Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:516

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-02-2016
Datum publicatie
18-02-2016
Zaaknummer
23-004580-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

oplegging ISD-maatregel mishandelingen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-004580-14

datum uitspraak: 12 februari 2016

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 13 november 2014 in de strafzaak onder de parketnummers

13-669091-14 en 07-289163-11 (TUL), 07-660304-11 (TUL), 15-700169-12 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987,

thans gedetineerd in PI Flevoland – Huis van Bewaring Almere Binnen te Almere.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep ten aanzien van feit 4

De verdachte is door de rechtbank Amsterdam vrijgesproken van wat hem onder 4 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open.

Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6 maart 2015, 22 oktober 2015, 15 januari 2016, 29 januari 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – voor zover in hoger beroep nog aan de orde – ten laste gelegd dat:

1:
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 30 november 2013 tot en met 27 juli 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk [slachtoffer 1], zijn, verdachtes, levensgezel, heeft mishandeld, welke mishandeling(en) bestond(en) uit

- het gooien en/of werpen van een tafel(tje), in elk geval enig (zwaar) voorwerp in/tegen het gezicht,

in elk geval het hoofd van voornoemde [slachtoffer 1] en/of

- het éénmaal of meermalen (hard en/of met kracht) (met) een (steel)pan, althans een hard en/of zwaar voorwerp, slaan en/of gooien en/of werpen op/tegen het hoofd, in elk geval op/tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] en/of

- het éénmaal of meermalen slaan en/of stompen op/in/tegen het gezicht/hoofd en/of het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] en/of

- het éénmaal of meermalen krabben op de arm(en), in elk geval op het lichaam, van voornoemde [slachtoffer 1] en/of

- het éénmaal of meermalen duwen tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] en/of éénmaal of meermalen trekken aan het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1],

waardoor voornoemde [slachtoffer 1] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden,

zulks terwijl tijdens het plegen van voornoemd misdrijf nog geen vijf jaren waren verlopen sedert een eerdere veroordeling van de verdachte/schuldige tot gevangenisstraf wegens een daaraan soorgelijk misdrijf, dat in kracht van gewijsde is gegaan;

2:
hij op of omstreeks 30 maart 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk

[slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft mishandeld, welke mishandeling(en) bestond(en) uit het eenmaal of meermalen slaan en/of stompen in/op/tegen het gezicht en/of het hoofd van voornoemde [slachtoffer 2] en/of het eenmaal of meermalen slaan en/of stompen in/op/tegen het gezicht en/of het hoofd van voornoemde [slachtoffer 3], waardoor voornoemde [slachtoffer 2] en/of voornoemde [slachtoffer 3] letsel heeft/hebben bekomen en/of pijn heeft/hebben ondervonden,

zulks terwijl tijdens het plegen van voornoemd misdrijf nog geen vijf jaren waren verlopen sedert een eerdere veroordeling van de verdachte/schuldige tot gevangenisstraf wegens een daaraan soorgelijk misdrijf, dat in kracht van gewijsde is gegaan;

3:
hij op of omstreeks 05 juli 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk [slachtoffer 4] heeft mishandeld, welke mishandeling bestond uit het eenmaal of meermalen met de hand/vuist slaan en/of stompen in/tegen het gezicht, in elk geval tegen het hoofd, van voornoemde [slachtoffer 4], waardoor voornoemde [slachtoffer 4] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden,

zulks terwijl tijdens het plegen van voornoemd misdrijf nog geen vijf jaren waren verlopen sedert een eerdere veroordeling van de verdachte/schuldige tot gevangenisstraf wegens een daaraan soorgelijk misdrijf, dat in kracht van gewijsde is gegaan;

5:
hij op of omstreeks 27 juli 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, de politieambtena(a)r(en) [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] en/of [verbalisant 3] en/of [verbalisant 4] en/of [verbalisant 5] en/of [verbalisant 6] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde politieambtena(a)r(en) [verbalisant 1] en/of Van [verbalisant 2] en/of [verbalisant 3] en/of [verbalisant 4] en/of [verbalisant 5] en/of [verbalisant 6] dreigend de woorden toegevoegd:

