd om te worden aangedreven door een kracht die uitsluitend wordt ontleend aan benzine, onder de overgangsregeling. Zodra de auto (mede) wordt of kan worden aangedreven door een kracht die wordt ontleend anders dan aan benzine, kan geen beroep meer worden gedaan op de overgangsregeling. Dat is hier het geval.

6.5.3.

Belanghebbende heeft voorts gesteld dat er ten onrechte een onderscheid is aangebracht tussen auto’s die uitsluitend rijden op benzine en auto’s die (mede) rijden op andere brandstoffen, zoals de auto met [kenteken 2] . Belanghebbende heeft in dit verband gesteld dat rijden op LPG minder vervuilend is dan benzine. Het gebruik van deze brandstof zou, aldus belanghebbende, juist door de wetgever gestimuleerd moet worden en ook auto’s die (mede) zijn voorzien van een LPG-tank zouden derhalve in aanmerking moeten komen voor de overgangsregeling.

6.5.4.

Het Hof vat dit betoog van belanghebbende op als een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Dienaangaande overweegt het Hof het volgende. Vooropgesteld moet worden dat artikel 14 EVRM en artikel 26 IVBPR niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen verbieden, doch alleen die welke als discriminatie moet worden beschouwd omdat een redelijke en objectieve rechtvaardiging ervoor ontbreekt. Dit betekent dat alleen sprake is van discriminatie indien het gemaakte onderscheid geen gerechtvaardigde doelstelling heeft of indien er geen redelijke verhouding bestaat tussen de maatregel die het onderscheid maakt en het daarmee beoogde gerechtvaardigde doel. Hierbij verdient opmerking dat op fiscaal gebied aan de wetgever in het algemeen een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij het beantwoorden van de vraag of gevallen voor de toepassing van de bedoelde verdragsbepalingen als gelijk moeten worden beschouwd en of, in het bevestigende geval, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen. Indien het niet gaat om onderscheid op basis van aangeboren kenmerken van een persoon, zoals geslacht, ras en etnische afkomst, dient het oordeel van de wetgever daarbij te worden geëerbiedigd, tenzij het van redelijke grond ontbloot is. Dit laatste kan niet snel worden aangenomen. Het onderscheid moet van dien aard zijn dat de keuze van de wetgever evident van redelijke grond ontbloot is (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 26 januari 2016, nr.15/03090, ECLI:NL:HR:2016:124.) ).

6.5.5.

Het Hof leidt uit de parlementaire geschiedenis af (Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 33 752, nr. 3, blz. 13-15) dat de wijziging van de ‘oude oldtimerregeling’ voornamelijk is ingegeven door veranderingen in het gebruik van oldtimers. Het aantal was aanzienlijk toegenomen en met steeds meer relatief jonge oldtimers werden steeds meer kilometers gereden. Uit zowel budgettaire als milieuoverwegingen heeft de wetgever daarom gekozen voor een aanscherping van de leeftijdsvoorwaarde voor toepassing van de vrijstelling en is er onderscheid gemaakt in de overgangsregeling voor wat betreft de brandstofsoort. De gedachte van de wetgever was dat met name bezitters van LPG-oldtimers - naast bezitters van ‘diesel oldtimers’ - veel kilometers met hun auto rijden. Daarnaast zou het bij LPG-oldtimers vrijwel nooit gaan om origineel - achteraf is er namelijk een LPG-tank ingebouwd - rijdend cultureel erfgoed. Naar het oordeel van het Hof is er geen sprake van feitelijk en rechtens gelijke gevallen en zo dit het geval is, bestaat er voor deze ongelijke behandeling een rechtvaardigingsgrond.

6.5.6.

Ook voor de auto met het kenteken [kenteken 2] heeft belanghebbende gesteld dat hij een korting wenst op de MRB vanwege de milieuzones die in toenemende mate door gemeentes worden ingesteld. Het Hof verwijst in dit verband naar hetgeen hiervoor onder 6.4.4 is overwogen.

