Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:5157

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-11-2016
Datum publicatie
09-12-2016
Zaaknummer
200.188.757/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Parate executie. Verkoop woonhuis door hypotheekhouder wegens (herhaalde) betalingsachterstand. Verzuim. Aanbod tot gedeeltelijke betaling en omvang van in totaal betaalde hypotheekrente doen niet af aan recht van parate executie. Geen misbruik van bevoegdheid. Artikelen 3:13 en 3:268 Burgerlijk Wetboek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.188.757/01

zaaknummer rechtbank (Noord-Holland) : C/15/240380 / KG ZA 16-172

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 29 november 2016

inzake

1 [appellant sub 1]

2. [appellante sub 2],

beiden wonend te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

appellanten,

advocaat: mr. A.R. van Dolder te Heerhugowaard,

tegen

NATIONALE-NEDERLANDEN LEVENSVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. T.J.P. Jager te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant sub 1] , [appellante sub 2] en Nationale-Nederlanden genoemd.

[appellant sub 1] en [appellante sub 2] zijn bij dagvaarding van 31 maart 2016 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Alkmaar, hierna ‘de voorzieningenrechter’, van 17 maart 2016, in kort geding onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen hen als eisers en Nationale-Nederlanden als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord, met producties.

[appellant sub 1] en [appellante sub 2] hebben geconcludeerd, kort gezegd, dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog – uitvoerbaar bij voorraad – hun vorderingen zoals in eerste aanleg ingesteld zal toewijzen, met beslissing over de proceskosten.

Nationale-Nederlanden heeft geconcludeerd, kort gezegd, dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met beslissing over de proceskosten.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 Feiten

De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2, 2.1 tot en met 2.7, de feiten genoemd die hij tot uitgangspunt heeft genomen.

In paragraaf 2.14 van de memorie van grieven klagen [appellant sub 1] en [appellante sub 2] over de juistheid van het onder 2.6, tweede volzin, genoemde feit. Het hof zal deze klacht hierna, bij de beoordeling van het hoger beroep, voor zover daarvoor van belang, in zijn overwegingen betrekken.

Voor het overige bestaat over de juistheid van de door de voorzieningenrechter genoemde feiten geen geschil, zodat in zoverre ook het hof daarvan zal uitgaan, met dien verstande dat het mede acht zal slaan op enkele andere, hierna te noemen, feiten die tussen partijen niet in geschil zijn.

3 Beoordeling

3.1.

Nationale-Nederlanden heeft op 29 december 2000 en 22 februari 2001 aan [appellant sub 1] en [appellante sub 2] geldleningen verstrekt ten belope van respectievelijk f 335.000,- en f 50.000,-. Laatstgenoemden dienden over deze bedragen rente te betalen zoals tussen partijen overeengekomen. Die rente moesten zij in maandelijkse termijnen voldoen. Bij niet-stipte voldoening zouden zij een boete aan Nationale-Nederlanden verbeuren. Tot zekerheid voor de nakoming van hun verplichtingen uit de geldleningen hebben [appellant sub 1] en [appellante sub 2] ten gunste van Nationale-Nederlanden een recht van hypotheek gevestigd op de woning met ondergrond en toebehoren gelegen op het adres [adres] , gemeente [gemeente] , hierna ‘de woning’. Zij hebben de woning na ontvangst van eerstgenoemd bedrag in eigendom verkregen en deze metterwoon betrokken.

3.2.