- " Ik vermoord jullie. Als ik weer kan zien en vrij ben, dan gaan jullie het wel merken. Dan sla ik het licht uit je ogen. Ik wil al jullie namen en dienstnummers. Wacht maar tot mijn reclassering hiervan hoort. Ik krijg al jullie namen. Ik ga weten waar jullie wonen. Oh je wilt mijn ogen niet schoonmaken!? Ik krijg jullie nog wel" en/of

- " Pak mijn vuurwapen maar uit mijn tasje" en/of

- " Heb je een dochter? Klas 1 Waar is papa. Klas 2 waar is papa? Ik zoek jullie een voor een op. Ik weet je vrouw en kinderen te vinden",

althans (telkens) woorden van gelijke (dreigende) aard of strekking,

zulks terwijl tijdens het plegen van voornoemde misdrijf nog geen vijf jaren waren verlopen sedert een eedere veroordeling van de verdachte/schuldige tot gevangenisstraf, wegens een daaraan soortgelijk misdrijf, dat in kracht van gewijsde is gegaan.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, onder meer omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Bewijsoverweging feit 1

De raadsman heeft ter terechtzitting het verweer gevoerd dat de verklaring van [getuige] onbetrouwbaar is nu deze ruim drie maanden na de aangifte is afgelegd en op punten van de aangifte afwijkt.

Anders dan de raadsman, acht het hof de verklaring van [getuige] wel betrouwbaar, omdat deze op diverse onderdelen in grote lijnen gelijk is aan de aangifte, ook op punten die niet rechtstreeks de ten laste gelegde mishandeling betreffen. Voorts is niet aannemelijk dat het geheugen van [getuige] na drie maanden zodanig is aangetast dat de verklaring om die reden onbetrouwbaar zou zijn. Enige omstandigheid die deze veronderstelling feitelijk kan onderbouwen is niet gegeven door de raadsman en ook het dossier biedt daarvoor geen steun. Het verweer wordt verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 5 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij op 30 november 2013 te Amsterdam, opzettelijk [slachtoffer 1], heeft mishandeld, welke mishandeling bestond uit

- het gooien van een tafeltje tegen het gezicht van voornoemde [slachtoffer 1]

waardoor voornoemde [slachtoffer 1] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden,

zulks terwijl tijdens het plegen van voornoemd misdrijf nog geen vijf jaren waren verlopen sedert een eerdere veroordeling van de verdachte tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf, dat in kracht van gewijsde is gegaan;

2:
hij op 30 maart 2014 te Amsterdam, opzettelijk [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft mishandeld, welke mishandelingen bestonden uit het stompen tegen het gezicht van voornoemde [slachtoffer 2] en het stompen tegen het gezicht van voornoemde [slachtoffer 3], waardoor voornoemde [slachtoffer 2] en voornoemde [slachtoffer 3] letsel hebben bekomen en pijn hebben ondervonden,

zulks terwijl tijdens het plegen van voornoemd misdrijf nog geen vijf jaren waren verlopen sedert een eerdere veroordeling van de verdachte tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf, dat in kracht van gewijsde is gegaan;


3:
hij op 5 juli 2014 te Amsterdam, opzettelijk [slachtoffer 4] heeft mishandeld, welke mishandeling bestond uit het met de hand slaan in het gezicht van voornoemde [slachtoffer 4], waardoor voornoemde [slachtoffer 4] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden,

zulks terwijl tijdens het plegen van voornoemd misdrijf nog geen vijf jaren waren verlopen sedert een eerdere veroordeling van de verdachte tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf, dat in kracht van gewijsde is gegaan;

5:
hij op 27 juli 2014 te Amsterdam, de politieambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] en [verbalisant 3] en [verbalisant 5] en [verbalisant 6] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde politieambtenaren [verbalisant 1] en Van [verbalisant 2] en [verbalisant 3] en [verbalisant 5] en [verbalisant 6] dreigend de woorden toegevoegd:

- " Ik vermoord jullie. Als ik weer kan zien en vrij ben, dan gaan jullie het wel merken. Dan sla ik het licht uit je ogen. Ik wil al jullie namen en dienstnummers. Wacht maar tot mijn reclassering hiervan hoort. Ik krijg al jullie namen. Ik ga weten waar jullie wonen. Oh je wilt mijn ogen niet schoonmaken!? Ik krijg jullie nog wel" en

