Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:5156

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-11-2016
Datum publicatie
09-12-2016
Zaaknummer
200.188.711/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Huur woonruimte. Ontruiming in kort geding wegens veroorzaken van overlast aan buurtgenoten, in het bijzonder door schelden en dreigen.

Wetsartikelen: 7:213 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.188.711/01 KG

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/595589/KG ZA 15-1282

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 29 november 2016

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: J. Wolfrat te Amsterdam,

tegen

WONINGSTICHTING EIGEN HAARD,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. M.G. Blokziel te Almere.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en Eigen Haard genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 24 december 2015 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam van 30 november 2015, in kort geding gewezen tussen Eigen Haard als eiseres en [appellant] als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord, met producties.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog de vordering van Eigen Haard zal afwijzen, met beslissing over de proceskosten, inclusief de nakosten.

Eigen Haard heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met beslissing over de proceskosten, inclusief de nakosten.

Partijen hebben de zaak op 13 oktober 2016 doen bepleiten door hun hiervoor genoemde advocaten, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Door respectievelijk namens partijen zijn inlichtingen verschaft.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 Feiten

De voorzieningenrechter heeft in het vonnis onder 2.1 tot en met 2.11 de feiten opgesomd die zij bij de beoordeling van de zaak tot uitgangspunt heeft genomen. Behoudens voor zover grief 4 tegen de vaststelling onder 2.3 van het vonnis opkomt, zijn deze feiten niet in geschil en dienen zij derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat komen de feiten, waar nodig aangevuld met hetgeen in hoger beroep is gebleken, neer op het volgende.

a. [appellant] huurt sinds 20 november 2003 van Eigen Haard een woning met tuin aan de [adres] .

b. Vanaf 2013 zijn bij Eigen Haard en de politie verscheidene meldingen binnengekomen betreffende overlast en burenruzies waarbij [appellant] was betrokken, hetzij als aangever/klagende partij, hetzij als partij over wie werd geklaagd/tegen wie aangifte werd gedaan.

c. Door de wijkagente is [appellant] op 22 november 2014 aangemeld voor het project “Treiteraanpak” binnen de gemeente Amsterdam. In dat kader zijn verscheidene gesprekken gevoerd met allerlei betrokkenen, onder wie [appellant] zelf.

d. Op 13 maart 2015 en 16 juni 2015 heeft Eigen Haard [appellant] bij brief gesommeerd te stoppen met het veroorzaken van overlast.

e. Op 15 maart 2015 is [appellant] door de politierechter in de rechtbank Amsterdam veroordeeld tot een geldboete wegens mishandeling van zijn buurman [A] (hiena: [A] ). Hij is van die beslissing in hoger beroep gegaan. Het hof Amsterdam heeft het vonnis van de politierechter bij arrest van 16 december 2015 - kort samengevat - vernietigd, bewezen verklaard dat [appellant] [A] heeft mishandeld, maar [appellant] daarvoor niet strafbaar verklaard en hem te dier zake ontslagen van alle rechtsvervolging.

f. In de periode tussen 16 juni 2015 en 12 oktober 2015 hebben verscheidene gesprekken plaatsgevonden met betrokken buurtbewoners en hulpverleners. Eigen Haard is bij een aantal van die gesprekken aanwezig geweest. Een aantal buurtbewoners heeft blijkens de van die gesprekken opgestelde verslagen te kennen gegeven de situatie onhoudbaar te achten en bang te zijn voor [appellant] .

3 Beoordeling

3.1

Bij inleidende dagvaarding van 26 oktober 2015 heeft Eigen Haard gevorderd dat [appellant] in kort geding wordt veroordeeld tot ontruiming van de door hem van Eigen Haard gehuurde woning. Zij heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat [appellant] door schelden, dreigen, provoceren en het veroorzaken van geluidsoverlast het leven van de omwonenden ernstig verstoort en aldus niet voldoet aan zijn verplichting zich als een goed huurder te gedragen. De wanprestatie is volgens Eigen Haard dermate ernstig dat die in een bodemprocedure tot ontbinding van de huurovereenkomst zou leiden. Zij stelt spoedeisend belang te hebben bij de door haar gevorderde voorziening, omdat de overlast voor de buurt niet langer kan worden getolereerd.