Sinds 2001 hebben [appellant sub 1] en [appellante sub 2] bij herhaling achterstanden laten ontstaan in de betaling van de door hen maandelijks verschuldigde rentetermijnen. Bij brief van 25 juni 2015 heeft Nationale-Nederlanden hun meegedeeld dat de achterstand € 3.950,67 beliep. Bij dezelfde brief heeft zij de hierboven genoemde leningen opgeëist per 9 juli 2015. Partijen zijn hierop een betalingsregeling overeengekomen. Deze zijn [appellant sub 1] en [appellante sub 2] niet, althans niet volledig, nagekomen. Voor eerdere betalingsregelingen naar aanleiding van opgetreden achterstanden geldt hetzelfde. Bij brief van 30 september 2015 heeft Nationale-Nederlanden de leningen opnieuw opgeëist, ditmaal per 7 oktober 2015. In dezelfde brief heeft zij geschreven dat de achterstand € 4.059,11 beliep.

3.3.

Naar aanleiding van een eerder ontstane betalingsachterstand had Nationale-Nederlanden, bij brief van 11 april 2014, aan [appellant sub 1] en [appellante sub 2] gevraagd mee te werken aan de totstandkoming van een onherroepelijke volmacht om de woning onderhands te verkopen. [appellant sub 1] en [appellante sub 2] hebben niet aan dat verzoek voldaan. Evenmin hebben zij meegewerkt aan een door Nationale-Nederlanden verlangde taxatie van de woning. Nationale-Nederlanden heeft in 2013 ten laste van [appellante sub 2] loonbeslag doen leggen. Het inkomen van [appellant sub 1] was daarvoor te laag. Het bedrag dat [appellant sub 1] en [appellante sub 2] volgens Nationale-Nederlanden op 7 oktober 2015 uit hoofde van de leningen verschuldigd waren en waarvan laatstgenoemde betaling heeft geëist, te weten € 181.552,99 inclusief achterstallige rente en exclusief een vergoeding wegens vervroegde aflossing, hebben zij onbetaald gelaten.

3.4.

In haar genoemde brief van 30 september 2015 heeft Nationale-Nederlanden aan [appellant sub 1] en [appellante sub 2] meegedeeld dat als het verschuldigde bedrag op 7 oktober 2015 niet zou zijn ontvangen, zij ermee rekening moesten houden dat Nationale-Nederlanden de woning in het openbaar zou doen verkopen volgens het bepaalde in artikel 3:268 BW. Dit laatste is later ook gebeurd, naar het hof begrijpt op 21 maart 2016. De woning is toen ten overstaan van een notaris geveild en daarbij verkocht voor een bedrag van € 138.000,-. [appellant sub 1] en [appellante sub 2] hebben de woning vervolgens ontruimd. De verkoopopbrengst is, na aftrek van veilingkosten, aan Nationale-Nederlanden afgedragen ter gedeeltelijke voldoening van haar vordering uit hoofde van de verstrekte geldleningen. Daarna is een schuld overgebleven.

3.5.

De hierboven weergegeven feiten zijn tussen partijen niet in geschil. Vóór de veiling hebben [appellant sub 1] en [appellante sub 2] , tegen de achtergrond van de overige genoemde feiten, Nationale-Nederlanden in rechte betrokken en gevorderd, samengevat, dat het haar zou worden verboden de aangekondigde openbare verkoop van de woning door te zetten, althans dat deze voor de duur van drie maanden zou worden opgehouden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- voor iedere dag dat [appellant sub 1] en [appellante sub 2] geen toegang tot de woning zouden hebben, en dat het Nationale-Nederlanden voorts zou worden verboden eventuele onderhandse biedingen op de woning te aanvaarden, alles bij wijze van voorlopige voorziening.

3.6.

Bij het bestreden vonnis zijn alle vorderingen afgewezen. Hiertoe heeft de voorzieningenrechter overwogen, samengevat, dat Nationale-Nederlanden als houder van het recht van hypotheek bevoegd was de woning te doen verkopen, gelet op de betalingsachterstand van [appellant sub 1] en [appellante sub 2] en gelet op de omstandigheid dat laatstgenoemden verschillende betalingsregelingen niet waren nagekomen, en bij ontbreken van uitzicht op voldoening van de bestaande achterstand en de aan Nationale-Nederlanden verschuldigde kosten. Tegen dit oordeel en de daaruit volgende afwijzing van de vorderingen richt zich het hoger beroep.