- " Pak mijn vuurwapen maar uit mijn tasje" en

- " Heb je een dochter? Klas 1 Waar is papa. Klas 2 waar is papa? Ik zoek jullie een voor een op. Ik weet je vrouw en kinderen te vinden",

zulks terwijl tijdens het plegen van voornoemd misdrijf nog geen vijf jaren waren verlopen sedert een eerdere veroordeling van de verdachte tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf, dat in kracht van gewijsde is gegaan.

Hetgeen onder 1, 2, 3 en 5 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2, 3 en 5 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1, 2, en 3 bewezen verklaarde levert telkens op:

mishandeling,

terwijl nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert de schuldige een hem wegens mishandeling opgelegde gevangenisstraf heeft ondergaan.

Het onder 5 bewezen verklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht,
terwijl nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert de schuldige een hem wegens mishandeling opgelegde gevangenisstraf heeft ondergaan,
meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

De raadsman heeft ten aanzien van feit 5 aangevoerd dat aan de verdachte een beroep toekomt op psychische overmacht en dat hij om die reden ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging.

Het hof verwerpt het verweer. Het is niet aannemelijk geworden dat het door de politie spuiten van de pepperspray in de ogen van de verdachte een van buiten komende drang vormde waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en behoefde te bieden.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1, 2, 3 en 5 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van maatregel

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1, 2, 3 en 5 bewezen verklaarde veroordeeld tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaar.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde maatregel als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere mishandelingen. Hij heeft hiermee de slachtoffers letsel toegebracht en inbreuk gemaakt op hun lichamelijke integriteit. Daarnaast heeft de verdachte vijf politieambtenaren bedreigd.

Zoals blijkt uit een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 20 januari 2016 is hij reeds meerdere malen eerder voor mishandeling onherroepelijk veroordeeld tot diverse straffen.

Uit het reclasseringsrapport van 14 oktober 2015, opgemaakt door de heer [deskundige 1], volgt dat de verdachte sinds 2008 onder toezicht staat van de Reclassering Nederland. Dit heeft tot nu toe onvoldoende effect in die zin dat de kans op recidive niet is verminderd. De verdachte blijkt zich meerdere malen niet te hebben gehouden aan de voorwaarden die hem waren opgelegd in een gedwongen strafrechtelijk kader. Zijn laatste behandeling heeft de verdachte in september 2015 op eigen initiatief stopgezet. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de deskundige, de heer [deskundige 1] (rapporteur van Reclassering Nederland), verklaard dat de Reclassering geen extramurale behandelmogelijkheden meer ziet. Hij heeft daarbij zijn advies zoals neergelegd in zijn rapport van 14 oktober 2015 herhaald, wat inhoudt dat aan de verdachte de ISD-maatregel zal worden opgelegd.
De GZ-psycholoog [deskundige 2], die de verdachte heeft onderzocht, heeft in haar rapport van

14 augustus 2015 vermeld dat de verdachte slechts gedeeltelijk medewerking heeft verleend aan het onderzoek en dat in verband met de aanwezigheid van diverse risicofactoren een behandeling noodzakelijk is ter beteugeling van het recidiverisico. In haar rapport is de deskundige nog uitgegaan van een ambulante setting. Ter terechtzitting van het hof op 29 januari 2016 heeft zij echter verklaard dat in het licht van de informatie van de heer [deskundige 1] over het gedrag van de verdachte in de zomermaanden van 2015 een dergelijke setting niet meer toereikend is. Zij heeft gezegd dat voor de verdachte slechts de ISD-maatregel rest, nu eerdere behandelingen in een open setting onvoldoende hebben gebaat.

Het hof is van oordeel dat niet is gebleken dat het laatste reclasseringscontact door de behandelaar zelf is beëindigd, zoals de raadsman heeft gesteld. Het rapport en de ter terechtzitting afgelegde verklaring van de heer [deskundige 1] verschaffen voor die stelling geen aanknopingspunten.