3.2

Ondanks daartegen door [appellant] gevoerd verweer heeft de voorzieningenrechter de ontruimingsvordering toegewezen. Zij heeft daartoe, samengevat, als volgt overwogen. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat [appellant] aan de omwonenden ernstige overlast aandoet, hetgeen heeft geleid tot angst bij die omwonenden en een gespannen sfeer die onhoudbaar lijkt. Hierdoor vrezen hulpverleners voor escalatie. Ondanks sommaties en gesprekken is [appellant] niet in staat gebleken de situatie te veranderen. Gelet op de ernst van de tekortkoming is voldoende aannemelijk dat de bodemrechter zal oordelen dat grond bestaat voor ontbinding van de huurovereenkomst. Eigen Haard heeft ook een voldoende spoedeisend belang bij de gevorderde voorziening, omdat de overlast nog aanhoudt en voor de andere bewoners een onhoudbare situatie bestaat.

3.3

Tegen de beslissing van de voorzieningenrechter en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] op met zes grieven, die zich lenen voor gezamenlijke behandeling.

3.4

Het betoog van [appellant] in hoger beroep komt in de kern erop neer dat de klachten die over hem zijn ingediend voor het overgrote deel zijn terug te voeren op de burenruzie die hij heeft met de familie [B] en het conflict dat hij heeft met [A] . In de burenruzie met de familie [B] heeft die familie zelf een kwalijke rol gespeeld. De familie veroorzaakt geluidsoverlast, waarover [appellant] al herhaaldelijk tevergeefs heeft geklaagd en [B] , de vader van het gezin, heeft [appellant] uitgescholden en hem bedreigd. Door [A] is [appellant] bij een eerdere woordenwisseling over het gedrag van een van de honden van [appellant] , geslagen met een stok. In verband met deze gebeurtenis heeft het hof [appellant] op grond van putatief noodweer ontslagen van rechtsvervolging voor de onder 2.e. vermelde mishandeling. Belastende verklaringen van andere buurtbewoners vinden hun verklaring in het feit dat [appellant] na de plotselinge dood van twee van zijn honden erg van slag was en wel eens op boze toon aan buurtgenoten heeft gevraagd of zij iets met de dood van zijn dieren te maken hadden. Niemand in de buurt heeft reden om bang voor hem te zijn, want hij heeft nog nooit iemand met een vinger aangeraakt, behalve [A] , tegen wie hij zich slechts heeft verdedigd. Het is juist dat [appellant] bij ruzies lelijke woorden gebruikt, maar dat is alles wat het is: woorden. Aldus steeds [appellant] .

3.5

Het hof overweegt met betrekking tot dit betoog als volgt.

3.6

Het hof kan niet uitsluiten dat [B] zich in de burenruzie af en toe confronterend jegens [appellant] heeft opgesteld door hard op de voordeur van de woning van [appellant] te bonken en [appellant] uit te schelden. Ook is het mogelijk dat [appellant] geluidhinder ondervindt van de familie [B] , een gezin met puberkinderen. Een en ander rechtvaardigt echter geenszins het gedrag dat [appellant] tegenover deze buren tentoon spreidt; [appellant] gebruikt de vreselijkste scheldwoorden en verwensingen en dreigt leden van het gezin te doden. Uit het proces-verbaal van bevindingen van de politie van 30 december 2014 blijkt dat hij deze uitlatingen niet alleen doet tegenover de familie zelf, maar ook tegenover de politie. Aan het waarheidsgehalte van hetgeen de leden van de familie [B] daarover hebben verklaard behoeft naar het - voorshandse - oordeel van het hof dan ook niet te worden getwijfeld. In het licht van een en ander valt te begrijpen dat vader, zoon en moeder [B] hebben verklaard voortdurend in angst te leven dat [appellant] de daad bij het woord zal voegen. De riposte van [appellant] dat dat iets is waaraan hij niets kan doen, geeft blijk van een ontbreken van inzicht in de eigen (escalerende) rol in het conflict.

3.7

Uit de in het geding gebrachte stukken blijkt dat [A] en [appellant] in augustus 2013 een uit de hand gelopen ruzie hebben gehad over het feit dat [appellant] zijn mannetjeshond niet weghield bij de loopse hond van [A] . Uit hetgeen de strafkamer van dit hof heeft overwogen in zijn onder 2.e. genoemde arrest blijkt dat [A] toen [appellant] heeft geslagen met een paal(tje). Uit dat arrest blijkt echter niet dat [A] [appellant] ook op 12 november 2013 heeft geslagen of heeft willen slaan. [appellant] stelt wel dat [A] de confrontatie met hem blijft zoeken, maar die stelling vindt in de overgelegde stukken geen steun. Integendeel, in de verklaring van de omwonende [C] van 9 maart 2015 (opgenomen in de burenoverlastrapportage van de wijkagent die aan Eigen Haard per e-mail van 17 oktober 2015 is toegezonden) wordt juist [appellant] aangewezen als degene die, verbaal agressief, de confrontatie met [A] blijft zoeken, kennelijk vanuit de - niet gesubstantieerde - verdenking dat [A] zijn honden heeft vergiftigd. Hierbij is van belang dat [appellant] die verdenking nog steeds koestert en dat hij en [A] elkaar bij het uitlaten van hun honden regelmatig in de buurt tegenkomen.