6.5.7.

Belanghebbende heeft voorts gesteld dat hij destijds geen bezwaren heeft geuit tegen de registratie van de LPG-tank als G2-installatie. Destijds was dat feit voor belastingheffing immers niet relevant, gelet op de toenmalige vrijstelling van MRB. Nu betaalt hij door deze registratie drie keer zo veel MRB als bij een inbouw van een G3-registratie het geval zou zijn geweest.

6.5.8.

Vaststaat dat de LPG-tank destijds is geregistreerd als G2-installatie. Belanghebbende heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt, waardoor in de registers van de RDW staat dat in de auto een G2-installatie is ingebouwd. Het Hof dient uit te gaan van deze gegevens. Belanghebbende komt dan ook niet in aanmerking voor het tarief dat zou gelden als hij een G3- installatie had laten inbouwen.

Vrijstellingsbeschikkingen

6.6.1.

In het Belastingplan 2014 heeft de regering een wijziging van de ‘oude oldtimervrijstelling’ voorgesteld. De voorgestelde regeling is, zonder overgangsregeling, met ingang van 1 januari 2014 in werking getreden en houdt een verhoging van de minimumleeftijd van de oldtimer in. De vrijstelling luidt sinds genoemde datum als volgt:

“Artikel 72

1. Vrijstelling van belasting wordt, onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen, verleend voor motorrijtuigen:

a. (…)

b. die ten minste 40 jaar geleden voor het eerst in gebruik zijn genomen, en die, voor zover het vrachtauto’s of autobussen betreft, niet bedrijfsmatig worden gebruikt;

(…).”

6.6.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat de oldtimers van belanghebbende - de auto’s met kenteken [kenteken 1] en [kenteken 2] - met ingang van 1 januari 2014 niet langer aan de (nieuwe) leeftijdseis voor toepassing van de vrijstelling voldoen.

6.6.3.

Niettemin meent belanghebbende ook na 1 januari 2014 in aanmerking te komen voor een vrijstelling MRB, op grond van de hem bij beschikkingen van 18 januari 2008 (voor de auto met kenteken [kenteken 2] ) en 21 maart 2012 (voor de auto met kenteken [kenteken 1] ) toegekende en – naar hij stelt – onvoorwaardelijke vrijstellingen MRB. Deze vrijstellingsbeschikkingen zijn bovendien nooit ingetrokken zodat zij hun gelding hebben behouden, zo betoogt belanghebbende.

6.6.4.

Het Hof zal deze grief van belanghebbende opvatten als een beroep op het vertrouwensbeginsel.

6.6.5.

Belanghebbende beoogt met hetgeen hij aanvoert kennelijk te stellen dat met de door de inspecteur op grond van de ter zake toen geldende wettelijke bepalingen gegeven beschikking sprake is van een toezegging als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 27 juni 1984, nr. 22 555, BNB 1984/240. Het Hof zal daar veronderstellende wijs vanuit gaan.

6.6.6.

Voor een geslaagd beroep op het door deze toezegging gewekt vertrouwen is vereist “dat de gedane toezegging niet zo duidelijk in strijd is met een juiste wetstoepassing dat de belastingplichtige op nakoming van die toezegging in redelijkheid niet mocht rekenen” (vgl. Hoge Raad 26 september 1979, nr. 19 250, BNB 1979/311 en Hoge Raad 28 juni 1995, nr. 30 404, BNB 1995/281).

6.6.7.

Het Hof is van oordeel dat, door invoering van de onder 6.6.1 vermelde wetswijziging, de toezegging bedoeld onder 6.6.5 zo duidelijk in strijd is met een juiste wetstoepassing – gezien de nieuwe leeftijdseis – dat belanghebbende in redelijkheid niet langer op nakoming van de toezegging mocht rekenen. Het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel wordt daarom verworpen. Daaraan wordt niet afgedaan door het feit dat de vrijstellingsbeschikkingen niet expliciet zijn ingetrokken door de inspecteur. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt dan ook.