Het hof stelt vast dat is voldaan aan de voorwaarden die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht voor oplegging van de ISD-maatregel stelt. Het hof acht immers bewezen dat de verdachte zich in de onderhavige zaken heeft schuldig gemaakt aan mishandeling en bedreiging, misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Bovendien is de verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 20 januari 2016 vijf jaar voorafgaand aan 30 november 2013 driemaal eerder wegens een misdrijf onherroepelijk veroordeeld, welke straffen, al dan niet na een bevel tot tenuitvoerlegging gevolgd op een eerdere voorwaardelijke oplegging, ten uitvoer zijn gelegd. Tot slot neemt het hof uit het reclasseringsrapport van 14 oktober 2015 over dat het recidiverisico als ‘hoog’ wordt ingeschat.

De verdediging heeft betoogd dat oplegging van de ISD-maatregel aan de verdachte slechts zal neerkomen op een langdurige vrijheidsbeneming, nu een behandeling, die voor de verdachte onontbeerlijk is, bij de tenuitvoerlegging van de maatregel geen prioriteit zal hebben en pas in een zeer laat stadium daarvan zal worden aangeboden.

Het hof stelt voorop dat volgens de bewoordingen van het tweede lid van artikel 38m Sr de oplegging van de ISD-maatregel strekt tot beveiliging van de maatschappij en de beëindiging van de recidive door de verdachte. Anders dan de raadsman stelt gaat het hierbij om twee gelijkwaardige doelstellingen.

Het karakter van de ISD-maatregel bestaat in langdurige insluiting en is daarnaast mede gericht op gedragsbeïnvloeding. Intensieve gedragsinterventies zullen, zo is de bestendige uitvoeringspraktijk, kunnen plaatsvinden als de verdachte daarvoor hanteerbare aanknopingspunten biedt.

Nu de verdachte ondanks eerdere veroordelingen is blijven recidiveren, en zijn recidiverisico als hoog wordt ingeschat, brengt de eerstgenoemde doelstelling van de ISD-maatregel reeds mee dat de verdachte voor oplegging ervan in aanmerking komt. Daarnaast biedt de ISD-maatregel de verdachte de mogelijkheid te werken aan zijn gedragsproblemen. De motivatie en bereidheid van de verdachte zullen hiervoor van beslissende betekenis zijn. Het hof acht het hierom aangewezen dat de tijd die de verdachte heeft doorgebracht in voorarrest niet in mindering wordt gebracht op de duur van de maatregel.

Tot slot acht het hof het wenselijk en noodzakelijk dat tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel plaatsvindt, waarbij onder andere kan worden gekeken naar de voortgang van het behandeltraject. Het hof zal bepalen dat deze beoordeling zal geschieden zes maanden na het onherroepelijk worden van dit arrest.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 38m, 38p, 43a, 57, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vorderingen tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft in de volgende zaken de tenuitvoerlegging gevorderd:

  • -

    de bij vonnis van de politierechter te Noord-Holland van 11 juni 2012 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 weken;

  • -

    de bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 31 januari 2013 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 19 dagen;

  • -

    de bij vonnis van de politierechter te Midden-Nederland van 7 februari 2013 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 weken.

Deze vorderingen zijn in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Nu aan de verdachte de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders wordt opgelegd zal het hof de vorderingen tot tenuitvoerlegging afwijzen.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 4 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 5 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 3 en 5 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Legt op de maatregel tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren.

Bepaalt dat het openbaar ministerie 6 (zes) maanden na het onherroepelijk worden van dit arrest het hof zal berichten over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel.

Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Amsterdam van 13 mei 2014, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter te Midden-Nederland van

7 februari 2013, parketnummer 07-289163-11, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 2 weken.

Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Amsterdam van 10 oktober 2014, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 31 januari 2013, parketnummer 07-660304-11, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 19 dagen.

Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Amsterdam van 20 mei 2014, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter te Noord-Holland van 11 juni 2012, parketnummer 15-700169-12, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 2 weken.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.M. van der Nat, mr. R.M. Steinhaus en mr. M.F.J.M. de Werd, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Metgod, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

12 februari 2016.