3.8

Het hof ziet geen reden te twijfelen aan de juistheid van hetgeen [A] en zijn echtgenote hebben verklaard over, al dan niet racistische, scheldpartijen en bedreigingen door [appellant] . Dat schelden en bedreigen beperkt zich naar uit andere verklaringen van buurtbewoners naar voren komt immers niet tot de familie [B] en het echtpaar [A] . In die verklaringen wordt gesteld dat [appellant] als er iets gebeurt wat hem niet bevalt, daarop pleegt te reageren met scheldkanonnades en beschuldigingen. Een voorbeeld daarvan is de verklaring van de conciërge van de plaatselijke school gedateerd ‘voorjaar 2014’ (pagina 28 van voornoemde burenoverlastrapportage) dat [appellant] vloekend en tierend de school binnenstormde naar aanleiding van het fietsen van schoolkinderen op een plaats waar dat niet mag. De van de conciërge opgetekende verklaring sluit af met de opmerking dat de hele buurt last heeft van [appellant] . Ook uit verklaringen van de buurtbewoners [D] en [E] moet het hof afleiden dat [appellant] voortdurend ruzie zoekt. Weliswaar hebben al deze verklaringen betrekking op minder ernstige gebeurtenissen, maar de inhoud ervan bevestigt hetgeen door de families [B] en [A] is verklaard.

3.9

[appellant] heeft in eerste aanleg en hoger beroep verklaringen overgelegd van buurtbewoners die hem ervaren als, kort gezegd, een man met een groot hart voor mens en dier. Dat is kennelijk een kant van [appellant] die ook bestaat en die mensen die geen ruzie met [appellant] hebben, te zien krijgen. Dat doet echter niet af aan de ernst van hetgeen personen te verduren hebben met wie [appellant] het niet goed kan vinden. Ook het feit dat de nieuwe wijkagent nooit contact heeft gezocht met [appellant] , maar alleen heeft gesproken met de personen die over hem klagen, is - hoewel ongelukkig - onvoldoende reden om de verklaringen van die klagers in twijfel te trekken.

3.10

Het hof deelt het oordeel van de voorzieningenrechter dat de situatie ten tijde van het bestreden vonnis onhoudbaar was. De spanning liep op en de vrees was gerechtvaardigd dat er een keer iets zeer ernstigs zou gebeuren als [appellant] in zijn woning zou blijven. Twee sommatiebrieven van Eigen Haard hadden niet het gewenste effect gehad; ook na de laatste brief hebben er confrontaties plaatsgevonden tussen [appellant] en [A] en [appellant] en de familie [B] . Ontruiming en verhuizing van [appellant] naar een andere woning, zoals na het vonnis heeft plaatsgevonden, was gelet op het aandeel van [appellant] in de veroorzaking van de problemen, een gepaste maatregel. Het gedrag van [appellant] vormde een ernstige inbreuk op zijn verplichting zich als een goed huurder te gedragen en als verhuurder had Eigen Haard jegens de andere bewoners de plicht daartegen op te treden. Zij had bij de gevraagde voorziening ook een voldoende spoedeisend belang. Helaas moet inmiddels worden vastgesteld dat de verhuizing de problemen niet volledig heeft opgelost, omdat zich confrontaties blijven voordoen, doordat [appellant] zijn nieuwe benedenwoning vanwege haar omvang en ligging ongeschikt vindt voor hem en zijn dieren en om die reden veel bij zijn moeder verblijft, in de buurt van zijn oude woning. Dit een en ander maakt echter niet dat de door de voorzieningenrechter gekozen oplossing niet juist was.

3.11

Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de slotsom dat de grieven falen en het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [appellant] worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Eigen Haard begroot op € 711,= aan verschotten en € 2.682,= voor salaris en op € 131,= voor nasalaris, te vermeerderen met € 68,= voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.R. van Harinxma thoe Slooten, J.C.W. Rang en J.E. Molenaar en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 29 november 2016.