Slotsom

6.7.

Uit het voorgaande volgt dat de beroepen van belanghebbende ongegrond zijn. De inspecteur heeft de bezwaren tegen de voldoening op aangifte van MRB terecht afgewezen en de daartegen ingestelde beroepen zijn terecht door de rechtbank ongegrond verklaard. Gelet op hetgeen het Hof hiervoor onder 6.1.5 heeft overwogen, bestaat er wel aanleiding voor een proceskostenveroordeling en vergoeding van de door belanghebbende betaalde griffierrechten (€ 45 bij de rechtbank en € 123 bij het Hof ), voor zowel de beroeps- als de hoger beroepsfase.

Schadevergoeding

6.8.1.

Belanghebbende heeft in de onderhavige procedures verzocht om de toekenning van een schadevergoeding. In zijn ter zitting bij de rechtbank overgelegd verzoek gedateerd 6 april 2015 heeft hij hiervan een specificatie gegeven.

6.8.2.

Op grond van artikel 8:73 (oud) van de Awb is alleen bij een gegrond beroep een veroordeling tot betaling van schadevergoeding mogelijk. Nu de beroepen terecht ongegrond zijn verklaard en de uitspraken op bezwaar in stand blijven, wijst het Hof het verzoek van belanghebbende om schadevergoeding af.

7 Proceskosten

7.1.

Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van reiskosten. Reiskosten worden op de grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht, in verbinding met het Besluit tarieven in strafzaken 2003, vergoed op basis van het reizen per openbaar vervoer tweede klas. Belanghebbende heeft derhalve geen recht op een kilometervergoeding. Voor de berekening van de hoogte van vergoeding op basis van het reizen per openbaar vervoer tweede klas gaat het Hof uit van de reis (vice versa) die belanghebbende vanaf zijn woonadres naar respectievelijk de rechtbank en het Hof heeft gemaakt. Deze reiskosten stelt het Hof vast op € 11,16 respectievelijk € 2,56.

7.2.

Belanghebbende heeft ook verzocht om vergoeding van de verletkosten. Belanghebbende heeft daarbij recht op vergoeding van de kosten van het tijdverzuim in verband met het bijwonen van de zittingen. Dat sprake is van ander tijdverzuim dat voor vergoeding in aanmerking komt - als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 16 september 2016, nr. 15/02193, ECLI:NL:HR:2016:2082 - is gesteld noch gebleken. In zijn overzicht van 6 april 2015 gaat belanghebbende uit van een tijdverzuim van 3 uren met een uurtarief van € 80 voor het bijwonen van de zitting. Het Hof acht zowel de door belanghebbende genoemde aantal uren aan tijdverzuim als het uurtarief niet onredelijk. Voor het hoger beroep kunnen dezelfde aantal uren, alsmede hetzelfde uurtarief gehanteerd worden. Belanghebbende heeft dan recht op een totale vergoeding van verletkosten van € 480 (3 uren * € 80 + 3 uren * € 80).

7.3.

De totale proceskostenvergoeding bedraagt dan:

- € 251,16 voor de beroepsfase (€ 240 + € 11,16); en

- € 242,56 (€ 240 + € 2,56) voor de hoger beroepsfase.

In totaal derhalve € 493,72.

8 Beslissing

Het Hof:

- bevestigt de uitspraak van de rechtbank;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 493,72; en

- gelast dat de inspecteur aan belanghebbende het door hem ter zake van de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van (€ 45 + € 123 =) € 168 vergoedt.

Aldus gedaan door mrs. C.J. Hummel, voorzitter, B.A. van Brummelen en G.D. van Norden, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Jansen als griffier. De beslissing is op 29 november 2016 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.