3.7.

In hoger beroep betogen [appellant sub 1] en [appellante sub 2] dat Nationale-Nederlanden misbruik van haar bevoegdheid als hypotheekhouder heeft gemaakt door de woning te doen verkopen, zoals zij heeft gedaan. Zij voeren hiertoe aan, naar de kern genomen, dat er een onevenredigheid bestond tussen het belang van Nationale-Nederlanden bij de verkoop van de woning en de belangen van [appellant sub 1] en [appellante sub 2] die daardoor werden geschaad en dat Nationale-Nederlanden in verband met deze onevenredigheid naar redelijkheid niet tot uitoefening van haar bevoegdheid tot verkoop had kunnen komen. Bij de beoordeling van dit betoog moet tot uitgangspunt worden genomen dat [appellant sub 1] en [appellante sub 2] in verzuim zijn geraakt met de nakoming van hun verplichtingen uit de door Nationale-Nederlanden aan hen verstrekte geldleningen, waarvoor het recht van hypotheek tot zekerheid strekte, en dat zij dit ook op het tijdstip van de verkoop nog waren. Hiertoe is het volgende van belang.

3.8.

[appellant sub 1] en [appellante sub 2] hebben in hoger beroep niet betwist dat zij bij de behandeling van de zaak ter zitting in eerste aanleg hebben gesteld dat zij een betalingsachterstand van € 1.980,72 hadden, zoals in het bestreden vonnis onder 3.2 is vermeld. Dit bedrag komt precies overeen met het bedrag aan achterstallige rente dat zij volgens een door Nationale-Nederlanden in eerste aanleg overgelegd, ongedateerd, overzicht hadden nagelaten te betalen gedurende een periode van vier maanden in de tweede helft van 2015. [appellant sub 1] en [appellante sub 2] hebben evenmin deugdelijk betwist dat zij aan rente, verbeurde boetes wegens niet-stipte voldoening van rentetermijnen en kosten verdere bedragen verschuldigd waren, zoals opgenomen in een door Nationale-Nederlanden opgestelde specificatie gedateerd 11 maart 2016 die hun was toegestuurd bij een e-mail van dezelfde datum, tot een totaal van € 4.106,97. In dit bedrag is de door hen gestelde achterstand van € 1.980,72 begrepen, terwijl zij ook volgens het hiervoor bedoelde, ongedateerde, overzicht verdere bedragen aan rente, verbeurde boetes en kosten verschuldigd waren, alles tezamen tot vrijwel hetzelfde totaalbedrag als genoemd in de specificatie van 11 maart 2016 van Nationale-Nederlanden. Er moet daarom van worden uitgegaan dat [appellant sub 1] en [appellante sub 2] op 11 maart 2016 een betalingsachterstand van € 4.106,97 hadden, zoals in het bestreden vonnis onder 4.2 is vermeld. Het verzuim van [appellant sub 1] en [appellante sub 2] volgt rechtstreeks uit het niet betalen van de verschuldigde rentermijnen en de verbeurde boetes, in aanmerking genomen hetgeen artikel 18 van de toepasselijke algemene voorwaarden bepaalt over het intreden van verzuim.

3.9.

Het bovenstaande wordt niet anders door de betalingen waarop [appellant sub 1] en [appellante sub 2] zich in de memorie van grieven beroepen. Die gestelde betalingen, wat daarvan verder ook zij, stammen alle van ruim vóór 11 maart 2016, hebben geen betrekking op de toen bestaande schuld en laten de hierboven aangenomen achterstand op die datum onverlet. [appellant sub 1] en [appellante sub 2] hebben niet gesteld dat zij deze achterstand op enig moment hebben voldaan, maar uitsluitend dat zij hebben aangeboden ‘in totaal € 4.000,- te voldoen ter voorkoming van de veiling’. Het moet er dus voor worden gehouden dat de betalingsachterstand en het verzuim na 11 maart 2016 onverkort zijn blijven voortbestaan. Nationale-Nederlanden was daarom in beginsel op grond van het bepaalde in artikel 3:268 BW bevoegd de woning in het openbaar ten overstaan van een notaris te doen verkopen. [appellant sub 1] en [appellante sub 2] hebben in hoger beroep niet bestreden dat zij sinds 2001 bij herhaling achterstanden hebben laten ontstaan in de betaling van de door hen verschuldigde rentetermijnen, dat zij in de loop der tijd meerdere betalingsregelingen niet of niet volledig zijn nagekomen, dat het ten laste van [appellante sub 2] gelegde loonbeslag ontoereikend is gebleken voor de betaling van de door hen verschuldigde termijnen en dat zij niet hebben meegewerkt aan handelingen gericht op onderhandse verkoop van de woning. De bestaande betalingsachterstand en de verdere zojuist genoemde omstandigheden maken dat het belang van Nationale-Nederlanden dat door de verkoop van de woning werd gediend, niet onevenredig was in verhouding tot de belangen van [appellant sub 1] en [appellante sub 2] die daardoor werden geschaad, ook niet als zou worden meegewogen dat laatstgenoemden na die verkoop een schuld hebben overgehouden.

3.10.

Dit leidt tot de slotsom dat niet kan worden geoordeeld dat Nationale-Nederlanden naar redelijkheid niet tot uitoefening van haar bevoegdheid tot verkoop had kunnen komen, zodat het andersluidende betoog van [appellant sub 1] en [appellante sub 2] wordt verworpen. Dit geldt eveneens, om dezelfde redenen, voor zover dat betoog stoelt op de stelling dat het Nationale-Nederlanden niet vrijstond de door haar verstrekte leningen op te eisen. Die vrijheid kwam Nationale-Nederlanden toe zowel ten tijde van de veiling als op het tijdstip van haar hierboven genoemde brief van 30 september 2015, waarnaar [appellant sub 1] en [appellante sub 2] in hoger beroep verwijzen, aangezien niet is betwist dat ook op laatstgenoemde datum aantoonbaar sprake was van een betalingsachterstand, die was voorafgegaan door eerdere achterstanden en niet-nagekomen betalingsregelingen. Ongegrond zijn voorts de stellingen dat het bedrag dat [appellant sub 1] en [appellante sub 2] na de verstrekking van de leningen in totaal aan rente aan Nationale-Nederlanden hebben betaald, volgens hen ten minste € 120.000,-, en het hierboven genoemde aanbod hunnerzijds tot betaling van € 4.000,-, aan uitoefening van de bevoegdheid van Nationale-Nederlanden tot verkoop in weg stonden. De eerste stelling, die weinig anders inhoudt dan dat [appellant sub 1] en [appellante sub 2] hun betalingsverplichtingen uit de geldleningen tot op zekere hoogte wel zijn nagekomen, doet niets af aan de bevoegdheden van Nationale-Nederlanden als hypotheekhouder voor zover die verplichtingen níet zijn nagekomen. De tweede stelling laat onverlet dat [appellant sub 1] en [appellante sub 2] het desbetreffende bedrag niet hebben betaald, zoals zij hadden kunnen en moeten doen, en aldus de betalingsachterstand hebben laten voortbestaan waaraan Nationale-Nederlanden de bevoegdheid ontleende om de woning te doen verkopen. Het hoger beroep is gezien het voorgaande tevergeefs ingesteld, het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd en [appellant sub 1] en [appellante sub 2] zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant sub 1] en [appellante sub 2] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Nationale-Nederlanden begroot op € 718,- aan verschotten en € 894,- voor salaris advocaat;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.F.M. Cortenraad, R.J.F. Thiessen en G.C. Boot en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 29 november 2016.